'Wat alleen wij horen': de nieuwe Saskia de Coster

Twee jaar na de bestseller ‘Wij en ik’, haar mokerende familiekroniek, bevestigt het nieuwe ‘Wat alleen wij horen’ de lopende tendens: Saskia de Coster is een schrijfster buiten categorie aan het worden.

'Mensen die door jouw woorden overgaan tot de daad: hoger kan bijna niet'

Ze zoomt in haar zevende roman in op de bewoners van het Atlasgebouw, een woontoren in een West-Europese metropool, en hun afwisselend gespleten en bescheten verzet tegen de geplande onteigening van hun biotoop. De tomeloze Melanie, de schrijfster Erin, haar verdwaalde broer Anton, de kleine Claus en zijn geadopteerde opa George: De Coster vervlecht hun en andere levens tot een slim en verslavend gemonteerd tijdsdocument: over vastzitten in een razendsnel veranderende wereld en – een mens moet toch íéts – toch maar blijven zoeken naar vluchtroutes. Het kon niet anders of daar kwamen vragen van. Ja hoor, de tweede was nog niet gesteld, of daar is de eerste al:

HUMO Over ‘Wat alleen wij horen’ schreef je onlangs – net voor de publicatiedatum – dit: ‘Ik stuiter op en neer tussen totale verrukking over dit verhaal en vreselijke wanhoop.’ Wanneer verwacht je uitgestuiterd te zijn?

Saskia de Coster «Pas als ik het ooit nog eens opnieuw lees – maar geen idee wanneer dat zal zijn. Ik vermoed: op het einde van mijn leven, als ik terminaal ben en al mijn boeken nog eens bij me roep: ‘Kom eens allemaal dag zeggen tegen mama.’ Ik was maanden zeer intensief met ‘Wat alleen wij horen’ bezig, maar nu het klaar is, is het echt wég. Als een lobotomiestuk dat uit mijn hoofd is gesneden. Ik weet bijna niet waar ik het straks met jou over zal moeten hebben.

»Eigenlijk zou je niet mij moeten interviewen, maar mijn lezers. Ik heb het boek ten grave gedragen, aan anderen om het te reanimeren. Het boek is klaar om op zijn eentje de wereld in te trekken, ik moet daar niet paniekerig naast willen blijven lopen. De mening van de lezer is nu belangrijker en interessanter dan de mijne.»

HUMO Praat je ooit zélf met je lezers?

De Coster «Voor mij zit de dialoog vooral in mijn boeken. Alles wat ik wil zeggen, zit daarin.»

HUMO Dat is de theorie, maar hoe gaat het in de praktijk?

De Coster «Goh. Soms is het leuk als een lezer me één zin toewerpt. Iemand die me vanuit de anonimiteit toeroept en daarna snel weer verdwijnt, zodat het mysterie in stand wordt gehouden. Vluchtig contact in de darkroom van de literatuur.

»Er zijn bijvoorbeeld de klassieke dingen: mensen die me laten weten dat ze mijn boek op de wc aan het lezen waren en zo lang bleven zitten tot ze nóg eens moesten. En ik hoorde dat iemand mijn vorige boek ‘Wij en ik’ heeft meegenomen naar de Zuidpool en het daar aan een pinguïn heeft gegeven.»

HUMO Weet je ook waarom?

De Coster «Waarom niet? Dat boek ligt daar nu wellicht te niksen, maar het is een toffe gedachte dat de pinguïns zo toch op zijn minst de kans hebben gekregen over het Vlaamse verkavelingsleven te lezen. En wie weet ontstaat daar op termijn een nieuwe pinguïntaal, op basis van niets anders dan de woorden in mijn boek.

»Nog over ‘Wij en ik’ mailde iemand mij: ‘Stefaan, de vaderfiguur die zo tragisch eindigt? Dat ben ik. Ik ben er zeker van.’ Ik wist niet of ik vereerd moest zijn, dan wel of ik moest ingrijpen en de bevoegde instanties verwittigen. Maar zolang men niet voorstelt om samen met mij in therapie te gaan, hebben lezersreacties waarde voor mij, ja.»

HUMO Zijn er ook complimenten die niet hadden gehoeven?

