Warenhuis van de dood: 50 jaar na de brand in de Innovation

Op maandag 22 mei 1967 breekt kort na de middag brand uit in een kleine opslagplaats van de Innovation, een bekend grootwarenhuis in hartje Brussel. Vijftig jaar later zien getuigen en overlevers de slachtoffers nog van het gebouw springen, om te ontsnappen aan het vuur.

'Mensen die in de diepte springen. Het geluid van hun lichaam dat de grond raakt. Het staat nog allemaal in mijn geheugen gegrift'

Henri Geens (70) was in 1967 een groentje in het brandweerkorps van de stad Brussel. De ramp in de Inno betekende bijna het einde van zijn carrière als brandweerman.

Henri Geens «Toen ik die dag thuiskwam, zei ik tegen mijn ouders: ‘Ik stop ermee. Ik wil geen brandweerman meer zijn.’ De mensen die zichzelf in de diepte gooiden om aan de vlammen te ontsnappen, de lijken op de grond, de frustrerende onmogelijkheid om de winkel binnen te dringen en slachtoffers te redden... Het liet me niet los.

»Uiteindelijk ben ik van mening veranderd. 45 jaar lang ben ik in Brussel brandweerman geweest, maar de brand in de Inno zal het beklijvendste moment uit mijn loopbaan blijven. Ik zie de voorgevel nog altijd voor me: de woeste zee van vlammen achter de ruiten die het oude, door Horta ontworpen gebouw op een gigantische kachel deden lijken, waaruit niemand nog levend kon ontkomen.»

Ook de mensen die aan de vuurpoel ontsnapt zijn, zien de vlammen nog altijd voor zich. Pierre Maerckx (90), de toenmalige chef administratie, zat die dag vast in de keukens van het restaurant op de derde verdieping.

Pierre Maerckx «Ik kwam met een collega uit het zelfbedieningsrestaurant, toen we een witte nevel opmerkten in de hal. Mijn collega, die bij de beveiliging werkte, trok meteen naar de infobalie om te horen wat er gaande was. Meteen daarop ging het licht uit en hoorde ik iemand roepen dat er brand was. Ik wist dat er aan de achterkant een nooduitgang was die uitkwam op een brandtrap, en ik baande me op de tast een weg langs de keukens. Uiteindelijk kwam ik bij een raam dat ik met veel moeite openkreeg, maar waar de trap moest zijn, was er niets. Er waren nog drie of vier andere mensen, onder wie een jonge vrouw van een jaar of 20. We hoorden de brandweersirenes naderbij komen en ze zei me: ‘We zullen hier sterven.’ Ik heb geprobeerd haar wat te kalmeren. Beneden op straat, een meter of tien onder ons, hoorden we mensen roepen dat we zeker niet mochten springen. Hulp was onderweg.

»Zwarte rook drong binnen in de keuken. Het raam waarbij we stonden, bestond uit een vast en een kantelbaar deel en instinctief zette ik me op het onderste, vaste deel, met het hoofd naar buiten gekeerd – als een ruiter op een paard. Ik wist dat ik kon vallen, maar ik was banger van de rook dan van de diepte onder me. Ik zag hoe de jonge vrouw op de grond ging zitten. Toen de rook even later wegtrok, keek ik naar binnen en zag ik dat de anderen allemaal dood waren, vergiftigd en verbrand. De jonge vrouw zat nog altijd op de grond, met een glazige blik. Ik dacht dat ze nog in leven was. Ik praatte met haar en probeerde haar mond vrij te maken, die net als de rest van haar gezicht zwart was van de rook – maar toen ik haar aanraakte, kwam de huid los. Het was te laat.

»Plots verscheen er een ladder. Ik greep die vast en vroeg aan de brandweerman om binnen te kijken of hij nog iets kon doen. Daarna ben ik met een bus naar huis gegaan. Pas toen ik thuis mijn vrouw zag, ben ik beginnen te huilen. Ik trok mijn kleren uit en stelde vast dat ik verbrand was.

