null Beeld

Zelfmoord voorkomen bij jongeren (2): hoe Thomas van zijn doodswens af kwam

Nieuw wetenschappelijk inzicht leert dat zelfmoordgedachten bij kinderen zienderogen verminderen als ze beter met hun ouders kunnen praten. ABFT is een nieuwe therapie die het geschonden vertrouwen tussen jongeren en hun ouders probeert te herstellen. 'Ik heb dikwijls zitten janken.'

'Een halfuur heb ik op die toren in de stromende regen tegen mezelf staan krijsen: 'Sping dan toch, fucking lafaard''


Lees ook: 'Stop zelfmoord bij jongeren: Humo test nieuwe therapieën'

Thomas (23) «Er is een periode geweest dat ik uren, nee dagen, het internet doorploegde, op zoek naar informatie over hoe ik mezelf het best kon doden. Ik vond statistieken over verschillende methoden, met details over slaagkansen, de hoeveelheid pijn die het zou veroorzaken en de tijd die het in beslag zou nemen. Vooral de slaagkansen vond ik belangrijk: het idee van een mislukte poging beangstigde me. Ik wilde niet als een plant verder leven en mijn zelfstandigheid verliezen. Als ik faalde, zou ik geen nieuwe poging meer kunnen ondernemen. Nu ik erop terugkijk, vind ik het een griezelige gedachtegang, vooral omdat ik op geen enkel moment aan de reactie van mijn familie of vrienden dacht.

»Ik was een jaar of 19 en zat in een zware depressie. Aan de buitenkant leek ik een vrij normale jongen: een kerel met lang blond haar die van metal hield en ervan droomde ooit in een band te zingen. Stil en teruggetrokken, dat wel, maar ik haalde goeie cijfers op school, ik had vrienden, ik was een kei in gamen. Je zou bij mij op het eerste gezicht niet denken aan iemand die zichzelf het hoekje om wil helpen. Maar wat mensen aan de buitenkant zien, verschilt soms erg van wat er vanbinnen broeit.

»Na lang wikken en wegen koos ik ervoor om van een gebouw af te springen. Dat was tijdens het academiejaar 2012-2013, toen ik nog taal- en letterkunde studeerde aan de universiteit van Antwerpen. Ik ben lang bezig geweest met het zoeken naar een geschikt gebouw dat hoog genoeg was – 12 tot 15 etages of hoger – en toegankelijk voor het gewone publiek. Dat was moeilijker te vinden dan ik dacht, zelfs in Antwerpen: ofwel waren de gebouwen te klein, ofwel kon je er niet zomaar even binnenlopen. Toen ik in Antwerpen grandioos buisde, ging ik voor leerkracht studeren in Limburg. Daar vond ik wat ik zocht, en wel heel dicht in mijn buurt: op de campus stond een hoge toren van studentenkoten waar je gemakkelijk op het dak raakte. Toen ik besefte dat het aan alle criteria voldeed, voelde ik me gerustgesteld: ik kon op eender welk moment beslissen om mijn plan B in gang te zetten.»

Thomas onderbreekt zijn verhaal af en toe om een slokje water te nemen, en kijkt dan naar zijn moeder die naast hem zit, om te zien of het wel gaat met haar. ‘Het is toch oké dat ik dit vertel, mama?’ – ‘Zeker, doe maar.’ We zitten in het psychiatrisch ziekenhuis Asster in Sint-Truiden, op de afdeling van de jongvolwassenen, waar Thomas in 2015 en 2016 anderhalf jaar verbleef na een verijdelde zelfmoordpoging.

Thomas «Ik had een dag uitgekozen midden in mijn stageperiode. Ik zat op de campus mijn lesvoorbereidingen te maken. Toen ik klaar was, stuurde ik ze naar de leerkracht, zodat het niet zo erg zou opvallen als ik niet kwam opdagen op mijn stageles. Om één of andere reden wilde ik ervoor zorgen dat het zo lang mogelijk zou duren voor het nieuws ontdekt werd.

»Op weg naar de toren kwam ik een oude vriendin tegen, Sofie. Zonder veel nadenken heb ik haar verteld dat ik van plan was om te springen. Zij heeft me toen gedwongen om mee te komen naar haar kot. Daar heb ik drie uur op haar bed liggen janken. Ik voelde me mislukt. Ik had alles zo goed uitgekiend, en nu viel mijn plan in duigen.»

