null Beeld

'Vragen die ik kreeg over de Holocaust': het testament van Hédi Fried (94)

De Joodse schrijfster en psychologe Hédi Fried werd op haar 20ste gedeporteerd naar het vernietigingskamp Auschwitz. Het boek ‘Vragen die ik kreeg over de Holocaust’ (Atlas Contact) bevat de vragen die haar het vaakst gesteld werden, en evenveel antwoorden. Hieronder leest u de negen frappantste antwoorden.

'Soms dacht ik: ik stort me op het elektrische prikkeldraad. Maar dan was mijn volgende gedachte: dan geef je de nazi's hun zin'


1 Wat herinnert u zich van uw aankomst in Auschwitz?

Hédi Fried «Dat was midden in de nacht van 17 op 18 mei 1944. De veewagons met hun menselijke vracht van 3.007 Hongaarse Joden uit Sighet, Transsylvanië, hielden stil op een zijspoor, reden een stukje achteruit, gingen weer rijden, bleven een tijdje staan en herhaalden vervolgens de hele procedure. Zo ging het urenlang heen en weer, totdat ze eindelijk besloten te blijven staan op een station dat Auschwitz heette.

»De deuren gingen met een klap open, we werden verblind door sterke schijnwerpers en er brak een hels kabaal uit. Brullende SS’ers, blaffende honden en gillende kinderen klonken door elkaar heen en we moesten de wagon zo snel mogelijk uit, mannen naar rechts, vrouwen naar links. Alles wat we bij ons hadden, moesten we achterlaten. Mannen in gestreepte kleren en met stokken hielpen de SS de wagon leeg te maken. ‘Schnell, schnell,’ klonk het. Terwijl de stokken zwiepten en er geruststellend werd gezegd dat gezinnen de volgende dag weer zouden worden herenigd en dat de bagage zou worden nageleverd, werden we allemaal over het perron gejaagd.

Mijn vader en ik aarzelden. Waar waren we terechtgekomen? We zagen geen SS’ers in de wagon, dus vader waagde het één van de mannen in gestreepte kleren aan te spreken die er Joods uitzag. Nadat die snel om zich heen had gekeken, fluisterde hij: ‘Vernichtungslager’, vernietigingskamp. Toen begreep ik wat mijn moeder had voorvoeld toen ze zei: ‘Ze zullen ons ombrengen.’

Na drie dagen in die muffe, stinkende wagon was het een verademing om weer lucht te krijgen, ook al was die zwaar, scherp en akelig. De felle schijnwerpers sneden met een nevelig licht door het nachtelijke duister. Ze beschenen de wanhopige menigte mensen, de glimmende rails en de geweerlopen van de SS’ers. Mijn moeder, met mijn zus en mij ieder aan één kant, liep in de stroom vrouwen mee naar een hek van prikkeldraad, waar dokter Mengele met een kleine beweging van zijn zweep mijn moeder naar rechts stuurde en mijn zus en mij naar links.

»Die nacht verloor ik mijn ouders. Ze werden naar het badhuis gejaagd, waar hun werd wijsgemaakt dat ze gingen douchen, maar in plaats daarvan werd er Zyklon B in de ‘doucheruimte’ gegooid. Ik heb niet eens afscheid van mijn vader en moeder kunnen nemen, hen zelfs niet een laatste keer kunnen omhelzen.»


2 Hadden jullie de hele tijd honger?

Fried «We waren in Auschwitz aangekomen na een reis van drie dagen zonder eten en drinken. De angst die mijn hart in een ijzeren greep hield, maakte dat ik niet aan eten dacht. Ik was een automaat die door anderen werd aangestuurd en ik deed exact wat me werd gezegd.

»De gebeurtenissen volgden elkaar razendsnel op, zo snel dat ik nauwelijks merkte dat de nacht overging in de ochtend, en toen stonden we ineens onder een douche, waarvan ik de druppels gulzig inslikte. Daarna werden we naar onze barakken gebracht en toen kwam het eten: een stukje donker brood. Ik was nog zo in de war door de gebeurtenissen van die nacht dat ik geen hap naar binnen kon krijgen. Ik gaf het brood aan mijn zus, en dat bleef ik de volgende dagen doen. Ik ging pas eten toen ik begreep dat je, als je wilde overleven, het weinige dat je kreeg niet moest weggeven.