»Maar het ergste was de blik in de ogen van die jonge vrouw. Ik raakte erdoor geobsedeerd en voelde me schuldig. Het was pas nadat mijn dokter me overtuigd had dat ik echt niets voor haar had kunnen doen, dat ik me er overheen heb kunnen zetten.»

'Ik praatte met die jonge vrouw en probeerde haar mond vrij te maken, maar toen ik haar aanraakte, kwam de huid los. Het was te laat' Pierre Maerckx


Minder dan 30 minuten

In het kader van het gerechtelijk onderzoek naar de gebeurtenissen van 22 mei 1967 werden drie experts aangesteld. Na iets meer dan een maand legden zij hun conclusies op tafel: ‘Tussen 13.15 en 13.30 uur ontdekt een verkoopster van de kinderafdeling een brand in een kleine opslagruimte op de eerste verdieping, tegenover de eretrap. De vrouw waarschuwt de brandweerlui van de Innovation (werknemers van de beveiligingsdienst, red.); één van hen gaat de eerste vlammen te lijf met een brandblusapparaat, zonder resultaat. Daarop wordt alarm geslagen en wordt de stedelijke brandweer verwittigd. (...) Enige ogenblikken later staat de opslagruimte in lichterlaaie en wordt het vuur ook opgemerkt op de verkoopafdeling, ter hoogte van de valse plafonds. Met een verbazingwekkende snelheid bereiken de vlammen de hoger gelegen verdiepingen. Ondoordringbare rookwolken snellen voor de vlammen uit en halen de klanten en personeelsleden in die de uitgangen proberen te bereiken. De eerste brandweerlieden komen om 13.40 uur ter plaatse en redden zoveel mogelijk mensen die op het dak gevlucht zijn of aan één van de ramen om hulp staan te roepen. Veel mensen kunnen niet wachten en gooien zich in de diepte om aan de vlammen te ontsnappen. Op de brandtrappen heerst paniek. De brandweer kan niet verhinderen dat de ramp zich uitbreidt. Stukje bij beetje worden ze door de enorme hitte en de rookwolken het gebouw uitgeduwd. Het vuur bereikt uiteindelijk ook de firma Fischer en een deel van het warenhuis Priba. Om 16.20 uur stort het gebouw gelegen op de hoek van de Koolstraat en de Dambordstraat in. De brandweer moet de dagen erna verschillende heropflakkerende vuurhaarden bestrijden.’

Tussen het tijdstip waarop de brand ontdekt werd en het moment dat het onmogelijk werd om het gebouw nog binnen te gaan om slachtoffers te redden, zat er minder dan een halfuur.

'Toen de rook even later wegtrok, keek ik naar binnen en zag ik dat de anderen allemaal dood waren'


Eén vonk

In 1970 werd het gerechtelijk onderzoek naar de brand in de Innovation afgesloten, nadat alle slachtoffers en nabestaanden door hun verzekeraars schadeloos waren gesteld. Aangezien niemand zich burgerlijke partij stelde, werd er nauwelijks gedebatteerd over wie of wat verantwoordelijk was voor de ramp. Meer dan 250 slachtoffers, en niet één schuldige? Dat is niet wat Siegfried Evens schrijft in zijn nieuwe boek ‘De brand in de Innovation: de geschiedenis van de ramp die België veranderde’. Denkt hij aan een aanslag?

Siegfried Evens «Die hypothese kunnen we uitsluiten. Het is nochtans lange tijd een theorie geweest: dat het een politieke actie van extreemlinkse jongeren was, als protest tegen de Amerikaanse Veertiendaagse die in mei 1967 in de Innovation werd georganiseerd. Het was de tijd van de Vietnamoorlog, en het politieke klimaat was erg gespannen. Tijdens mijn opzoekingen heb ik vastgesteld dat er in die richting heel veel onderzoeksdaden verricht zijn: huiszoekingen, ondervragingen... Allemaal zonder resultaat.»

Maar wie is dan wel verantwoordelijk? De vroegere kaderleden met wie we gepraat hebben, weigeren te geloven dat het om een gebrek aan voorzorgsmaatregelen ging. Marguerite Lixon (82) zegt: ‘Wij hebben ons nooit onveilig gevoeld. Om de zes maanden waren er brandoefeningen.’ Claude Richez (77), een voormalige directeur, voegt daaraan toe: ‘We hadden zelfs onze eigen brandweerlui. De veiligheid was een grote bekommernis.’