De Coster «Soms krijg ik te veel details over hoe opwindend iemand een bepaalde scène vond: ‘Ik heb die ene seksscène toch een aantal keer na elkaar gelezen. In bed. Ik was alleen...’ (lacht) Maar ook dát is een compliment. Mensen die door jouw woorden overgaan tot de daad: hoger kan bijna niet. (Denkt na) Of misschien niet dé daad, maar toch op zijn minst een daad.»


Laminaat is laminaat

HUMO Herinner je je de allereerste seksscène die je ooit schreef?

De Coster «Ja. In het middelbaar hadden een paar artistieke vriendinnetjes en ik het idee opgevat om een soort nieuwe Factory te vormen. Andy Warhol was dood, het was tijd voor een revival. We deden van alles, we deden het zélf, en we gaven onder andere een eigen tijdschrift uit. Ik heb daarvoor tekeningen gemaakt, maar bijvoorbeeld ook een seksgedicht geschreven. Een heteroseksueel seksgedicht nog wel (lachje). Ik heb het laten lezen door één van mijn vriendinnen, maar haar reactie was: ‘Ah. (Lange pauze) Oké. (Lange pauze) Dus dát is de richting die je uit wil...’ Daarna hoefde het voor mij ook niet meer.

»Ik vind nog steeds dat het helemaal zo slecht niet was, maar goed: misschien zaten er iets te veel stieren in dat gedicht.»

HUMO Is – in een erotisch gedicht – niet élke stier er één te veel?

De Coster «Ik bedoel: stierenmetaforen. Het oude Griekenland. Fallusvormige hoorns.»

HUMO De Canadese auteur Douglas Coupland zei onlangs in Humo dat hij geen talent heeft voor seksscènes. Waar ben jij niet goed in?

De Coster «Ik vind het strontvervelend om interieurs te beschrijven. Neem dat balkon daar, aan de overkant van de straat. Ik heb het vocabulaire niet om de technische benamingen van alle onderdelen ervan te beschrijven. Ik zou ervoor moeten studeren, en ik ben te lui. ‘Fuck it, dan maar niet.’ Of bekijk de vloer in het café waar we nu zitten: ik maak er geen woorden aan vuil. Lelijke vloeren zitten qua kleur toch altijd tussen beige en spruitgroen in: snurk. Laminaat is laminaat, gedaan.

»Misdaadverhalen zal ik ook nooit schrijven: ik zie ertegenop om uit te zoeken hoe het allemaal zit met DNA en labo’s en zo. Mijn dialogen zouden potsierlijk zijn.»

'Ik voel me heel verwant met Brusselmans. Net als hij behoor ik niet tot de groep van auteurs die smúllen als ze iets ingewikkelds mogen beschrijven.'

HUMO Ook de reden waarom Herman Brusselmans zijn lopende policier-trilogie ‘Zeik’ in de jaren 60 situeert: ‘De meest gesofisticeerde onderzoeksmethode die men toen had, was: vingerafdrukken zoeken. Dat kan ik nog aan.’

De Coster (lacht) «Ik voel me heel verwant met Brusselmans. Op dat vlak zijn er echt twee soorten schrijvers. De groep waartoe ik zelf niet behoor – en van wie Jef Geeraerts in eigen land misschien de prominentste was – smúlt van dat soort dingen: ‘Ik mag iets ingewikkelds beschrijven: joepie!’ Terwijl ik net ben beginnen te schrijven opdát ik geen handleidingen zou moeten lezen.»

HUMO Nog één keer Coupland. Toen hij onlangs in de Brusselse Bozar voor publiek een eigen kortverhaal voorlas, was hij op het einde hoorbaar geraakt: krop in de keel.

De Coster «Echt? Ik vind het altijd mooi om dat soort dingen te horen.»

HUMO Word jij vaak emotioneel bij het herlezen van je eigen woorden?