»Verzadigd raakte je nooit. Het misselijkmakende brood was soms niet eens goed doorbakken, het was niet meer dan een zwart hompje. Het waren genoeg calorieën om niet dood te gaan, maar te weinig om te blijven leven.

»Toen ik eenmaal begon te eten, kreeg de honger vat op me. Het voelde alsof er een gat in mijn maag zat, dat steeds groter werd. Het kleine stukje brood kon dat niet vullen, het wekte juist meer honger op. De dagen verstreken en de honger trok aan je ingewanden. Het was een collectieve honger, wij waren één smachtende maag en we konden nergens anders over praten. Het enige waar we het over hadden, waren de verschillende manieren om de honger eronder te houden.

»We keken voortdurend uit naar dingen die eetbaar waren. Sommigen van ons werkten in de keuken, en met die mensen moest je bevriend zien te raken. Soms slaagden ze erin een paar aardappels of een stukje brood mee te smokkelen en daar een vriendin gelukkig mee te maken. Ook was het een gelukje als je langs groentekwekerijen naar je werk moest, want daar kon je weleens een stronkje broccoli jatten, al bestond het risico dat je daar een pak slaag voor kreeg.

»Toen de Britse troepen ons vonden, hologig en uitgemergeld, wilden ze ons helpen en deelden ze hun blikjes met vet soldatenvoer met ons. De meesten van ons stortten zich erop, niemand wist dat dat levensgevaarlijk was. Gelukkig kwam ik niet in de verleiding. Als iemand me een blikje had aangeboden, had ik het leeggegeten. Ik had de mazzel dat ik iemand tegenkwam die me twee rauwe aardappelen aanbood.»


3 Waarom boden jullie geen verzet?

Fried «Actief verzet plegen stond in 1944 gelijk aan zelfmoord. Verzet had er al moeten zijn vóór de nazi’s aan de macht kwamen.

»In het kamp waren de meesten van ons te apathisch om zich te verzetten. Je kon daar niet denken, je volgde alleen maar bevelen op. Iedereen klampte zich vast aan het leven, hoe zwaar het ook was. Pas wanneer gevangenen beseften dat de situatie hopeloos was, dat ze uiteindelijk toch zouden sterven, pleegden ze actief verzet.

»De gevangenen in Sobibor deden een ontsnappingspoging. Die slaagde maar half. Ze wisten te ontsnappen, maar de meesten werden doodgeschoten of kwamen op een andere manier om in de bossen rondom het kamp.

»In het getto van Warschau begrepen de mensen dat iedereen zou worden geliquideerd en dat niemand zou ontkomen aan het transport naar de gaskamers. Met behulp van wapens die door het Poolse verzet het getto waren binnengesmokkeld, hielden ze veertig dagen stand. Sommigen wisten via het riool te ontsnappen. Uiteindelijk stak de SS het getto in brand en werden er slechts twintig overlevenden afgevoerd.

»In de herfst van 1944 besloot het Sonderkommando, de gevangenen die werkten in de crematoria 3 en 4 van Auschwitz, om de gebouwen op te blazen. Ze wisten dat ze anders toch zouden worden vergast. Het was gebruikelijk dat de bezetting van het Sonderkommando elk halfjaar werd vernieuwd: de mannen wisten te veel om langer te mogen blijven leven. Ze kwamen in contact met zes meisjes die in de nabijgelegen munitiefabriek werkten en vroegen hun om explosieven binnen te smokkelen. De explosie was succesvol en de Duitsers waren woedend. De mannen werden vergast en de meisjes werden opgehangen op plaatsen in de buurt van het kamp.»

undefined

null Beeld

'Er was geen logica in het kamp. Een vriendelijk woord van een SS'er kon je dood betekenen'


Bordelen

4 Werden jullie verkracht?

Fried «In oorlogen wordt verkrachting altijd ingezet met het doel om de man te vernederen. Het is altijd een middel van de ene partij om te schenden wat wordt beschouwd als het eigendom van de andere partij. Zo was het in nazi-Duitsland niet. Verkrachting was principieel verboden, omdat rassenvermenging bij wet verboden was. De praktijk was echter anders.

