null Beeld

Wie heeft Julien Lahaut vermoord?

‘Vive la république,’ riep hij, terwijl de piepjonge koning Boudewijn de eed aflegde, maar niet daarom is de communist Julien Lahaut vermoord.

In de schemering van die mooie zomeravond stonden ze met zijn tweeën voor de deur van de nieuwbouwwoning, rue de la Vecquée 65, Seraing. De grootste van de twee kondigde zich bij Lahauts vrouw aan als ‘Hendricks’ – zo heette een vriend van Lahaut uit het concentratiekamp Neuengamme. Het moordcommando was goed voorbereid. Vijf kogels uit een automatisch pistool Colt kaliber .45, een dode man op de dorpel.

Wanneer het onderzoek naar de moord in 1972 zonder gevolg werd afgesloten, hadden vier onderzoeksrechters niet één verdachte naar de rechtbank weten te brengen. Het waren een tv-maker en een historicus, Etienne Verhoeyen en Rudi Van Doorslaer, die in 1985 de daders aanwezen (toen nog met een pseudoniem). Leider van het commando was François Goossens (toen 40), een verzekeringsagent uit Halle – ‘de zot van Halle’, zo kenden ze hem daar. Naast hem stond stadsgenoot Eugeen Devillé (toen 25). ‘Ik was het die schoot,’ vertelde deze aan een tv-ploeg van Canvas in 2007, Goossens zou zich niet aan de afspraak gehouden hebben gelijktijdig te schieten. Ook zijn broer Alex Devillé (30) en zijn toekomstige schoonbroer Jan Hemelrijck (24) waren in de buurt. Ze kwamen weg in een auto met gestolen nummerplaat, 100.109.

undefined

null Beeld

‘Ik heb een groot gebrek,’ schreef François Goossens in het jaar van de moord, ‘ik haal namelijk halsbrekende toeren uit. Sommigen zullen zeggen dat ik een mislukte avonturier ben. Soit. Maar ik geloof dat ik steeds in de goede zin werk. Wel verlaat ik af en toe het pad van de wet als deze haar plicht niet doet.’

Het goede dat Goossens met illegale methoden, moord inclusief, dacht te dienen was de verdediging van de gecontesteerde koning Leopold III en de strijd tegen het communisme. Dat laatste gevecht leverde hij samen met de extreemrechtse inlichtingenagent André Moyen. Ook op diens kwalijke rol in het dossier Lahaut hadden Verhoeyen en Van Doorslaer al gewezen. En dat wordt nu ten volle bevestigd door drie historici – Emmanuel Gerard, Widukind De Ridder en Françoise Muller – die de jongste vijf jaar op vraag van de regering alle mogelijke archieven hebben doorgeploegd.

Eerste minister ten tijde van de moord op Lahaut was Joseph Pholien, een rechtse katholiek die (zó lang is het geleden) een regering van uitsluitend CVP’ers voorzat. In Pholiens papieren vonden de onderzoekers een lijst van inlichtingendiensten die het bestaan van het netwerk van André Moyen formeel bevestigt. Op initiatief van baron Paul de Launoit had de Bank van Brussel een eigen inlichtingendienst opgezet. Marcel de Roover, directeur bij de Brusselse holding Brufina, was de voorman, er werkten een paar gepensioneerde generaals mee, Keyaerts en Jadot, en de voornaamste agent was André Moyen, alias ‘Kapitein Freddy’.

Moyen had zijn leven gemodelleerd naar de spionageromans die hij in zijn jeugd zo gretig gelezen had. Al voor de oorlog was hij, als onderwijzer, ook een vrijwillige informant voor de militaire inlichtingendienst; tijdens de oorlog werkte hij zich als Belgisch patriot uit de naad voor de inlichtingendienst Athos; na de oorlog verborg hij zich onder de pet van journalist om zijn contacten in het verweer te brengen tegen ‘de nieuwe storm’ na het fascisme: het communisme.

In die eerste koudeoorlogsjaren, met het ontstaan van communistische regimes in Oost-Europa, de oorlog tussen Noord- en Zuid-Korea, zette Moyen alles op alles om de lokale communisten, gering in aantal, als de grote binnenlandse vijand op te voeren. In de hoop de regering tot drastische maatregelen tegen hen te bewegen, zette hij (des)informatiecampagnes en terreuracties op: strategie van de spanning, heet dat.

