'Vrede met het verstrijkende leven' Dwarskijker over 'De kleedkamer' en 'Duivelse vrouwen'

We zagen Van Binst in een mistroostige hotelgang naar zijn kamer lopen, alleen. Ziedaar de mens. Ik voelde veel sympathie voor die man.


De kleedkamer

Canvas – 18 april

Er is geen rechtsachter aan mij verloren gegaan, ook geen middenvelder, laat staan een spits. Ik ben dan ook het doodschoppen niet waard. Deskundologische uitweidingen over voetbal ontgaan me volkomen, maar dat gebrek aan aandacht voor de voetbalkunde en haar orakels, en misschien ook wel voor het voetbal an sich, belette me enkele weken geleden allerminst om versteld te staan van een filmpje waarin je achtereen, en in hoog tempo, 150 doelpunten van de betreurde held Johan Cruijff te zien kreeg. Ik zag een onmiskenbare mens die, godgelijk, in z’n eentje allerlei natuurkrachten te vlug af was, spelenderwijs, alsof hij er langs zijn neus weg een riedeltje bij floot – het thema van ‘Turks fruit’ van Rogier van Otterloo, stel ik me voor. Hogere sferen op de begane grond, díé werd ik toen gewaar. Vreemd genoeg dacht ik bij die sensatie nauwelijks nog aan voetbal.

Ook tijdens de eerste aflevering van ‘De kleedkamer’ raakte het voetbal, toch een beginsel in dit programma, van lieverlee op de achtergrond. Tussen haakjes: dat Robin Pront, de getalenteerde regisseur van ‘D’Ardennen’, zich met ‘De kleedkamer’ had bemoeid, was voor mij al een goede reden om naar dit programma te kijken.

We zagen, om de toon te zetten, archiefbeelden waarop Gille Van Binst, ooit een aanvallende rechtsachter, in de fleur van zijn leven met een windbuks en een uitgestreken gezicht op zwart-witfoto’s van sommige van zijn dierbare collegae bij RSC Anderlecht mikte. Hoewel hij daarbij geen gevoelens verried, beleefde hij vermoedelijk veel plezier aan die schietoefening. Daarna kwamen we in de kleedkamer van RSC Anderlecht terecht, waar vier illustere oud-spelers in de tegenwoordige tijd op de bank zaten: Jan Mulder, Georges Heylens, Robbie Rensenbrink en Paul Van Himst. De locatie was te kil om genoeglijk te zijn: ze was veeleer een bewaarplaats voor oude schaduwen, die het verleden moesten verbeelden. Om de huidige levensfase van dit viertal te schetsen, zei interviewer Ruben Van Gucht onder andere: ‘De tand des tijds laat sporen na op de slangenmens Rensenbrink.’ In sportkringen is dat vast poëzie.

Van Gucht speculeerde in dit programma vaker op jammerklachten over het verouderingsproces en het bijbehorende verval, wat Jan Mulder snel een repliek inblies: ‘Jij legt meteen de klemtoon op ouderdom, maar laten we het eens over onze kwaliteiten hebben.’ ’t Is algemeen bekend dat Jan Mulder, tot nader order een zondagskind, een fervent tegenstander van ziekte en dood is, en in één moeite door een voorvechter van het eeuwige leven. Robbie Rensenbrink had het dan weer over een geheimzinnige spierziekte die hij onder de leden had – wetenschappers in Amsterdam hadden er volgens hem nog geen naam voor – en Paul Van Himst, geen man die met zijn gevoelens te koop loopt, zei niets over die keer dat een longontsteking hem bijna het leven had gekost. Over zijn weduwnaarschap liet hij wel iets los: ‘Je kunt dat niet plaatsen.’ En ook: ‘Thuis heb ik nooit iets gedaan. Mijn vrouw deed alles.’ ‘Je vond haar toch ook heel mooi, hè, Paul?’ vroeg Jan Mulder, die zijn persoonlijke mythologie en zijn romantische levensgevoel koste wat het kost met de barre werkelijkheid wilde doen kloppen.

