Riss, tekenaar en directeur van Charlie Hebdo: ''Wat onverdraaglijk is, is de vraag: waarom ik niet en de anderen wel? Waarom lig ik niet tussen zes planken?’

Riss, tekenaar en directeur van Charlie Hebdo

'Zelfs in het ziekenhuis was ik ervan overtuigd dat ze zouden terugkeren om ons allemaal te liquideren’

Vandaag begint het proces tegen de vermoedelijke aanslagplegers op het satirische Franse weekblad Charlie Hebdo, op 7 januari 2015. Directeur en tekenaar Laurent Sourisseau, alias Riss, overleefde de moordpartij ternauwernood.

Eén minuut en 49 seconden: niet langer zijn de broers Chérif en Saïd Kouachi in de redactielokalen van Charlie Hebdo geweest. Het was genoeg om de redactie te decimeren – acht tekenaars en journalisten werden in koelen bloede vermoord tijdens de wekelijkse redactievergadering. Tekenaar Riss (53), tevens directeur van het blad, kreeg een kogel in de schouder. Hij herstelde maar moeizaam van zijn verwondingen, en ook mentaal had hij het lange tijd lastig. Vier jaar later is hem dat amper nog aan te zien. Hij loopt lichtjes voorovergebogen, alsof hij een last torst, maar hij blikt vriendelijk rond en bij momenten glimlacht hij schalks. Je voelt dat hij de terreur voor altijd met zich mee zal dragen, maar wat hem echt verontrust, is dat onze samenleving er nauwelijks een antwoord op heeft.

'De aanslag heeft mensen niet moediger gemaakt, integendeel’

– Hoe gaat het ermee?

Riss «Ik voel nog altijd pijn, ik heb bij momenten vreselijke krampen. Mijn lichaam herinnert me er elke dag aan dat het nooit meer als vroeger zal zijn. Maar ik houd me sterk. Ik moet gewoon voortdoen. Een magazine maken voorkomt wel dat je je eenzaam kunt voelen. Maar het is moeilijk om opnieuw vertrouwen te hebben, om nog te zwijgen van de naïviteit en de argeloosheid die ik vroeger wel had. Als ik nu rondom mij kijk, lijkt alles wel doorzichtig. Ik zie bijvoorbeeld de barsten in het skelet van de vrijheid van meningsuiting. Ik zie alles wat niet werkt. Net alsof ik een radioloog ben.»

– En wat ziet u dan, dokter?

Riss «Intellectuelen die zich in alle mogelijke bochten wringen. Ook politici. Als we de cartoons opnieuw zouden publiceren, zouden we helemaal alleen staan. De aanslag heeft mensen niet moediger gemaakt, wel integendeel. De vrijheid van meningsuiting is wel een mooi principe, maar als het erop aankomt, doen de meesten het in hun broek van de angst. Nu ja, het is ook niet zonder risico als je er een beroep op doet.»

– In ‘Une minute quarante-neuf secondes’ staan meerdere passages waar de woede van afspat, vooral tegen diegenen die u collaborateurs noemt: ‘We werden om de oren geslagen met mooie theorieën om uit te leggen dat de betogingen van 10 en 11 januari die van een wit Frankrijk van katholieke zombies waren.’ U hekelde de ‘verraders van de islamofobie’, de ‘aanhangers van een zachte scheiding van Kerk en Staat’, de trotskisten-stalinisten en de ‘kleine soldaten van zogenaamd radicaal-links’.

Riss «Diegenen die ons hebben uitgemaakt voor racisten, diegenen die vinden dat we niet zo lastig moeten doen over de scheiding van Kerk en Staat, ja… Zij vragen nooit aan die fanatici om wat water bij de wijn te doen, ah nee. Ze weten zeer goed uit welke hoek het gevaar komt. Wij, leken, ongelovigen, gaan toch niet op hen schieten, zeker? Mensen zijn net kleine, bange beestjes die wegkruipen als er gevaar dreigt. Het is een overlevingsinstinct, dat begrijp ik ook wel.»