Met zijn ‘Netwerk’, dat de auteurs van ‘Wie heeft Lahaut vermoord?’ met hoofdletter schrijven, zorgde Moyen vooral voor een onophoudelijke stroom rapporten. De onderzoekers gaan uitvoerig in op één zo’n rapport, dat ze zelf ‘een vondst uit duizenden’ noemen.

undefined

null Beeld

Het rapport ‘Activité du Réseau pendant le mois d’août 1950’ dateert van 31 augustus van dat jaar, is opgesteld door Moyen zelf, en verbluft inderdaad door zijn inhoud. De moord op Lahaut wordt er geduid als de executie van een ‘verrader’, een lid van de vijfde colonne van de Sovjets, en impliciet geeft Moyen aan dat hij de moordenaars en hun opdrachtgevers kende. Bovendien kondigt het rapport expliciet aan dat het bij die ene moord niet zal blijven. Drie communisten worden met name genoemd als de volgende targets op de hitlist: Lalmand, Terfve en de Antwerpenaar Vanden Branden. Met als toemaatje: ‘En men is vastbesloten om maatregelen te treffen tegen de magistraten die zich te ijverig zouden tonen om de dood van deze ‘verraders’ te wreken.’

Zoals alle rapporten van Moyen had dit augustusrapport vele bestemmelingen, en toch heeft niemand het aan het gerecht doorgespeeld. Waarmee voor de onderzoekers een spannende zoektocht begon: wie kreeg dit document van Moyen te zien en kan bijgevolg ten minste van schuldig verzuim worden beticht?

'Ik verlaat af en toe het pad van de wet, als deze haar werk niet doet'

Zeker lazen de geldschieters van André Moyen mee, en dan hebben we het over de grootste financiële groepen van het land, want naast Brufina financierde ook de Société Générale het netwerk, met als contactpersoon Union Minière-directeur Herman Robiliart. In de archieven van Union Minière werd het rapport aangetroffen: de passage over de executie van Lahaut was ervan afgescheurd – het belang van dit document had Robiliart uitstekend ingeschat.

Moyen had ook een vaste correspondent aan de Militaire Veiligheid (grote vriend daar: René Mampuys) en nauwe contacten met diverse afdelingen van de gerechtelijke politie. De Staatsveiligheid las dan weer niet mee, daar hield men Moyen voor een gevaarlijke fantast.

undefined

null Beeld

Van één toppoliticus weten we zeker dat hij meelas, want de onderzoekers stootten voor het eerst op het augustusrapport in de archieven van de Leuvense CVP-politicus Albert de Vleeschauwer, groot aanhanger van Leopold III. Hij was tot enkele dagen voor de moord op Lahaut minister van Binnenlandse Zaken, dus bevoegd voor de ordehandhaving, maar ook hij zag in het rapport geen aanleiding om het gerecht in te lichten. De Vleeschauwer was dan ook bijzonder close met de schrijver ervan, hij beval hem bij buitenlandse collega’s aan als zijn protegé. En toen de ex-minister enkele dagen na de moord op Lahaut uit vrees voor wraakacties naar Frankrijk uitweek, liet hij zich niet door de ordediensten tot aan de grens begeleiden maar door… André Moyen.

Moyen is geen geïsoleerde en geëxalteerde communistenjager, stellen de onderzoekers Gerard, De Ridder & Muller, en De Vleeschauwer is niet de enige toppoliticus die in het vizier komt. Ze gaan ervan uit dat ook de eerste minister over zulk een gevoelige materie werd ingelicht en sommen aanwijzingen op die het aannemelijk maken dat premier Joseph Pholien zelf het rapport bezorgd kreeg, maar later vernietigde. De verregaande maatregelen die Pholien aankondigde om het binnenlandse communistische gevaar te bestrijden, houden volgens hen mogelijk rechtstreeks verband met de inlichtingenactiviteit van Moyen.


Het probleem van altijd

Onmiddellijk na de liquidatie van Lahaut verklaarde premier Pholien dat de moordenaars ‘zonder rust noch respijt’ zouden worden opgespoord. François Goossens stierf in 1977 zonder ooit verhoord te zijn – al werd zijn mogelijke betrokkenheid al onmiddellijk na de moord genoemd. Moyen kwam wel enkele keren bovendrijven in het onderzoek, maar geraakte nooit in de problemen. Heeft het gerecht dus compleet gefaald?