HUMO Je bent nooit op het dak geraakt.

Thomas «Toen niet. Ik ben later wel teruggekeerd. Sofie heeft die avond mijn moeder gebeld, en zij stelde voor om me te laten opnemen in een psychiatrische kliniek. Ik voelde geen weerstand meer. Zo ben ik in Asster terechtgekomen. Ergens was ik opgelucht dat iemand anders het van mij overnam. Maar het gewicht van de depressie bleef.»

Voor Marleen, de moeder van Thomas, kwam het telefoontje over haar zoon als een complete verrassing.

Marleen «Thomas is altijd een modelzoon geweest. Hij was de beste van de klas, thuis maakte hij nooit problemen. Hij was de oudste van acht kinderen, een nieuw samengesteld gezin: er waren vier kinderen van mij, de vier andere waren van mijn man – zijn stiefvader. Het ging er thuis soms rumoerig aan toe, maar Thomas bleef altijd rustig. Nooit opstandig, nooit stout. Hij had veel vrienden en vriendinnen en leuke hobby’s. Alles leek bij hem vanzelf te gaan. Ik dacht dat de band tussen ons wel goed zat. Pas achteraf heb ik beseft dat dat niet zo was, toen het tot me doordrong hoe slecht hij zich al jaren voelde. Toen ik hem hoorde vertellen hoe zwaar hij gepest was op school, hoezeer hij zichzelf haatte, hoe erg hij nog altijd leed onder dingen die hij als kind had meegemaakt met zijn biologische vader… Ik wist daar helemaal niets van.»

HUMO Wat dacht je toen je dat telefoontje van Sofie kreeg?

Marleen «‘Dit had een heel ander telefoontje kunnen zijn.’ Het had de politie kunnen zijn, met de vraag of ik mijn zoon kon komen identificeren. Als ik toen geen andere kinderen had gehad voor wie ik moest zorgen, was ik in elkaar gezakt. Het kwam héél hard aan. Waarom had ik dit niet gezien? Ik had dit moeten voorkomen, maar hoe? Ik wist het niet. (Emotioneel) Ik gaf mezelf de schuld.»

Thomas «Dat hoeft helemaal niet, mama. (Tegen ons) Mijn moeder had het heel druk met de kinderen. De jongste twee vochten constant om aandacht. Er was gewoon geen ruimte, en ik heb ze ook nooit opgeëist. Ik neem mijn moeder niet kwalijk dat het haar nooit is opgevallen dat er iets scheelde. Ik toonde nooit wat ik voelde, ik hield alles binnen, omdat ik me schaamde. Ik wilde andere mensen niet belasten met mijn problemen. Ik heb mijn verhaal voor het eerst hier in Asster verteld. Ik weet nog hoe verbaasd ik was dat er naar mij geluisterd werd.»

undefined

'Vroeger dacht men dat conflicten noodzakelijk waren, maar het is net andersom: pubers die goed met hun ouders kunnen praten, staan sneller op eigen benen'


Monsters van ouders

‘Drie jaar geleden was een interview samen met mijn moeder niet mogelijk geweest,’ zegt Thomas. ‘Ze was de laatste persoon bij wie ik met mijn zorgen zou aankloppen. Dat is helemaal omgeslagen nadat we samen een therapie hebben gevolgd. Omdat ik toen eindelijk heb begrepen dat mijn moeder er echt voor mij wilde zijn.’

Die therapie heet ABFT, attachment-based family therapy, een behandelprogramma voor depressieve adolescenten dat stilaan opgang maakt in Vlaanderen. Het betrekt de jongere én zijn of haar ouders in de gesprekken en probeert de vertrouwensbreuk die er tussen hen bestaat te herstellen. En dat werkt wonderwel, zegt professor Guy Bosmans van de faculteit psychologie aan de KU Leuven. Hij is de bezieler van ABFT in Vlaanderen en ging de mosterd halen in Philadelphia, waar de therapie sinds 2000 bestaat. Verschillende studies daar hebben uitgewezen dat bij kinderen die opnieuw met hun ouders praten, de zelfmoordgedachten zienderogen verminderen, al van in de eerste weken.