– Hadden jullie dat instinct niet meer bij Charlie Hebdo?

Riss «Ik ben voorstander van een strijdvaardige democratie. In het Westen is het goed leven. Zodra je er weg bent, besef je hoe goed je het wel hebt, maar je mag nooit je strijdlust verliezen. Crisismomenten zoals wij die hebben doorgemaakt, zijn het moment van de waarheid in een samenleving. Vroeger was Charlie Hebdo zoals alle opiniebladen: we gaven onze mening en maakten ons vrolijk over mensen. Na de aanslag kregen we plots politiek gewicht. Hoe konden we in die positie nog verdedigen waarvoor we vroeger opkwamen?

»Je kunt je afvragen wat voor nut het allemaal heeft. Je preekt voor de eigen parochie, of je praat in het luchtledige. Wanneer je je in het strijdgewoel gooit, bots je van de weeromstuit op de grenzen van wat je dacht te kunnen bereiken. Vanaf het moment dat ik mijn eerste tekeningen publiceerde in La Grosse Bertha (satirisch tijdschrift dat werd opgericht naar aanleiding van de Eerste Golfoorlog in 1991, red.), heb ik altijd gedacht dat ik eigenlijk met de billen bloot stond: tekenen houdt altijd een risico in, er zijn details die je ontgaan, je moet niet proberen alles onder controle te houden, want als je dat probeert terwijl je tekent of schrijft, mis je iets essentieels.»

– Hebt u zich afgevraagd of het de moeite waard was om die cartoons te publiceren, gezien de prijs die jullie ervoor hebben betaald?

Riss «Achteraf is het altijd makkelijk, maar zo mag je niet denken. We mogen er geen prijs voor betalen. Als je alles in geld zou kunnen uitdrukken, zelfs het leven, heb je geen leefbare samenleving.»

– Laat me de vraag anders stellen: hebt u er spijt van?

Riss «Neen, in geen geval. We hadden een onwrikbaar geloof in wat we deden en waar we voor stonden, de vrijheid van meningsuiting en de democratie, en ik geloof er nog altijd in. Als ik ergens spijt van heb, dan van wat er voordien is gebeurd. Alles wat we hebben gezegd, is genegeerd door het intellectuele milieu, de media en de politiek. Dat wringt wel, ja. Ik heb onlangs nog nummers van Charlie Hebdo uit 2013 herlezen, en alle cartoons van Charb, bijvoorbeeld, waren samen één groot alarmsignaal. Toen was alles al klaar en duidelijk voor ons, we hadden alles al getoond en geschreven. Toen er in 2011 een aanslag met een molotovcocktail werd gepleegd op onze redactie, kregen we al een voorproefje van wat ons nog te wachten stond. Misschien moet je aan al die anderen de vraag stellen: hebben jullie er geen spijt van dat jullie dachten dat zoiets niet mogelijk was?»

– ‘We hebben niet het recht om islamofoob te zijn,’ heeft Julien Denormandie eind augustus getweet.

Riss «En wie is die man?»

– De Franse minister van Huisvesting.

Riss «Het intellectuele niveau is lamentabel. Of zegt hij dat omdat hij hem knijpt? Zodra het een beetje spannend wordt, gaan ze lopen…»

– Is president Emmanuel Macron zich eigenlijk bewust van de uitdagingen?

Riss «Hij weet dat het allemaal delicaat ligt, maar hij heeft toch gesproken over een islam die ‘wil verdelen’. Hij weet dat er problemen zijn binnen de islam, en zeker als je president bent, kun je niet doen alsof die niet bestaan. Je moet het er niet de hele tijd over hebben, maar op een bepaald moment moet je man en paard durven te noemen. Zoals De Gaulle heeft gedaan wanneer het moest. Er wordt van hem verwacht dat hij de bakens uitzet: we willen weten in welk land we leven.»