»Om het moreel van de militairen op peil te houden werden er bordelen ingericht, vrij chique voor de officieren en simpeler barakken voor de gewone manschappen. Joodse meisjes werden daarnaartoe gestuurd, en als je wilde blijven leven, had je je maar te voegen. Na een dag hard werken in het werkkamp kon een mooi meisje ’s avonds worden opgehaald en naar het bordeel worden gebracht, en de volgende ochtend weer naar het werk worden teruggebracht.

»Anderen moesten dag en nacht beschikbaar zijn. Die meisjes hielden het niet lang vol. Er waren echter ook geluksvogels die hun vrouwelijkheid inzetten en een militair verliefd op hen lieten worden. Die meisjes hadden soms een heel prettig leven bij hun beschermer, zeker als die een hoge rang had.

»Een hoge SS’er kon een meisje uitkiezen om het huishouden bij hem te doen, en dan ontkwam ze aan het zware werk in de kampen. Maar ook dan kon ze er niet zeker van zijn dat ze de grillige, van logica gespeende wereld van het nazisme zou overleven.»


5 Was u bang voor de dood?

Fried «Voor de dood zelf was ik niet bang. Ik had meer last van de onzekerheid, het eeuwige wachten, de angst als zodanig. Die angst was nooit helemaal weg. Hij was altijd op de achtergrond aanwezig en verdween pas als de acute doodsangst kwam.

»Ik was wel bang voor hóé de dood zou komen. Er niet meer zijn was de diepste wens van ons allemaal, maar de weg daarheen was angstaanjagend. De geraffineerde wreedheid van de Duitsers kon maken dat je heel veel pijn leed voor je doodging. Dáárvoor was ik bang.

»Ik weet nog dat ik me ’s morgens, als ik wakker werd, afvroeg: zal ik deze dag overleven? Maar er was geen tijd om na te denken. Het geschreeuw en de klappen van de SS-vrouwen joegen me uit bed en zorgden ervoor dat ik de dag volgens de voorschriften begon. Het bed, dat wil zeggen het stromatras ‘opmaken’, naar de latrine en geteld worden. Vervolgens naar het werk marcheren, en pas als ik ’s avonds naar bed mocht, kon ik weer nadenken.

»Ik sloot de dag meestal af met een gedicht van de Hongaarse dichter János Arany, dat in mijn amateurvertaling ongeveer zo luidt: ‘Dank u, lieve God, / Voor de avond, / Dat de aardse kwelling / Met een dag is ingekort’.»


6 Waren jullie weleens ziek?

Fried «Het was belangrijk om niet ziek te worden. We wisten dat we alleen zouden overleven zolang we konden werken. Als we ziek zouden worden, zouden ze niets meer aan ons hebben. Onbewust trokken we de conclusie dat ons dan de gaskamer te wachten stond. Daarom werden we maar zelden echt ziek. Degenen die vroeger aan chronische pijnen leden, waren die opeens kwijt. Geen voortdurende hoofdpijn, geen maagontstekingen. Lichte kwaaltjes hadden we soms wel en dan moesten we naar het revier, zoals de ziekenboeg heette. De verpleegster was zelf ook een gevangene en ze had niet veel te bieden om je te genezen. Hetzelfde trekzalfje, ichthyol, werd gebruikt tegen keelpijn en tegen bulten. Het enige helende effect dat zo’n bezoekje kon hebben, was een poosje rust en een paar troostrijke woorden.