Guy Bosmans «In de klassieke hulpverlening moeten ouders hun kinderen ‘afgeven’ en kunnen ze alleen maar hopen dat ze daar geholpen worden. Vaak staan ze machteloos aan de zijlijn toe te kijken, zonder dat ze weten hoe hun zoon of dochter het doet in de therapie. Hulpverleners mogen niks zeggen vanwege hun beroepsgeheim, de jongeren zelf wíllen er tegen hun ouders meestal niks over kwijt. Dat is jammer, want ouders kunnen heel veel doen zodat hun kinderen zich beter voelen. Hun rol is cruciaal.»

HUMO Zijn de ouders dikwijls niet juist het probleem?

Bosmans «Onze maatschappij heeft een heel sterke ‘blame the parents’-attitude. Gaat er iets mis met de kinderen, dan worden de ouders met de vinger gewezen. Ouders voelen zich schuldig omdat ze het niet goed hebben gedaan, of zijn bang dat ze als monsters worden afgeschilderd. Dat gaan wij juist níét doen. Natuurlijk pakken ouders dingen verkeerd aan, vaak zonder dat ze zich daarvan bewust zijn, en stellen ze hun kinderen soms zwaar teleur. Maar het is gemakkelijk om tegen een ouder te zeggen dat hij te streng is, of te weinig betrokken, of te egoïstisch. Wij gaan op zoek naar de dingen die ze wél goed gedaan hebben. We tonen begrip voor hun frustraties en erkennen dat ze hun best doen. Zo stellen ze zich stilaan open om het op een ander manier te proberen.

»Met de jongere praten we over het verdriet waar ze mee zitten, en waarom ze daar niet mee naar hun mama of papa konden gaan. Hoe verschrikkelijk ze dat vinden. Hoe boos ze zijn omdat ze hun mama of papa nodig hebben, maar die er niet voor hen is. Ze brengen precies onder woorden waar hun verdriet over gaat. Bijvoorbeeld: ‘Ik heb het gevoel dat mijn ouders alleen maar met zichzelf bezig zijn en dat ik niet belangrijk genoeg ben.’

»Voor ouders is het vaak de eerste keer dat ze horen hoeveel pijn hun kind heeft. Heel confronterend is dat. We leren ze om niet te snel defensief of boos te worden, geen kritiek te geven op hun kinderen, of te snel met oplossingen te komen, maar om alleen te luisteren, en heel simpel te zeggen: ‘Vertel er eens wat meer over.’ Die begripvolle houding is iets wat de jongere nooit heeft verwacht, en maakt op zich al heel wat emoties los. Dat is het begin van het herstel.

»We leren ouders ook om op een andere manier met hun kinderen te communiceren, zodat een dicussie over het uur waarop ze thuis moeten zijn na een fuif niet onmiddellijk uitdraait op een kletterende ruzie.»

HUMO Op welke manier kan dit een hulp zijn om jongeren van zelfmoordideeën af te brengen?

Bosmans «Jongeren die er veel vertrouwen in hebben dat ze bij hun ouders terechtkunnen met een probleem, zijn veel beter bestand tegen stress en zorgen, en hebben veel minder kans om depressief en suïcidaal te worden. Dat is overvloedig aangetoond in onderzoek. Vroeger dacht men dat pubers juist moesten loskomen van hun ouders, en dat dat onvermijdelijk met conflicten gepaard ging. Maar het is net andersom: de jongeren die goed met hun ouders kunnen praten, zijn juist diegenen die het best op hun eigen benen kunnen staan en gemakkelijker hun vleugels uitslaan. Want als er écht iets scheelt, weten ze dat ze bij hun ouders terechtkunnen. Dat vertrouwen van jongeren in hun ouders proberen we in de therapie te herstellen.»

'Waar ik ook zat en met wie ik ook sprak, altijd dacht ik aan zelfmoord. Het was een echte obsessie'

undefined

null Beeld


Net als in de film

Thomas «De eerste maanden in de kliniek heb ik weinig gepraat, en al zeker niet met mijn moeder. Het was een loodzware tijd. Ik wilde geen antidepressiva nemen, want ik wilde op eigen kracht uit het dal raken. Maar ik gleed steeds dieper weg. Ik voelde me zo slecht dat ik op elk moment van de dag, waar ik ook zat en met wie ik ook sprak, aan zelfmoord zat te denken. Het was zo’n obsessie dat ik mezelf op een bepaald moment aan een touw zag hangen.