En toch heeft Evens het over een veiligheidsbeleid dat tekortschoot. Hij baseert zijn conclusies op het verslag van de experts.

Evens «Door een klein lek had zich gas opgestapeld in de valse plafonds. Op de 22ste mei heeft een defecte tl-buis voor het fatale vonkje gezorgd.

»Meer voorzorgsmaatregelen hadden de omvang van de ramp kunnen beperken. Er is veel gezegd en geschreven over de afwezigheid van sprinklers in het gebouw, maar die waren toen nog niet wettelijk verplicht. Het signaal dat het einde van de lunchpauze aankondigde, is mogelijk ook verward met het brandalarm. Dat laatste zou niet of niet goed gewerkt hebben, en het is ook mogelijk dat het door de brand zelf snel is vernield – dat zullen we nooit meer kunnen achterhalen. Komt daarbij dat de valse plafonds niet vuurbestendig waren en dat er onvoldoende nooduitgangen waren, wat duidelijk werd doordat zoveel mensen door de ramen naar buiten sprongen.

»Maar wat me bij het lezen van het dossier het meest opviel, was het uithangbord aan de kant van de Nieuwstraat, dat uit grote aluminium panelen bestond. Volgens de bouwvergunning moest er aan die kant een nooduitgang zijn, waarvoor enkele van die panelen uitneembaar gemaakt moesten worden. Dat was niet het geval en de stad Brussel heeft nagelaten dat te controleren. Na de ramp werden achter de panelen de lichamen van veertien slachtoffers teruggevonden.»

- Wat is uw conclusie?

Evens «Vandaag zouden de verantwoordelijken nooit buiten vervolging worden gesteld. In 1970 hebben ze vermoedelijk geredeneerd dat ze de zaak niet op de spits moesten drijven, aangezien de slachtoffers allemaal vergoed waren.»

'Met veel moeite kreeg ik een raam open, maar waar de brandtrap moest zijn, was er niets'


Doden tellen

Ergens op het kerkhof van Brussel bevindt zich, geflankeerd door maagdelijk witte gedenkstenen, een perfecte rij op gelijke afstand van elkaar geplaatste graven. Het is een indrukwekkend gezicht, dat tot bezinning uitnodigt. Hier liggen de meeste slachtoffers van de brand in de Innovation begraven. De meeste grafstenen dragen geen naam omdat de slachtoffers, tot as gereduceerd, niet meer geïdentificeerd konden worden. Met hoeveel zijn ze? Claude Richez, die ons de weg naar deze bijzondere plek heeft gewezen, houdt het op 251.

Claude Richez «Hier vind je 153 graven, maar in totaal hebben 251 mensen die dag het leven gelaten. Men heeft het onder andere op Wikipedia over 323 doden, maar dat is een hardnekkig misverstand. Er waren ook 62 gewonden.»

Ook in het gerechtelijk onderzoek werd het indertijd op 251 doden gehouden, bevestigt Siegfried Evens, hoewel ook hij het cijfer 323 op verschillende plaatsen zag opduiken. Het zou een gevolg zijn van de commotie van de eerste dagen, toen veel aangiftes twee keer werden geteld. De allereerste telling sprak zelfs van 450 doden en vermisten.

'Monique Lenssens sprong van de vijfde verdieping naar beneden met haar handtas: 'Ik heb al mijn hele leven hoogtevrees, maar die dag niet'


Vrouw met handtas

Eén van de foto’s die de dagen na de ramp de wereld rondgingen, is die van een vrouw met een handtas die zich klaarmaakt om van het dak te springen. Die vrouw, die je op een tweede foto ook effectief kunt zien springen – de handtas nog steeds klemvast – heet Monique Lenssens. Op haar 82ste heeft ze de gebeurtenissen nog altijd niet van zich afgeschud.