»Als iemand koorts kreeg of zo ziek werd dat ze niet kon werken, probeerden we haar te beschermen. Wij deden haar werk en lieten haar op een beschut plekje rusten, terwijl er iemand oplette dat ze niet door een SS-bewaker werd ontdekt. Het gebeurde ook wel dat een aardige opzichter haar in zijn kantoortje liet en dat tegen eventueel SS-bezoek rechtvaardigde door te zeggen dat ze hem met binnenklusjes hielp. Als de bewaker in een goed humeur was, liet hij haar daar dan soms, anders joeg hij haar alsnog naar buiten. In het revier stonden enkele bedden, dus de zieke kon daar ook blijven, in plaats van de ijzige kou in te gaan. Dat we zo bang waren om er te blijven, kwam doordat je nooit wist wanneer de SS-arts zijn ronde deed. Als hij kwam, moesten de zieken zich naakt opstellen voor onderzoek en dan was mager zijn al voldoende voor een doodvonnis.

»Eén keer bleef een SS-arts stilstaan bij een mooi meisje. Hij gaf haar geen doodvonnis, maar bracht haar naar het militaire lazaret. Wat er daarna met haar is gebeurd, weet ik niet. Ik heb haar nooit meer teruggezien.»


7 Hoe was het om ongesteld te zijn?

Fried «De vrouwen hadden hun maandverband ingepakt voordat ze op transport werden gesteld, zonder te kunnen vermoeden dat ze dat net zomin zouden mogen houden als hun andere bezittingen. Ze bleken het echter sowieso niet nodig te hebben. De menstruatie ging misschien nog één of twee keer door en dat vonden we natuurlijk heel erg. Er was niets om het bloed in op te vangen. Als we geluk hadden, kregen we een onderbroek van de blokoudste, het meisje dat toezicht op ons hield. Op het gevaar af dat we gestraft zouden worden, scheurden we een stukje van onze jurk af, maar meestal liepen we rond in bebloede kleren en stroomde het bloed over onze benen. Dan moest je zorgen dat je niet de aandacht van een SS’er trok, want die zou je overladen met scheldwoorden – ‘dreckige Judensau’, vervloekte Joodse smeerlap die zich niet eens schoon kan houden – en hij zou je bont en blauw slaan.

»Op een dag constateerde mijn vriendin Dora dat ze drie dagen geleden ongesteld had moeten worden. Ze vond het maar raar, want ze was niet met iemand naar bed geweest. Steeds meer meisjes deden die ontdekking, slechts een enkeling menstrueerde weken na aankomst nog. Sommigen dachten dat ze in verwachting waren, maar al gauw begrepen we allemaal dat het geen teken van zwangerschap was, maar dat de menstruatie gewoon ophield. Het gerucht ging dat dat kwam doordat er bromium aan het brood werd toegevoegd, maar dat is nooit bevestigd. Natuurlijk kan de menstruatie ophouden door slechte voeding, zoals bij anorexiapatiënten, maar dat kon hier niet de verklaring zijn. We moeten iets hebben gekregen wat van invloed was op onze hormonen.

»We waren bang dat de menstruatie nooit meer op gang zou komen, zodat we nooit kinderen zouden kunnen krijgen. Gelukkig was dat niet zo. Toen we weer normaal eten kregen, werd ook de ongesteldheid weer normaal. Sommige vrouwen besloten na de oorlog geen kinderen te nemen, uit angst dat alles wat zijzelf hadden meegemaakt weer zou kunnen gebeuren. Toen ze later oud werden, kregen ze er spijt van dat ze geen gezin hadden gesticht en voelden ze zich heel eenzaam.»

undefined

'Josef Mengele stond erom bekend dat hij snoepjes uitdeelde aan de kinderen die hij daarna met zijn experimenten ging martelen'


Bloeiende oase

8 Wat was het beste wat u in het kamp hebt meegemaakt?

Fried «Het beste? Kan er toen iets ‘het beste’ zijn geweest? Niets was goed, maar misschien zijn er wel momenten geweest waarop we konden vergeten waar we waren en zelfs konden lachen.