»Op een woensdag, september 2015, besloot ik dat het genoeg geweest was. Het moest die dag gebeuren. We hadden de namiddag vrij en ik liep naar buiten. Het was een grijze, miezerige dag. Onderweg naar het busstation voelde ik de eerste druppels. Toen ik met de bus bij de campus aankwam, begon het te regenen. Terwijl ik naar de toren wandelde, overliep ik in mijn hoofd de te volgen stappen. Ik zou naar boven gaan via de trappen, op het dak zou ik nog één laatste telefoontje doen naar mijn beste vriendin Sofie, om haar te bedanken dat ze er was voor mij. Dan zou ik inhaken en springen.

»Boven gekomen legde ik mijn paraplu opzij. Ik was vastbesloten. Ik keek over de rand van het dak. Beneden was de parking leeg, op één vrachtwagen na. Ook de campus was leeg. In de verte zag ik wat mensen naar binnen vluchten met hun paraplu’s. Het was nu echt aan het gieten. Ik belde naar Sofie, die me in de plensbui niet goed kon horen. Het viel me moeilijker dan ik dacht om haar te zeggen waarvoor ik belde. Toen ik de compassie hoorde in haar stem, brak er iets in mij. ‘Ik kan hier nog niet weg,’ dacht ik plots. Ik blokkeerde, durfde ineens niet meer over de rand te stappen... Ik haakte in en begon tegen mezelf te schreeuwen: ‘Lafaard, waarom doe je het niet?’ Ik vervloekte mezelf, voelde dat mijn overlevingsinstinct het overnam, probeerde uit alle macht toch door te zetten. Een halfuur heb ik daar in de stromende regen tegen mezelf staan krijsen. ‘Spring dan toch, fucking lafaard!’ Mijn haar hing in natte slierten tot aan mijn middel over mijn zwart T-shirt, dat aan mijn lijf plakte (lacht). Ja echt, het leek een scène uit een slechte film.

»Toen ik mijn telefoon weer vastpakte, helemaal murw, bleek dat ik hem niet goed had afgelegd en dat Sofie alles gehoord had. ‘Waar ben je?’ – ‘Op de campustoren.’ Ergens was ik blij dat ze me kwam halen. Maar ik heb me nooit in mijn leven zo leeg gevoeld als toen. Ik was heel teleurgesteld in mezelf. Ik heb het lange tijd als een mislukking gezien. Mensen zeggen soms dat het laf is om zelfmoord te plegen. Maar de actie zelf ondernemen is niet zo simpel, hoor. Dat vergt kracht, al weet ik niet of je dat als ‘moed’ kunt bestempelen. Het is moediger om het gevecht met je demonen aan te gaan, en de oorzaak van je zelfmoordgedachten aan te pakken.»

HUMO Waarom dacht je aan zelfmoord?

Thomas «Het waren heel veel dingen bij elkaar. Het liep niet goed met mijn studie, thuis ging het slecht tussen mijn moeder en mijn stiefvader, en ik zat nog met een boel onverwerkte dingen uit het verleden.

»Ik was als kind heel stil en angstig. Dat had met mijn biologische vader te maken: een zware alcoholist die zijn kinderen terroriseerde. Hij sprák nooit met ons, hij schrééuwde. Hij voedde ons op alsof we in een bootcamp zaten en hij de sergeant was die ons vernederde en uitschold. Ik was doodsbang voor hem. Hij was een beer van een vent en erg intimiderend. We waren arm, al het geld ging naar de drank. Toen ik 8 jaar was, zijn we met mijn moeder en de kinderen naar een vluchthuis gegaan omdat de situatie thuis niet veilig meer was.

»Toen mijn moeder later met mijn stiefvader trouwde, was ik heel blij. Ik keek erg naar hem op. Hij was autoritair in zijn opvoeding en dat had ik nodig. Ik heb me erg aan hem vastgeklampt. Maar tussen hem en mijn moeder ging het minder goed. Ze kibbelden vaak over de opvoeding van de kinderen. Mijn stiefvader kwam soms naar me toe om raad te vragen, hoe hij mijn moeder het best kon aanpakken. In het begin luisterde hij nog, maar na een tijdje kwam hij alleen nog klagen over wat mijn moeder fout deed, hoe ze hem negeerde en niet wilde praten. Het was een waterval van zwarte drek die over mij werd gestort. Dat heeft enorm op me gewogen. Al die tijd probeerde ik een soort moderator tussen hem en mijn moeder te zijn, want ik wilde niet dat ze uit elkaar zouden gaan.