De Coster «Het gebeurt, al heeft dat zelden te maken met het eigenlijke verhaal. Mijn boeken zijn voor een deel de container van mijn leven. Ik ben slecht in datums onthouden, maar ik weet wél nog perfect waar ik was toen ik die of die scène schreef, en vaak hangen daar ook andere gebeurtenissen en associaties aan vast. Tijdens het schrijven van ‘Wat alleen wij horen’ heb ik bijvoorbeeld een maand op een eiland voor de westkust van Canada doorgebracht. Een heel idyllische plek: geen internet, en je moest er al met je gsm in de lucht springen om te kunnen bellen. Ik heb daar een kantelmoment in het schrijfproces meegemaakt, en ik zal dat voor altijd associëren met herten. Het zat er namelijk vol mee. Omdat ik me zorgen maakte over het verhaal ben ik vaak om vijf uur ’s morgens opgestaan, om buiten af te koelen, en dan stonden daar gegarandeerd vier herten te dansen, of ruzie te maken. Een beeld dat je niet uit je hoofd krijgt.»


Het composthoopprincipe

HUMO ‘Wij en ik’, je vorige, werd je best ontvangen en meest verkochte boek tot nog toe, en dat bracht jou in een nieuwe situatie: ineens diende je bij het schrijven aan veel meer verwachtingen te voldoen dan voorheen. Ben je daardoor ongewild anders aan ‘Wat alleen wij horen’ begonnen?

De Coster «Je bedoelt dat ‘Wij en ik’ mij minder maagdelijk in de wereld heeft gezet?»

HUMO Nee, want je stond daarvóór ook al enige tijd niet meer in de schaduw.

De Coster (lacht luid) «Natuurlijk wel. Bespaar jezelf de illusies, literatuur is altijd een marginale business.

»Het succes van ‘Wij en ik’ heeft me vooral een fond van vertrouwen gegeven. Dat het boek nu in het Duits wordt vertaald, en volgend jaar voorgesteld wordt op de Frankfurter Buchmesse: dat is tof. Natuurlijk. Het brengt gerustigheid. En ik wil het boek hierna ook nog vertaald zien in China en Syrië.

»Het is niet wat je bedoelde, maar de manier waarop ik aan ‘Wat alleen wij horen’ begon, vloeide ook anderszins voort uit ‘Wij en ik’. Dat boek was een denkoefening: hoe verhoud ik mij ten opzichte van mijn genetische afkomst, mijn milieu, de tijd waarin ik leef, enzovoort. Dat heeft ‘Wat alleen’ ook, maar dan: hoe verhoud je je als individu tot het geheel van een arbitrair samengebrachte groep mensen? Het is een idee waar ik ook in ‘Wij en ik’ iets mee wilde doen, maar dat ik toen voor me uit heb geschoven omdat er geen plaats meer voor was. Het volgende vloeit vaak voort uit het vorige; het composthoopprincipe, noem ik dat.

»Zo gaat dat verder. Ik ben nu vooral bezig met het volgende boek dat ik ga schrijven: over iets dat ik niet meer in ‘Wat alleen wij horen’ gepast kreeg.»

HUMO Noem eens een randfenomeen waaraan je concreet merkt dat ‘Wij en ik’ je lezerspubliek vergroot heeft.

De Coster «Toevallig hoorde ik gisteren dat een hele straat mijn boek gekocht heeft in het dorp waar ‘Wij en ik’ níét over gaat, maar waarvan veel mensen denken dat dat wél het geval is. Omdat ze dachten zich erin te zullen herkennen. Eén van hen was de moeder van een oude schoolvriendin en zij moet na het lezen hebben gezegd: ‘Zeg, zo’n kwaaie moeder was ik nu toch ook weer niet?!’

»Het bewijst dat ik een snaar geraakt heb, dat ik misschien toch een heel klein blind vlekje van Vlaanderen in kaart heb gebracht. Dat is de bedoeling, het uitgangspunt: de juiste toon vinden. Ik vertrek nooit bij de plot, ik zeg nooit: ‘Laten we het nu eens over een problematische moeder-dochterverhouding hebben...’ De plot is slechts dat vervelende ding dat er onvermijdelijk bij komt.»

HUMO Je hebt zelf ook ooit gewoond in het soort mega-appartementsblok waar ‘Wat alleen wij horen’ zich afspeelt.

De Coster «Ja, interessant. Je gaat vanzelf je eigen ruimte opzoeken en afbakenen omdát je er zo dicht op elkaar zit. Je blijft je te allen tijde bewust van de anderen. En op basis van wat je door de muren heen hoort, ga je vanzelf het leven van je buren invullen, of raden. Het zet in elk geval je fantasie aan het werk.»