De gewezen rechtsachter Georges Heylens, die vermoedelijk een goedaardig man is, had geen noemenswaardige lichamelijke klachten, en zijn liefhebbende echtgenote leefde nog. Aangezien er overal en altijd wel iets te betreuren valt, was zijn winkel in sportartikelen, die hij aan zijn zoon had overgedaan, een tijd geleden bij nacht geheel leeggehaald door gedreven ondernemers uit het parallelle circuit. Los daarvan stond Georges Heylens, naar eigen zeggen, het liefst ten dienste van andere mensen.

Hoewel Jan Mulder zijn gloriedagen bij RSC Anderlecht graag mythisch voorstelt – ‘Je mag je jeugd niet verloochenen!’ – en daarbij Constant Vanden Stock nog het liefst als grand seigneur opvoert, sprak hij de anderen niet tegen toen ze zich één voor één herinnerden hoe RCS Anderlecht én Constant Vanden Stock koudweg afscheid van hen hadden genomen.

Er kwamen ook twee outsiders aan bod in dit programma, elk in een afzonderlijk portretje. Van één van hen herinnerde Georges Heylens zich dat hij soms kwetsende opmerkingen maakte. Zodra hij merkte dat die iets te hard waren aangekomen, beweerde hij dat hij ze als grap had bedoeld. Ik ken het procedeetje. Heylens had het over Gille Van Binst, over wie Jan Mulder zei: ‘Hij had de neiging om de waarheid te zeggen.’ Voor mijn part was dat de beste zin uit dit programma. En ook wel de geestigste.

Gille Van Binst was door Parkinson bezocht. Hij, een zelfverklaarde eenzaat, had zich metterwoon in een hotel in het subtropische Grimbergen gevestigd, waar hij zo te horen in de gunst van de exploitanten leefde. Jan Mulder vergeleek de speelstijl van Van Binst met die van ‘vuile Joegoslaven’ van vóór de val van het communisme: straatvechters op het voetbalveld. ‘Was je een beenhouwer?’ wilde Ruben Van Gucht van Van Binst weten. ‘Meer een keurslager,’ klonk het gortdroog. Hij had nog altijd de neiging om de waarheid te zeggen, en man en paard te noemen: ooit, toen Van Binst zich voor een wedstrijd tegen Porto een beetje slapjes voelde, had Freddy Maertens, de wielerkampioen, hem aan pervitine geholpen, een goedje dat wij, gezonde rock-’n-rollers, ook wel crystal meth noemen. Die wedstrijd tegen Porto ging wegens waterplassen op het veld niet door, zodat Van Binst, onder invloed van pervitine, merkwaardig lang en driest gedanst heeft in zijn hotelkamer, ook met teamgenoten die daar geen zin in hadden. Hij had de neiging om ook over zijn ziekte en zijn levensverwachting de waarheid te zeggen: ‘Zeventig haal ik niet.’ Euthanasie was een reële uitweg en geen taboe. Ook de moeilijke verhouding met zijn enige zoon verbloemde hij niet: om de twee maanden kruiste hij hem op een familiefeest en dat was dan dat. Hij ontkende ook niet dat zijn wilde levenswandel de oorzaak van die verwijdering was geweest. Deze man zonder illusies, die weet had van sarcasme en er allang achter was dat de wereld van leugens aaneenhing, leek me ook intelligenter dan gemiddeld. Soms had hij nog enkele tellen de schelmse oogopslag van de aanvallende rechtsachter met de luchtbuks, die in die jaren een ‘enfant terrible’ werd genoemd, vooral door types die angstvallig braaf waren. Over Paul Van Himst zei hij zonder omwegen en bijna apodictisch: ‘Hij is, net als ik, gedoemd om eenzaam te sterven.’ We zagen hoe iemand, een vage gedaante, Gille Van Binst een maaltijd voorzette. Hij zat alleen aan een lange tafel. We zagen hem alleen aan de bar zitten, met uitzicht op een pilsje. We zagen hem in een mistroostige hotelgang naar zijn kamer lopen, alleen. Ziedaar de mens. Ik voelde veel sympathie voor die man.

