Beeld ANP XTRA

CoronacrisisGetuigenis

‘Waarom zou ik níét bij mijn oude moeder op bezoek gaan?’

De beslissing om – onder strikte voorwaarden – weer bezoek toe te laten in de zwaar getroffen Belgische woonzorgcentra, stuit op heel wat onbegrip. De Nederandse journalist Koos Schwartz kiest ervoor zijn moeder wel nog te bezoeken. ‘Als zij kon kiezen tussen geen bezoek en bezoek-met-een-kansje-op-corona? Dan koos ze voor het laatste.’

Ze kijkt in een telefoonscherm. Ze lijkt zoekend. ‘Gaat het goed met je?’ Het is niet duidelijk of die vraag tot haar doordringt. Dan kijkt ze weg. Blijkbaar gebeurt er iets in het verzorgingstehuis waar ze woont. Ze hoort iets. Ze is afgeleid. Dan kijkt ze weer naar het scherm. Ze begint te praten, slecht verstaanbaar, ergens over. Dan kijkt ze weer weg.

Een videogesprek over de mobiele telefoon? Mijn moeder (89), dementerend, morfinepleisters, vat het niet. Te ingewikkeld. Alsof ze op een kruispunt staat en geen idee heeft welke weg ze in moet. Ze probeert iets te zeggen dat in de buurt komt van ‘die moderne dingen begrijp ik niet’ en haakt af. Ik druk mijn smartphone uit en 100 kilometer verderop doet de verpleegkundige die de tehuissmartphone voor mijn moeder vasthoudt waarschijnlijk hetzelfde. Daarna is er een onbevredigend gevoel dat langer duurt dan het gesprek.

Sinds vier weken zit het verzorgingstehuis van mijn moeder dicht. Verboden terrein. Voor contacten is er de smartphone. Is dat erg? Normaal gesproken zie ik haar elke zaterdag. Dan kijkt ze blij als ik er ben en een kus op haar voorhoofd druk. Dan proberen we te praten. ‘Hoe is het met de meisjes?’ vraagt ze dan. De antwoorden (‘goed’, of ‘een beetje verkouden’, of ‘ze heeft het druk gehad op school’) neemt ze voor kennisgeving aan. Soms vraagt ze hoe het in Friesland was en waarom ik daar heb gewoond. Conversatie? Eigenlijk is het nauwelijks meer mogelijk. Behalve over praktische dingen, (‘wil je een bonbon, zal ik een portje halen?’), haar geboorteplaats of haar vader die in de oorlog overleed toen ze 13 was.

Harde taal van een 11-jarige

‘Papa,’ zegt mijn dochter, ‘het is toch niet erg dat oude mensen overlijden. Ze hebben toch al heel lang geleefd. En oma vindt het leven toch niet meer fijn? Dan kun je toch best naar haar toe.’ Harde taal van een 11-jarige die zich meteen na haar boude uitspraak weer richt op haar beeldscherm. Hard ja. Of?

Ruim negen jaar geleden overleed mijn vader, onverwacht. Mijn moeder was haar baken kwijt. Zonder hem kon ze weinig, durfde ze nog minder. Na een paar jaar had ze er genoeg van. Kon er geen oude wijze man komen die met een spuitje een eind aan haar leven maakte? Dat dat niet kon, wilde er bij haar niet in. Onderhuids kookte ze: regel dat voor me, sukkel.

Ze probeerde de huisarts. Die wilde die wijze man niet zijn, of regelen. Zijn opvolger ook niet. Mijn moeder was laaiend. Als haar blikken hadden kunnen doden, hadden de huisartsen haar woning niet levend verlaten.

Ruim drie jaar geleden moest ze naar een verzorgingshuis. Het gevaar dat haar benen haar niet meer konden dragen, was te groot geworden. In het tehuis ging de aftakeling door: pijn in haar rug, pijn in haar benen, benen die dienst weigerden, ogen die minder werden, een rolstoel, incontinentie, een geheugen dat vergat, een bewustzijn dat verminderde en verdorie, waar waren die woorden nou waarnaar ze zocht?