'Met 'Wij en ik' heb ik een snaar geraakt, een heel klein blind vlekje van Vlaanderen in kaart gebracht'

HUMO Het heeft iets onwelvoeglijks om in een boek de overeenkomsten te turven met het leven van de schrijver: dat impliceert dat je verbeelding minderwaardig zou zijn aan je biografie. Maar in ‘Wat alleen wij horen’ zijn de parallellen tussen de lesbische schrijfster Erin en jou zo opvallend dat het haast de bedóéling moet zijn geweest dat de mensen je erover aanspreken.

De Coster «Dat is deel van het spel.»

HUMO Er is ook George: een oude man die heelder dagen luistert naar zelfgemaakte opnames op cassette, én die langzaam dement wordt. Net de twee biografische gegevens die ik elders over jouw oom Heinz heb gelezen.

De Coster «Elk personage heeft ergens wortels, maar tegelijk is er bij mij ook altijd transformatie. Het is nooit één op één. Ik kan me niet aan de werkelijkheid houden, daar heb ik altijd problemen mee gehad. Ik zou jouw job bijvoorbeeld nooit kunnen doen: de antwoorden van een ander waarheidsgetrouw neerschrijven? Saai! En toen ik vroeger al eens een scriptie moest schrijven over pakweg een filosoof, liet ik me ook zelden tegenhouden door de feiten. Liever vond ik die hele Heidegger gewoon opnieuw uit. Ik ben te dom om mij te verplaatsen in hoe het echt geweest moet zijn, denk ik. Ik móét het naar mijn hand kunnen zetten.

»Dat geldt trouwens ook voor voorwerpen. Als ik iets nieuws koop, moet dat een soort overgangsritueel door. Elke nieuwe laptop, trui of zetel: daar moet iets aan kapot, een vlek op, wat dan ook – dan pas heb ik het me écht toegeëigend. Die bezitsdrang kan ik heel goed kwijt in mijn schrijven.

»Kapotte stoelen vormen trouwens de meest typische randschade van mijn schrijven. Ik kan mij ongelooflijk kwaad maken als iets niet lukt, en dan moet onder meer mijn bureaustoel het ontgelden. Op mijn huidige exemplaar zit ik nog steeds te werken, maar de poot staat helemaal scheef. En er zitten littekens in het parket. Maar dat is een redelijk lage onkost. Stel dat ik nu schilder was en met gouden maskers werkte: dat zou veel duurder zijn dan af en toe wat nieuwe huisraad.»

HUMO In ‘Wat alleen wij horen’ wordt Melanie toegesproken door enkele van haar deelpersoonlijkheden: mevrouwtje Correct, mevrouwtje Actie, mevrouwtje Zen... Welke afsplitsingen van je eigen karakter werken jou het vaakst op de zenuwen?

De Coster (denkt lang na) «Mijn mevrouwtje Zen zou zich net wat méér mogen opdringen. Ik zou het bijvoorbeeld nooit aankunnen om een lange pauze te nemen, om mij eens een paar jaar te bezinnen en de dingen tot mij te laten komen.»

HUMO Hoe kom je bij dat voorbeeld? Heb je er dan nood aan?

De Coster (droog) «Ik ben kapót, jong... Nee, het liefst wil ik een extra leven, eentje als nietsnut, dat parallel loopt met het ding dat ik nu mijn leven noem.»

'Het liefst wil ik een extra leven, eentje als nietsnut, dat parallel loopt met het ding dat ik nu mijn leven noem'


Uniform voor volwassenen

HUMO ‘Wat alleen wij horen’ is ook een caleidoscopisch portret van de verbeelding in al haar vormen: kleine Claus die met de dieren praat, Anton en zijn erotische dagdromen, de verhalen van Abigail, George die steeds verder van de werkelijkheid wegdrijft...

De Coster (opgetogen) «Ik ben heel blij dat je dat zegt; voor mij is dat namelijk een belangrijk deel van het boek. Ik ben ervan overtuigd dat de verbeelding onze enige redding is. Ze kan elke verandering, elk afscheid, elke pijnlijke gebeurtenis optillen of transformeren. Als de druk en de stress groter worden, heb je als mens verschillende opties: ofwel laat je je helemaal gaan, verdwijn je in de angst en de keuzeverlamming – ofwel boor je iets anders aan, en ga je daarmee spelen.