Een andere buitenstaander met een verleden bij RSC Anderlecht was de ingetogen Zweedse middenvelder Inge Ejderstedt, die geen last had van heimwee naar het voetbal. Hij herinnerde zich dat Constant Vanden Stock hem ooit in het Frans had gezegd: ‘U bent de enige speler die ik ooit een cadeau heb gegeven bij het afscheid van Anderlecht.’ Ruben Van Gucht wist dat Ejderstedt na zijn voetbalcarrière fortuin had gemaakt met ‘een houtconstructie waar worsten in liggen’. In de vleeshandel zal zo’n houtconstructie wellicht een begrip zijn, maar toen ik me er iets bij probeerde voor te stellen, schoot ik in technisch opzicht schromelijk tekort. Inge Ejderstedt plukte ver van de kleedkamer van RSC Anderlecht bramen op het eiland Öland, een oogstrelende plek waar de natuur voor één keertje geen slechte bedoelingen met de mens leek te hebben. Hij zei dat zijn vrouw zijn beste vriendin was. Toen de zon fotogeniek en ook wel een tikje fauvistisch ter kimme daalde, liep hij rustig een vlonder af, waarna hij zich in het aanlokkelijke water van een meer liet glijden en in het laatste daglicht een straatje om zwom. Het had er alle schijn van dat hij meer vrede met het verstrijkende leven had dan de andere oud-voetballers die in de eerste aflevering van ‘De kleedkamer’ zowel zichzelf als elkander mochten oprakelen. Geen van hen had aanleg voor bramenpluk.

In ‘De kleedkamer’ bleken de dingen des levens het uiteindelijk op het voetbal te halen. Vandaar wellicht dat ik er liever naar heb gekeken dan ik had voorzien.

'Duivelse vrouwen' is het soort programma dat vooral het indiscrete en bemoeizieke oude wijf in ieder van ons aanspreekt'


Duivelse vrouwen

VIER – 21 april

Ik probeer zo onverstoorbaar mogelijk te leven, maar als ik weer eens ophoor van astronomische bedragen die op de transfermarkt courant zijn, dan voel ik toch een zekere loonspanning tussen mij en die voetballende euromiljonairs van even in de twintig. Daar komt nog bij dat ik hun specifieke talent, in afwachting van de grote kladderadatsch, op het hysterische af overgewaardeerd vind in de boven haar stand gokkende vrijemarkteconomie. Uiteraard houd ik die mening voor mezelf, om me vooral de volkswoede niet op de hals te halen, en ook wel opdat professionele belastingontduikers mij niet van arbeideristische afgunst noch van communistische sympathieën zouden kunnen betichten.

Thans is het moment aangebroken om, in ruil voor een stilaan iets te modaal salaris, een handvol woorden aan ‘Duivelse vrouwen’ te wijden. ‘Duivelse vrouwen’: het had de titel van een documentaire over afgematte en kaalgeplukte mannen na een vechtscheiding kunnen zijn, maar het is de titel van een programmaserie waarin Katrin Kerkhofs, de vrouw van Rode Duivel Dries Mertens, die doordeweeks aanvaller bij Napoli is, ons voorgaat in de privésfeer van enkele spelersvrouwen die het ook met een Rode Duivel moeten stellen. Het is dus het soort programma dat – ik probeer me beeldend uit te drukken – vooral het indiscrete en bemoeizieke oude wijf in ieder van ons aanspreekt. Het soort programma dat, als ik het als wanhopig pleitbezorger voor de analoge wereld met drukwerk zou moeten vergelijken, zowel een tot leven gewekt kappersblad als een bewegende lifestylebijlage wil zijn.