Monique Lenssens «Alles wat ik die dag heb gezien, staat in mijn geheugen gegrift. Mensen die in de diepte sprongen. Het geluid toen hun lichaam de grond raakte. Ik stond op de vijfde verdieping. Onder mijn voeten voelde ik de hitte opstijgen, 25 meter lager hadden de mensen een zeil gespannen. Toen ben ik gesprongen.»

- Net voor uw sprong werd van u een foto genomen die beroemd werd.

Lenssens (glimlacht) «Ja, ik ben de dame met de handtas. Wat er over die tas niet allemaal verteld en geschreven is! Terwijl het heel simpel was: ik hou er niet van dingen te verliezen, dus zag ik niet in waarom ik die moest achterlaten.»

- Hoe bent u die dag op het dak terechtgekomen?

Lenssens «Ik werkte op de dienst statistiek in de Inno, op de vijfde verdieping. Vóór de brand was ik met mijn collega Josette Van Hove in de refter twee verdiepingen lager gaan eten. Toen we terugkwamen, moesten we even op een bank wachten tot ons kantoor geopend werd. Op dat moment ging er een bel. Een geluid dat we kenden: we hoorden het elke dag na de lunchpauze, om aan te geven dat het tijd was om weer te gaan werken. Alleen blééf de bel die dag maar gaan, en we beseften dat er iets niet in de haak was.

»We zagen de rook en wilden met vier of vijf naar een nooduitgang vluchten, maar na drie treden konden we niet meer verder. Op dat moment opende een man een raam, we kropen erdoor en sprongen op een platform dat een meter lager lag. Daar bleven we wachten.»

- Hoelang?

Lenssens «Ik zou het niet kunnen zeggen. Wat ik wel nog duidelijk voor me zie, zijn de gebaren van de brandweerlui, die wilden dat we naar een schoorsteen vlakbij liepen. Ik zag meteen waarom: onder onze voeten was het aan het branden. We konden het ook voelen: het werd hoe langer hoe warmer. Mijn vriendin Josette begon te panikeren. Ze had een zoontje van 5 en schreeuwde tegen me dat ik voor hem moest zorgen als zij er niet meer was. Daarop heb ik haar een paar kletsen gegeven, zodat ze zou kalmeren. Ik zei: ‘Denk eens na voor je iets zegt!’»

- Was u op dat moment niet bang?

Lenssens «Eerlijk? Nee. Ik heb al m’n hele leven hoogtevrees, maar die dag niet. Ik was vastbesloten om een uitweg te vinden uit die hel. Ik heb gekeken naar een elektriciteitskabel die verbonden was met een gebouw aan de overkant van de Blekerijstraat, maar daar kon ik niks mee aanvangen. Daarna gooide iemand ons een touw toe, terwijl men beneden ook bezig was een zeil open te vouwen. Ik heb mijn keuze gemaakt en ben gesprongen. Spijtig genoeg werd het zeil niet goed vastgehouden, zodat ik bij de landing met mijn voeten de grond raakte. Ik verloor het bewustzijn en kwam weer bij in de ambulance. Ik had een breuk in mijn wervelkolom met een verzakking van de lendenwervels en een hersenschudding. Maar het belangrijkste was dat ik nog leefde. Ik kan de vrijwilligers die die dag mijn leven hebben gered nooit genoeg bedanken.»

- Waarom hebt u ervoor gekozen om te springen in plaats van het touw te gebruiken?

Lenssens «Ik vond het nogal dun. Bovendien waren we met vijf, en er moest snel beslist worden. Toen ik zag hoe mijn collega zijn handen verbrandde terwijl hij langs het touw naar beneden gleed, en hoe hij ook tegen de vensterbanken botste, heb ik gedaan wat mij het beste leek.»

- Herinnert u zich uw sprong nog?

Lenssens «Ik herinner me de enorme pijn die ik voelde net nadat ik was geland, maar daarna heb ik onmiddellijk het bewustzijn verloren. Toen ik wakker werd in de ambulance, waren ze op de deur aan het slaan omdat ze moeilijk sloot. Daarna werd ik naar het ziekenhuis gebracht.»

- Wat ziet u vijftig jaar na de feiten nog het duidelijkst voor u?