»Intussen had ik ook mijn eigen problemen op school. Ik ben lang gepest... Ik was wat ze toen een nerd noemden. Een schriel jongetje dat in de klas altijd de beste cijfers haalde, maar op de speelplaats vaak alleen stond. De jongens op school lachten me uit omdat ik niet stoer genoeg was. Misschien ook omdat ik halfblind ben. Met mijn ene oog zie ik alles, met het andere zie ik alleen contouren en scherpe kleuren. Ik ben zo geboren en heb mezelf dat heel lang kwalijk genomen.»

HUMO Waarom?

Thomas «Omdat ik mezelf zwak vond. In de turnles was ik een buitenbeentje, balsporten waren al helemaal niks voor mij. Toen ik ouder werd, had ik wel vrienden, maar ik voelde me toch altijd heel eenzaam, ook in gezelschap. Ik had het idee dat niemand me echt leuk vond of me begreep. Maar daar zei ik tegen niemand iets van. Ik vluchtte in het gamen. Dat werd een verslaving; er waren tijden dat ik tien tot veertien uur per dag gamede.

»Eigenlijk ben ik mijn hele middelbare school doorgesparteld zonder dat iemand wist dat ik me niet goed in m’n vel voelde. Maar het werd erger toen ik naar de universiteit ging. Plots moest ik studeren, maar ik wist niet hoe dat moest, want in de humaniora ging alles vanzelf. Ik was voor bijna alle vakken gezakt. Dat was een enorme klap. Ik had nog nooit in mijn leven een buis gehad.

»In dat eerste jaar ben ik voor het eerst beginnen te denken aan doodgaan, en later aan zelfmoord. Dan zou ik van al die druk op school en de ruzies thuis af zijn. Niemand zou me missen. Ik haatte mezelf. Ik vond mezelf te middelmatig om iets te kunnen bijdragen aan deze wereld.»

HUMO Sprak je daar met vrienden over?

Thomas «Nee. Toen ik hen later via Facebook liet weten dat ik opgenomen was vanwege een zelfmoordpoging, waren ze even verbaasd als mijn moeder.»

HUMO Thuis liet je ook niks merken.

Thomas (schudt van nee) «Ik wilde niemand met mijn zorgen belasten. Ik deed wat ik dacht te moeten doen: zorgen dat mijn ouders bijeenbleven en intussen mijn last alleen dragen.»

HUMO Heb je ooit naar de zelfmoordlijn gebeld of ermee gechat?

Thomas «Nee. Ik wist wel dat die bestond, maar ik vond dat ik het zelf moest uitzoeken. Ik heb wel even een psychotherapeut gezien toen ik studeerde, maar dat viel erg tegen, en ik ben ermee gestopt.

»Zo liep ik meer dan twee jaar met zwarte gedachten rond. Ik was intussen een opleiding tot leerkracht gaan volgen. Ik wilde graag werken met jongeren. Ik verwachtte er veel van, wilde een geëngageerde leraar worden die een verschil in hun leven kon maken. Maar mijn stage liep helemaal niet zoals ik gehoopt had. Ik stond voor een klas in het beroepsonderwijs, terwijl ik zelf altijd in het ASO had gezeten. Ik voelde dat het niet klikte met die jongens. Dat was opnieuw een knauw in mijn zelfvertrouwen.»

Marleen «Ik denk dat de ruzies tussen mij en zijn stiefvader Danny er ook mee te maken hadden. Net voor Thomas aan zijn stage begon, kondigde Danny aan dat hij een advocaat had genomen en een echtscheiding wilde. Thomas heeft dat gesprek gehoord. (Tegen Thomas) Toen ben jij in de keuken in elkaar gezakt. Ik wist niet hoe ik je moest troosten. Ik heb zelf ook nooit geleerd om over mijn gevoelens te praten. Ik heb de haard aangestoken en heb het die avond nog wat gezellig proberen te maken.»

Thomas «Ik zag die echtscheiding als een persoonlijke mislukking, want ik was er niet in geslaagd mijn ouders bij elkaar te houden.»