Dat zou een foute conclusie zijn, volgens het trio historici. Ze benadrukken dat enkele onderzoeksrechters hard en goed gewerkt hebben, maar cruciale informatie heeft hen nooit bereikt. Er was het probleem van altijd: de versnippering van informatie over verschillende diensten. Dat Goossens onder de radar kon blijven, had ook één keer te maken met een domme fout, het verkeerd klasseren van een afschrift. Maar er was veel erger: dat de rol van André Moyen onderbelicht bleef, stoelde op bewuste manipulatie en obstructie vanwege diverse medewerkers van de gerechtelijke politie.

'Eén van de daders stierf in 1977 zonder ooit verhoord te zijn – al werd zijn mogelijke betrokkenheid al onmiddellijk na de moord genoemd'

Met de voorstelling van het nieuwste onderzoek in de Senaat op 12 mei, kan het dossier Lahaut voorgoed in de classeurs: het vierkoppige moordcommando is bekend, de rol van inspirator Moyen is duidelijk geschetst en ook inzake de geldschieters en beschermheren zijn de grote lijnen bekend. Of Moyen op eigen houtje handelde dan wel een formele opdracht kreeg, zullen we, aldus de auteurs van ‘Wie heeft Lahaut vermoord?’, allicht nooit weten.

‘Het lijkt onwaarschijnlijk,’ zo schrijven ze, ‘dat ooit een geschreven document zal worden gevonden, dat met zoveel woorden een bevel of opdracht bevat. Maar is de vraag naar de opdrachtgevers nog relevant, wanneer we de draagwijdte van het Netwerk in ogenschouw nemen en de bescherming die het van hogerhand genoot?’

Dat is, 65 jaar na de moord, duidelijke taal aan het adres van vele notabelen. Maar kunnen doden zich aangesproken voelen?

undefined


Een onfrisse kroniek

undefined

null Beeld


11 augustus 1950

Koning Boudewijn legt voor de Verenigde Kamers de eed af. Tegen de zin van de communisten. ‘Leve de republiek,’ roept Julien Lahaut (65), volksvertegenwoordiger uit Luik, de populairste communist en partijvoorzitter.


18 augustus 1950

Twee mannen schieten Lahaut dood op de drempel van zijn woning in Seraing, en ontkomen. Er zijn veel getuigen, maar het signalement van de twee oogt armoedig.


1950–1972

Vier onderzoeksrechters buigen zich over de zaak. De eerste piste geldt de royalist André Verbrugge en loopt snel dood. Na verklaringen van gedetineerden flakkert de zaak twee keer op: in 1958 wordt onder meer de anticommunist Paul Calmeyn aangehouden, priester in het aartsbisdom Mechelen, beheerder van het Kardinaal Mercier-fonds; in 1961 wordt de leopoldistische onderwereld, met name de organisatie Eldrie, geviseerd. Op 4 december 1972 wordt het onderzoek beëindigd met een buitenvervolgingstelling.


1985

Tv-maker Etienne Verhoeyen en historicus Rudi Van Doorslaer publiceren bij uitgeverij Kritak ‘De moord op Lahaut’: ze hebben achterhaald dat het moordcommando bestond uit een kleine groep anticommunistische militanten uit Halle, en wijzen op de sleutelrol van de fanatieke anticommunist André Moyen, organisator van een privé-inlichtingendienst.


1993

Bij de troonsbestijging van Albert II houdt volksvertegenwoordiger Jean-Pierre Van Rossem de zaak Lahaut warm door te roepen: ‘Leve de republiek Europa, leve Julien Lahaut!’


2002

VLD-senator Vincent Van Quickenborne onthult de echte naam van de leider van het moordcommando: François Goossens, en vraagt een parlementaire onderzoekscommissie.


2007

In een Canvas-documentaire verklaart Hallenaar Eugeen Devillé dat hij en niet François Goossens Lahaut doodschoot.


2008

De Senaat vraagt een onderzoek naar de moord aan het Studiecentrum Oorlog en Maatschappij (Cegesoma).


12 mei 2015

Het gevraagde rapport wordt in de Senaat voorgesteld, en maakt duidelijk welke hoge bescherming André Moyen genoot in de financiële en politieke wereld en hoe het onderzoek gehinderd werd door obstructies vanwege de gerechtelijke politie.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234