Lenssens «Het beeld van al die mensen die zichzelf in de diepte wierpen om aan de vlammen te ontsnappen. Het trauma dat ik toen opgelopen heb, voel ik nog: ik ben nooit volledig hersteld. Bij elke grote brand of elke ramp die ik in de media zie, komt het weer naar boven. Daarna volgt er altijd een periode van slapeloosheid. Al vijftig jaar lang sleep ik mijn verdriet mee. Je zou het een depressie kunnen noemen. Ik heb nochtans mijn best gedaan om alles achter me te laten.»

- Bent u opnieuw gaan werken?

Lenssens « Na vele maanden in het gips en een zware revalidatie, heb ik geprobeerd om het werk weer op te nemen. Maar er was geen sprake van dat ik ooit nog naar de Nieuwstraat zou terugkeren. Ze hebben een plaats voor me gevonden in een magazijn in Zellik, maar het ging niet meer. Er was overeengekomen dat ik bij elke brandoefening op voorhand gewaarschuwd zou worden, en de eerste keer gebeurde dat ook: ze hebben mij toen moeten ondersteunen, want ik beefde van top tot teen. De volgende keer stond ik er alleen voor. Het lukte me om buiten te raken, maar daar ben ik als een blok op de grond gevallen. In de ziekenboeg bleek dat ik een extreem lage bloeddruk had. Toen werd ook duidelijk dat het niet meer ging: ik kwam in de problemen als ik in een gesloten ruimte zat. Een dokter van de verzekeringen heeft me toen gedeeltelijk invalide verklaard, maar hij geloofde wel dat ik weer aan het werk zou kunnen gaan. Ik hoor het hem nog zeggen: ‘U mag toch blij zijn dat u nog leeft?’ De arts van het RIZIV wilde ook dat ik weer aan de slag ging, maar mijn huisarts protesteerde. Daarna hebben de specialisten van het universitair ziekenhuis me arbeidsongeschikt verklaard. Een rechter heeft dat achteraf bevestigd.»

- Uw leven was compleet overhoopgegooid.

Lenssens «Ja, ik had het me helemaal anders voorgesteld. Mijn werk heb ik nooit meer kunnen hervatten, mijn professionele carrière was één lang ziekteverlof. Toch vond ik het, toen ik de pensioengerechtigde leeftijd bereikt had, logisch dat ik van dezelfde extralegale voordelen zou kunnen genieten als de andere werknemers van de Innovation. Maar toen ik me bij de personeelsdirecteur aanbood, bleek ik nergens recht op te hebben: ‘U bent hier heel lang niet geweest, mevrouw. Uw rechten zijn vervallen.’ Ik was gechoqueerd en antwoordde dat het niet mijn schuld was dat ik arbeidsongeschikt was geworden. Dat de brand aan de oorzaak van alles lag. Ik ben zelfs tot bij de grote baas geweest. Toen hebben ze me 10.000 frank (250 euro, red.) aangeboden, en daarmee was de kous af. Voor de rest moest ik mezelf maar zien te redden met al mijn trauma’s en mijn pijn. Als er vandaag een ramp gebeurt, is psychologische hulp voor de slachtoffers één van de eerste bekommernissen. In de jaren 60 was dat anders: morele schade werd toen in de eerste plaats geminimaliseerd.»

- Hebt u ook nog lichamelijke klachten?

Lessines «Af en toe heb ik een stekende pijn in mijn rug.»

- Hebt u weleens spijt dat u die dag bent gesprongen, in plaats van net als uw collega’s het touw te gebruiken?

Lessines «Nee. Het heeft geen zin om bij die zaken te blijven stilstaan. Je moet het leven nemen zoals het komt. Ik ben er tenminste nog. Als ik het lastig heb, denk ik weleens aan onze bureauchef, die die dag een vergadering had met de directie. Toen ze daar wegging, zei ze: ‘En nu ga ik mijn meisjes halen.’ Niemand heeft haar ooit nog teruggezien.»

© Paris Match. Vertaling en bewerking: Nicolas Quaghebeur



Siegfried Evens, ‘De brand in de Innovation’, Witsand Uitgevers

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234