»’Verbeelding’ is natuurlijk een erg vaag woord, maar het is wat de mensen voorttrekt. Zowel Marc Coucke als één of andere obscure undergroundkunstenaar. Het is wat ons allemaal met elkaar verbindt.»

HUMO (fronst de wenkbrauwen)

De Coster «Er zijn zó veel mensen die mij zeggen: ‘Mijn leven? Daar kunt ge een boek over schrijven!’ Heel veel mensen hebben een grote droom: ze weten dat het er nooit van zal komen, maar dat is niet erg. Ik zou bijvoorbeeld doodgraag een fantastische plaat maken: dat zal nooit gebeuren, maar dat dat verlangen daar zit, volstaat. Volgens mij heeft bijna iedereen zoiets.

»De uitzondering wordt gevormd door die mensen die zeggen: ‘Ik ben geen pessimist. Ik ben een realist’. Als ik dat hoor, denk ik: ‘Ai.’ Zeggen dat je een realist bent: dat is toch een noodkreet? Die mensen voelen zich verloren, hebben hulp nodig. Mensen die zich laten platwalsen door de wereld, de gebeurtenissen in hun leven... Ik hoor vaak: ‘Ach, de kunsten zijn een overbodige, veel te kritische stem in de maatschappij’ – terwijl net het omgekeerde geldt: het biedt een lichtvoetig alternatief voor het zwaarmoedige realistische denken.»

HUMO In ‘Wat alleen wij horen’ horen de bewoners van het Atlasgebouw een pieptoon die er wel of niet écht is, maar die door geen enkele buitenstaander waargenomen wordt. Heb je jezelf ooit betrapt op iets dat door andere mensen als massahysterie geduid werd?

De Coster «Voortdurend. Dat zit in zoveel dingen. In banale zaken als mijn uiterlijk en mijn kleding, bijvoorbeeld. Ik laat mezelf aanpraten dat, als ik er goed wil uitzien, ik kleren moet kopen die min of meer modern ogen.»

HUMO Is dat hysterie?

De Coster «Ja. Omdat ik daar onnadenkend in meega, terwijl ik helemaal niet snap hoe mode werkt en ik het voornamelijk een erg bizar fenomeen vind. Soms denk ik dat het beter zou zijn dat we van staatswege allemaal verplicht worden een uniform te dragen. Het omgekeerde van een schooluniform: kinderen kunnen dragen wat ze willen, maar vanaf ons 21ste hangen we er allemaal aan: zoiets.

»Hoeveel tijd ik al aan kleren verspild heb: als ik dat bijeenreken kom ik aan een nieuw boek.»

'Ik snap niet hoe mode werkt. Soms denk ik dat het beter zou zijn dat we allemaal verplicht worden een uniform te dragen'

HUMO Ik dacht eerder aan ‘Je suis Charlie’-achtige fenomenen. Mijn vermoeden is dat jij daar te nuchter voor bent, dat jij je Facebook-profielfoto toen níét hebt aangepast.

De Coster «Van dat soort bewegingen krijg ik inderdaad een lichte vorm van jeuk. Ik werd in de middelbare school nogal gepest: dat is allicht daarop terug te voeren. Dan zie je namelijk érg goed dat veel mensen meelopen zonder dat ze weten waaróm ze lopen. Dat massa’s zich vaker wel dan niet onnadenkend in gang zetten. Als iemand wijst, begint iedereen te kijken. Mensen lopen zo graag mee, omdat ze dan een deel van hun identiteit buiten zichzelf kunnen leggen. Dat dat dan niet meer volledig hun eigen verantwoordelijkheid is, is vast een geruststellende gedachte. Wel zo gemakkelijk. Al wie ooit gepest werd, heeft een beter inzicht in dat soort dingen.»

'Ik krijg een lichte vorm van jeuk van Je suis Charlie-achtige bewegingen. Dan zie je namelijk érg goed dat veel mensen meelopen zonder dat ze weten waaróm ze lopen.'


Elk zijn Zwagerman-anekdote

HUMO Iets anders: was je erg geschrokken toen je het nieuws vernam van de zelfdoding van Joost Zwagerman? Was hij als schrijver belangrijk voor je eigen literaire ontwikkeling?