»Eén keer beleefde ik in Auschwitz iets bijzonders, iets wat ons sombere bestaan een beetje verlichtte. Op een ochtend kwam een SS’er onze barak binnen. Hij vroeg om twee vrijwilligers voor een karwei. Mijn vriendin Olga en ik meldden ons aan. De soldaat nam ons mee, met het geweer op zijn rug. We passeerden het ene met prikkeldraad omheinde stuk grond na het andere, totdat we uiteindelijk bij een terrein kwamen waar een paar vrij kleine barakken op stonden. Het waren de barakken van de soldaten en we kregen als taak ze schoon te maken en de vloeren te boenen.

»Wat me al trof toen we de barakken naderden, was een berk die net begon uit te lopen. Het leek wel alsof je na de grijze bubbel van Auschwitz opeens in een bloeiende oase kwam. Er was leven buiten het kamp. Niet alles was verloren. Olga en ik keken alleen maar, nu eens naar de boom, dan weer naar elkaar, en zonder iets te zeggen wisten we wat de ander dacht. We wilden een paar takjes meesmokkelen naar het kamp, zodat alle anderen het ook konden zien. De soldaat joeg ons op, we moesten de barak in en aan het werk. Hij gaf ons instructies, een emmer koud water en een dweil.

»Het werd een zware dag. Om de vreselijk smerige vloer een beetje schoon te maken moesten we takken halen. Terwijl de soldaat ons voortdurend scheldend opjoeg, moesten wij de vloer met de takken, met onze handen en onze nagels een beetje minder vuil zien te krijgen.

»Toen de werkdag afgelopen werd verklaard, konden we uitblazen. ‘Feierabend, einde werktijd,’ zei de soldaat toen het avond werd. Wij moesten terug naar het kamp voor het tellen van de gevangenen. Ik was erin geslaagd een paar bladeren te bemachtigen, maar op de terugweg was ik heel zenuwachtig: zou het me lukken om ze naar binnen te smokkelen? Het was streng verboden om zelfs maar een grassprietje mee naar binnen te nemen. Ik verstopte een takje in de zoom van mijn jurk en stak een takje in mijn mond. Olga deed hetzelfde. Bevend liepen we langs de bewaker bij de poort – het lukte.

»Met trillende benen wachtten we tot het tellen afgelopen was. Toen we daarna in de barak kwamen en de bladeren lieten zien, was de vreugde groot. Bij al onze lotgenoten ontwaakte de hoop dat zelfs ons een lichtere toekomst wachtte.»


9 Hoe hebt u het overleefd?

Fried «Er zijn veel mensen die niet in toeval geloven, maar op die vraag kan ik geen andere reden bedenken. Zonder geluk had niets me kunnen helpen. Er was geen logica in het kamp. Je wist nooit waar je moest zijn of juist niet moest zijn om te overleven. Een SS’er kon je alleen maar voor de lol doodschieten. Een vriendelijk woord van hen kon je dood betekenen. Josef Mengele stond erom bekend dat hij snoepjes uitdeelde aan de kinderen die hij daarna met zijn experimenten ging martelen.

»Veel gevangenen werden gemarteld, en toch gaven ze niet op. Ik hoop dat ik ook zo iemand zou zijn geweest, maar je weet nooit wat je in een bepaalde situatie zult doen. In Auschwitz gebeurde het wel dat ik in mijn wanhoop dacht: niet nog een dag, morgen stort ik me op het elektrische prikkeldraad. Maar dan was mijn volgende gedachte: dan geef je de nazi’s hun zin, want dat is precies wat ze willen: ze willen van ons af.

»De samenhorigheid, deel uitmaken van een vriendenkring, was heel belangrijk. ’s Avonds probeerden we onszelf af te leiden met oude en nieuwe verhalen, met gedichten en met recepten. We probeerden onze honger te stillen door ‘eten te koken’: tot in detail te vertellen hoe bepaalde gerechten moesten worden klaargemaakt, totdat we de geur van gevulde koolbladeren roken en de smaak van het gehakt proefden.

»De gedachte dat we moesten overleven om na de oorlog te kunnen vertellen wat er met ons was gebeurd, speelde ook een rol. Al twijfelden we eraan of er wel iemand zou willen luisteren.»

Hédi Fried,
‘Vragen die ik kreeg over de Holocaust’,
Atlas Contact

null Beeld
Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234