Marleen «Een week later lag oma met kanker in het ziekenhuis. Daar ben je me komen zeggen dat je stage zo tegengevallen was. Het was de eerste keer dat ik zag dat je heel erg down was. Ik had een akelig voorgevoel. Ik heb het nog tegen mijn zus gezegd: ‘Ik blijf niet lang, want ik wil Thomas niet te lang alleen laten.’»

Thomas «Ik vond geen rust. Er kwam altijd maar ellende bij. Ik vond geen oplossing. Ik wilde er gewoon een eind aan hebben.»


Jongens als Jordy

undefined

null Beeld

De psychiatrische kliniek Asster in Sint-Truiden is één van de instellingen waar therapeuten ABFT al enkele jaren toepassen op de afdeling voor jongvolwassenen. Daar was in het begin veel scepsis over, zegt professor Guy Bosmans.

Bosmans «Men zei dat het nooit zou werken omdat de jongeren al te oud zijn en het contact met de ouders vaak al jaren verbroken is. Denk aan jongens als Jordy, (de 19-jarige jongen die in een tentje op de Gentse Blaarmeersen is overleden, red.). Jongens die jaren in instellingen verblijven, wier ouders zich buitenspel gezet voelen en die zichzelf afgewezen voelen door hun ouders. Als ze op hun 18de buitenkomen, is de breuk zo groot dat ze er helemaal alleen voor staan. En toch merken we dat de nood van jongeren en hun ouders om met elkaar te praten heel groot blijft, zelfs als er al jaren geen contact meer is.»

HUMO Kun je de relatie tussen kinderen en hun ouders op latere leeftijd nog veranderen als het van in de kindertijd fundamenteel fout zit?

Bosmans «Dat kan, als ouders leren op een andere manier zorg te bieden. Er bestaan hardnekkige misverstanden in de hulpverlening over de manier waarop kinderen zich hechten aan ouders of opvoeders. Het idee leeft dat kinderen die vóór hun derde levensjaar te weinig affectie krijgen, de rest van hun leven last hebben met liefde geven of krijgen. ‘Onveilig gehechte kinderen’ noemen ze die. Vaak neemt men voetstoots aan dat de kinderen gedragsstoornissen vertonen, wat natuurlijk onzin is. Volgens een wetenschappelijke schatting is 40 procent van de wereldbevolking onveilig gehecht. Dat zijn niet allemaal gedragsgestoorde mensen. Er zijn er veel die het wél goed doen.

»De gehechtheidstheorie van de Londense psychiater John Bowlby dateert al van de jaren 40 en was destijds revolutionair, maar het probleem is dat ze zo vaag is omschreven dat iedereen eruit haalt wat in zijn kraam past. Intussen hebben studies aangetoond dat gehechtheid veel flexibeler is. Relaties tussen kinderen en ouders veranderen in elke levensfase: in je kindertijd, je puberteit en de jongvolwassenheid.»

HUMO Het Vlaams Expertisecentrum voor Suïcidepreventie noemt ABFT een veelbelovende therapie, maar promoot ze voorlopig niet. Waarom niet?

Bosmans «Wellicht omdat er nog te weinig wetenschappelijke studies in Vlaanderen zijn die aantonen dat ze werkt. De meeste onderzoeken zijn Amerikaans. Dat is logisch, want we hebben nog maar sinds 2009 ervaring met ABFT in Vlaanderen. Er was eerst veel scepsis, want alles draait rond praten over emoties, en dat doen Vlamingen zogezegd niet graag. Maar wij merken juist dat mensen heel blij zijn als ze eindelijk de kans krijgen om over hun gevoelens te praten. Intussen steunt het agentschap Zorg en Gezondheid de opleiding van nieuwe therapeuten in het kader van suïcidepreventie.»


Geen partij kiezen

HUMO Thomas, je therapeute stelde je na enkele maanden voor om samen met je moeder het zogenaamde ABFT-traject te volgen. Wat vond je van dat idee?

Thomas «Ik verwachtte er eerlijk gezegd niet veel van. Ik had mijn moeder nog nooit in vertrouwen genomen. Ze zou toch niet luisteren, dacht ik, en ze zou me zeker niet begrijpen. Mijn moeder was in mijn ogen heel afstandelijk. Ik heb pas later beseft dat ik het was die die afstand creëerde.»