En wat is dat bewustzijn belangrijk. Soms zit ze suffig van de morfine in haar rolstoel, geeft ze nauwelijks sjoege en lijkt ze het leven wel best te vinden – of niet? Soms is ze wat helderder. Dan is er een beetje met haar te praten, een paar minuten. ‘Hoe is het met de meisjes?’ Dan is ze haar gevoel voor humor niet helemaal kwijt en haar geheugen ook niet. Dan kan ze even genieten van bezoek, van bonbons, van een portje. Vraagt ze waarom ik een tijdje in Friesland heb gewoond. Maar dan voelt ze ook meer pijn. Wil ze verzitten, wat ze zelf meestal niet meer kan. Dan is ze zich ook bewust van wat ze is: een machteloze oude vrouw, totaal afhankelijk van anderen. Dan vindt ze ook dat het allemaal genoeg is geweest.

Verkouden? Corona? So what?

Ik dacht: ik ga gewoon. Verkouden? Corona? So what? Als mijn moeder kon kiezen tussen geen bezoek en bezoek-met-een-kansje-op-corona dan koos ze voor het laatste. ‘Ja, kom, ik ben toch al een ouwe dibbes,’ zou ze zeggen, als ze helder genoeg was. Eigenlijk is dat hetzelfde als wat mijn dochter zegt.

Gaan? Misschien zou de oude Irene die zo genoeglijk kan grinniken, maar die steeds langer slaapt, het wel best vinden. De mevrouw die zo van André Rieu houdt misschien ook wel. Idem voor de vriendelijke mevrouw met het scheef hangende hoofd. En de dame met de mooie kleren die dagelijks rondjes met haar rollator maakt en zo nog een beetje fit blijft. Soms zitten er op een zaterdagochtend tien of twaalf bejaarde dames in de gemeenschappelijke ruimte van het tehuis te doezelen of te dutten. Hoor je een speld vallen. Zitten ze niet allemaal te wachten tot het einde komt?

Waarom zou ik niet gaan? Twee jaar geleden ging ik wel. Toen was ik wat grieperig, zoals elk jaar. Snotterig. Wist ik veel dat er toen een griepepidemie aanstaande was. Niemand had het toen over mondkapjes, anderhalve meter afstand, overbelaste intensive cares en lockdowns. Toch gingen er duizenden, vooral oude, mensen dood aan de griep. Mogelijk 9.400, volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De coronateller is zo ver nog niet.

Ik had toen geen idee. Ik ging. Zoals de vriendin van Irene naar Irene ging. En de familie van mevrouw Rieu naar mevrouw Rieu. Wat is nou een griepje? Heb ik toen, onbewust, een aanslag op de gezondheid van twintig bejaarden gepleegd? Hebben de andere bezoekers dat, even onbewust, ook gedaan? Is er toen iemand in gebleven? Is er toen iemand aan longontsteking overleden? Nooit iets over gehoord. Wat niet wil zeggen dat het niet is ­gebeurd.

Het magere alternatief voor de kus

Het verzorgingstehuis is dicht en blijft dat voorlopig. We moeten het doen met de mobiele telefoon, het magere alternatief voor die kus, de bonbons en het portje. Veel bewoners vinden die smartphone lastig, zegt één van de verpleegkundigen. Maar misschien is het ook wel goed dat het huis gesloten is. Ik weet wat mijn moeder wil. Zou ze in haar eentje wonen, dan zou ik zaterdag naar haar toe gaan. Maar ze woont met twintig anderen. Ik weet niet wat Irene wil. Misschien gruwt mevrouw Rieu van het risico dat het vervroegd afgelopen kan zijn. Misschien wil de dame met de rollator wel honderd worden. En dan zijn er de verpleegkundigen nog. Hen besmetten, dat zou wrang zijn. Al ben ik benieuwd. Wat zouden de tehuisbewoners kiezen, als ze dat nog kunnen: geen bezoek of af en toe bezoek-met-een-kansje-op-corona, in hun eigen kamers dan en niet in de gemeenschappelijke ruimte?

Die keuze is voor ons gemaakt. Het is wachten tot het tehuis weer open mag. Dan koop ik bonbons en port. Dan zal mijn moeder wel verder zijn afgetakeld. Vraagt ze misschien niet meer naar de meisjes, omdat ze die dan is vergeten. Dan kom ik er niet meer achter wie ze eigenlijk bedoelt, want ik heb toch echt maar één dochter. En in Friesland heb ik nooit gewoond.

(Trouw)

Hoe ervaart u deze dagen? Welke bedenkingen heeft u bij wat er (niet) gebeurt? Hoe ziet u het evolueren? Laat het ons weten.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234