De Coster «Ik kende hem niet persoonlijk. Als enige op heel Facebook, zo leek het. En verder wil ik daar eigenlijk niets over kwijt. Ik heb het moeilijk met de lawine aan reacties, columns en verslagen van alle mensen die Joost ooit een paar keer ontmoet hebben. Ineens voelde iedereen de behoefte om zijn eigen Zwagerman-anekdote te vertellen... Ik ben daar nogal absolutistisch in: verdriet kan zo groot en zo overweldigend zijn – als elke halve collega daar publiekelijk in denkt te moeten delen, doet dat afbreuk aan de krater die zijn dood moet hebben geslagen voor de mensen die écht dicht bij hem stonden.»

HUMO Ik vroeg het ook omdat de quote ‘Het liefst zou ik uit het echte leven verdwijnen en verder leven in mijn boeken’ er één is die door jullie allebei vaak is uitgesproken.

De Coster «Dat lijkt me evident voor iederéén die schrijft. De mooiste dingen zijn altijd die waar ik geen herinneringen aan heb, enkel het eindresultaat.

»(Plots) Ik zag onlangs een heel straffe documentaire: ‘The Wolfpack’, die loopt nu in de cinema in de States maar is hier nog niet uit, geloof ik. Dat is het verhaal van een familie: zes broers, één zus. Zij hebben hun hele leven in één appartement doorgebracht, zelden of nooit een voet buiten de deur gezet. Hun ouders wilden de kinderen zuiver houden en waren bang voor wat de slechte invloeden uit de grote boze buitenwereld met hen zouden doen. Wél voorzag vader hen voortdurend van films. Duizenden films hebben ze gezien en verslonden. Sciencefiction, comedy, horrorfilms, arthouse, Tarantino: alles. Het was hun enige venster op het leven buiten hun appartement, en dat heeft hen gevormd op een manier die ik nooit eerder zag.»

HUMO Je klinkt jaloers.

De Coster «Ben ik ook. Allee, uiteraard is het crimineel wat hun is aangedaan, en de totale waanzin. Maar anderzijds – en om dat te kunnen begrijpen moet je wellicht de documentaire gezien hebben – merk je ook dat die beperking van hun wereld iets geopend heeft in hun hoofd: een vakje van de verbeelding dat bij ons gesloten blijft. Niet alleen omdat zij voortdurend filmscènes naspelen, en bijna uitsluitend in filmquotes spreken. Ook omdat ze als het ware leven en verdwijnen in de fictie: ’t is het enige wat ertoe doet, al de rest is bijzaak.»

HUMO In 2007 verwoordde je het zo: ‘Echt leven zegt me niet zoveel. Anderen halen er al hun voldoening uit, met hun gezin, hun dit en dat, ik kan het niet, ik vind geen onderkomen in de wereld, ik kan me niet nestelen. Ik sta niet in de wereld, ik kijk ernaar.’ Is dat veranderd nu je zelf ook een gezinnetje hebt, een zoon van anderhalf?

De Coster (denkt lang na) «Voor een deel wel. Ik vind het bijvoorbeeld superontspannend om – ik noem maar iets – samen met Amos in de handen te klappen. Maar hij zit ook voortdurend andere mensen te verleiden, en speelt net zo graag met hén. Het draait altijd om Amos, nooit om mij.

»Ik ga er verder niet onnozel over doen: ik vind het geweldig om een zoontje te hebben. Maar het blijft een feit dat het nooit in mij zou opkomen om zwanger te worden. Omdat ik met een vrouw samen ben, en die vrouw ons eerste kindje gedragen heeft, kijken mensen nu steeds nadrukkelijker naar mij: ‘Allee, nu is het uwen toer.’ Maar nee: dat zal dus níét gebeuren. Ik kan dat niet. Dat is de ongelooflijke beperking in mijn geest, in sommige dingen ben ik extreem conservatief.»

HUMO Die mag je uitleggen.

De Coster «Ik sta met angst en beven in het leven. Ik moet mij laten leiden, in de rug laten duwen. Wat het krijgen van een kind betreft ben ik als een schoothondje achter Inge aan moeten stappen. Nu Amos er is, vind ik dat fantastisch en ik kan me de tijd vóór zijn geboorte al bijna niet meer voorstellen. Maar als er ooit een tweede kindje komt – áls – dan zal ik weer even bang zijn als voorheen.»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234