Marleen «We praatten weinig met elkaar. Als Thomas zich op zijn kamer terugtrok, dacht ik dat hij aan het studeren was of spelletjes zat te spelen op de computer. Ik stond er niet bij stil. Ik had ook zoveel aan mijn hoofd, met acht kinderen. Ik heb hun wel altijd gezegd dat ze bij mij mochten komen als er iets scheelde. Maar Thomas kwam niets vertellen, misschien omdat ik zelf ook heel gesloten ben. Mijn ouders hadden vroeger een winkel, en wij mochten nooit aan de klanten laten zien dat het soms minder goed ging. Als ik had geleerd om over gevoelens te praten, waren mijn kinderen misschien ook sneller met hun zorgen bij mij gekomen.»

HUMO Hoe verliepen die eerste gezamenlijke sessies?

Thomas «Ik heb alles op tafel gegooid. Dingen die al jaren op mijn lever lagen. De kloof tussen mij en mijn moeder. Ik kon niet bij haar raken. Het was de eerste keer dat ik haar heb verteld wat voor een broeierige chaos het in mijn hoofd was.»

Marleen «Veel van wat Thomas vertelde, was nieuw voor mij. Dat kwam hard aan en ik heb dikwijls zitten janken. Ik wist dat ik, toen de kinderen nog klein waren, niet bij hun biologische vader kon blijven. Ik had altijd gehoopt dat ik op tijd was weggeraakt bij hem, maar blijkbaar was dat niet het geval. Ik hoorde nu voor het eerst hoe erg de kinderen door hem werden geterroriseerd als ik uit werken was, en hoe zwaar dat nog altijd op Thomas woog.»

Thomas «De therapeute heeft nooit partij gekozen. Ze begreep mijn kant van het verhaal, maar ook die van mijn moeder. Het ging erover hoe we de kloof tussen ons konden overbruggen.»

Marleen «Dat leer je ook door dingen heel expliciet aan elkaar te vertellen. Thomas weet dat ik van hem hou, en ik weet dat hij van mij houdt. Maar dat zeiden we nooit tegen elkaar. Iets weten of het expliciet horen zeggen is nog iets heel anders.»

Thomas «Toen ik uit de mond van mijn moeder hoorde dat ze me graag zag, heb ik gehuild. Ik had dat zo nodig.»

Marleen «Ik zei dat ik me wel kon voorstellen hoe Thomas zich moest gevoeld hebben in die jaren. ‘Probeer het eens onder woorden te brengen,’ vroeg de therapeute. Daar had ik moeite mee. Mijn woordenschat is niet zo uitgebreid als het over gevoelens gaat. Maar het lukte me toch.»

Thomas «Dat deed me veel deugd. Ze begrijpt me dan toch, dacht ik. Ik zag ook in dat ik een totaal verkeerd beeld had van mijn moeder. Ze was helemaal niet zo koel en afstandelijk als ik dacht. ‘Ik wil graag naar je luisteren, voor mij is dat helemaal geen last, ik ben je moeder,’ zei ze in één van de sessies. Dat was precies wat ik wilde horen, maar dat besefte ik pas toen ik die woorden echt uit haar mond hoorde. Het waren kleine zinnetjes die toch insloegen als een bom. Het was alsof mijn oogkleppen werden afgezet.»

Thomas «Ik ben nu tien maanden weg uit Asster. Ik ben heel blij met de tijd die ik hier heb doorgebracht. Er zijn nog altijd dagen dat het wat minder gaat, maar ik herval niet meer in dat oude gedachtepatroon. Ik krop niets meer op, ik praat met vrienden, ik luister naar muziek, ik bel met mijn moeder. Met haar heb ik nu heel zinvolle gesprekken. Ik ben intussen gestopt met mijn medicatie en ben weer gaan studeren, toegepaste psychologie. Ik zou graag iets doen om mensen te helpen: therapie geven, jongeren begeleiden in een instelling… Ik heb mijn verhaal verteld omdat ik jonge zwartkijkers wil laten weten: je bent niet alleen en het wórdt beter.»

Thomas’ moeder zit naast hem te glunderen.

HUMO Je bent trots op je zoon, zie ik.

Marleen (lacht) «Valt het op? Wie zou er niet trots zijn op zo’n zoon?»

Voor info over ABFT: kuleuven.be/ogop/abft.

Wie vragen heeft rond zelfdoding, kan terecht op de zelfmoordlijn via het gratis nummer 1813 of op zelfmoordlijn1813.be.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234