In hun woning in Napels lag Dries Mertens languit op de bank van het aanvallen te bekomen. Zijn vrouw sprak: ‘Lig je goed? Je eten zal zo meteen klaar zijn. Et voilà: je balletjes in tomatensaus!’ Kijk, zó heb ik mijn feminisme het liefst – zó kan het dus ook – en Dries zal me in dezen niet tegenspreken, al helemaal niet als hij gehaktballen in tomatensaus ligt te verteren. Even serieus nu: dat dit stel geen Napolitaans huispersoneel in dienst had om lekker en naar Zuid-Italiaanse kwaliteitsnormen voor ze te koken, vond ik dan weer krenterig. Is het leven dan niet méér dan balletjes in tomatensaus klaarmaken en scheenbeschermers stoomstrijken voor een profvoetballer? Nu ik louter voor de vorm even bij die vraag stilsta: vaak niet.

‘Ik werk nu ook,’ zei Katrin Kerkhofs, waarmee ze bedoelde dat ze zich in opdracht van VIER als spilfiguur van ‘Duivelse vrouwen’ had ontpopt. Die verantwoordelijke baan noopte haar bijvoorbeeld tot skypen met Michèle, de vriendin van Kevin De Bruyne. Die twee kletsten gezellig bij, en daar beleefden ze ongetwijfeld meer genoegen aan dan ik. Katrin ging in Wolfsburg ook op visite bij Michèle en Kevin. We zagen hoe Kevin, de gevierde aanvallende middenvelder, naar de training reed. Aan de kant van een weg die naar het oefenveld leidde, stond een oudere man die schroomvallig een foto van De Bruyne nam. Om één of andere reden ontroerde de bijna schutterige bewondering van die oudere supporter me acuut. Ik zag ze in een flits en werd er terstond week van. Daarover uitweiden zou me te ver leiden en ook wel zonde van mijn tijd zijn.

Toen Kevin en zijn meisje naar Manchester City en dus naar Manchester waren getransfereerd, ging Katrin even bij ze langs in het luxehotel waar ze voorlopig woonden. Michèle bleek zwanger te zijn, waardoor Katrin lucht gaf aan een vluchtige bespiegeling over de kinderzegen: ze wou, nu ze een verantwoordelijke baan had bij VIER, persweeën en zwangerschapsstriemen nog even uitstellen. Haar man, Dries Mertens, vaderde overigens al over een hond. Dat gaf hem replieken in als ‘Heb je papa gemist?’ en ‘Gij zijt toch mijn kindje?’ De rest was beter stilte geweest, maar ’t was loos geblaf.

De baby van Kevin De Bruyne en Michèle zag ineens het levenslicht en moest ogenblikkelijk naar de naam Mason Milian De Bruyne luisteren. Katrin skypete met de nieuwe moeder: ‘Ik dacht: die gaat eruitzien als een dikke slons,’ klonk haar joviale binnenkomer. Ja, Katrin kan zich subtiel verstaanbaar maken als ze maar wil. Kortom: geknipt voor VIER. Ze mocht niettemin op kraambezoek, zodat wij, bemoeizieke en indiscrete oude wijven, even mochten vaststellen dat Kevin de Bruyne en zijn gezinnetje niet krap behuisd waren. ‘Over het algemeen bezitten topvoetballers meer zwembaden en sauna’s dan boeken,’ noteerde ik in gedachten. De gevierde aanvallende middenvelder pakte zijn baby vast zonder dat de genaamde Mason Millian daardoor bekneld of anderszins in ademnood raakte: Kevin is een geboren vader, dat zag je zo. En zelfredzaam bleek hij ook al te zijn: geen coach hoefde hem het verband tussen lasagne en een magnetron uit te leggen. Tussen het voetbal en Mason Millian kon hij niet kiezen – hij wist alleen dat hij dankzij de voetballerij Mason Millian ‘nog beter zou kunnen verzorgen’. Waarom lacht Kevin De Bruyne zo zelden in het openbaar? Nog een geluk dat topvoetballers minder saai zijn op het voetbalveld dan binnen de krijtlijnen thuis.

‘Heel misschien moet ik Dries maar eens over kinderen aanspreken,’ luidde de slotzin van Katrin Kerkhofs. Waf! Tegen die tijd verlangde ik allang naar andere tv-programma’s, waarover volgende week heel misschien meer.

Rudy Vandendaele

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234