' Foto: Bernard Maris, Cabu, Charb en Riss tijdens een redactievergadering in januari 2012

Gladiatoren

– U krijgt het verwijt islamofoob te zijn, waarop u altijd over fascisme begint: dat is ook fors.

Riss «Dat zegt u. Het woord ‘islamofoob’ is uitgevonden om hinderlijke sujetten uit het publieke debat te houden en ze zonder bewijs te kunnen executeren. Er is een sterke gelijkenis tussen de methodes en het taalgebruik van fascisten van extreemrechtse én extreemlinkse zijde. En is het verboden om iemand een collaborateur te noemen? Als we worden geconfronteerd met een totalitaire ideologie, mogen we dat toch zeggen? De islam is het meest totalitaire gedachtegoed sinds de val van de Sovjet-Unie. Wat gaan we dan doen? Gaan we ons aanpassen en collaboreren, of gaan we ons schrap zetten, om niet te zeggen: in de tegenaanval gaan? Het vermogen van de mens om zich aan te passen is oneindig groot, dat heeft Michel Houellebecq afdoende aangetoond in zijn roman ‘Soumission’. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben een massa mensen, soms zelfs briljante geesten, alle mogelijke argumenten gevonden om zich te kunnen terugtrekken in hun eigen cocon, zonder dat het daarom nazi’s waren.»

– Veel lezers werden al in het begin van uw boek gechoqueerd door deze zin: ‘Je zou haast wensen dat je nooit aan dat gevaarlijke spelletje had meegedaan, waarvan je dacht dat je er de stilte mee zou kunnen overwinnen.’ Dat lijkt erop te wijzen dat u denkt de strijd verloren te hebben?

Riss «Dat denken veel mensen. We zijn brutaal geweest en we hebben lef gehad, we hebben ons laten doodschieten en we hadden dus ongelijk, want de verliezers hebben altijd ongelijk. We werden bekeken alsof het magazine elk moment opgedoekt zou worden: ‘Ze bewegen nog, maar over twee uur zullen ze wel morsdood zijn.’ Dat was een ijskoude douche: ik had de indruk dat iedereen naar ons keek als naar gladiatoren in de arena, en dat ons overlijdensbericht al geschreven was.

»Hebben we de strijd verloren? We zijn onze onschuld kwijtgeraakt, ons optimisme. Cabu was een optimist, ook al had hij al enkele persoonlijke drama’s achter de rug. Ten andere, bij Charlie Hebdo toonde je dat niet, wat je ook had meegemaakt. Maar Cabu dwong zichzelf om optimistisch te blijven. Daarom ook hield hij niet van de boeken van Houellebecq, want daarin is er nergens een lichtpuntje te bespeuren. Cabu had een soort geloof in de vrijheid, enfin, ‘geloof’ is misschien niet het juiste woord (lacht). Ik hoop echt dat we dat optimisme terugvinden.»

– Na de aanslag hadden jullie plots erg veel geld ter beschikking dankzij giften en een spectaculair gestegen oplage. Is dat geen probleem geweest?

Riss «Aan geld denken ligt niet in onze natuur. Ik moet wel toegeven dat sommigen bij Charlie Hebdo dachten dat dat spaarpotje een soort fonds voor schadeloosstelling moest worden, maar voor mij stond vast dat het magazine dat nodig zou hebben om er weer bovenop te komen. Dankzij het geld kunnen we in alle onafhankelijkheid blijven werken: dat hadden we nooit durven te dromen. Als we een strijdbare democratie willen, moeten we ook de middelen hebben om de strijd te kunnen voortzetten. We hebben onze lonen niet verhoogd en we leven nog altijd zoals vroeger. Charlie Hebdo staat weer op de kaart, dat is wat telt. Tegen iedereen die ons liever had zien creperen, hebben we een lange neus kunnen maken.

»Charlie Hebdo is springlevend, dus eigenlijk hebben we gewonnen. Als ik in mijn eentje zit te piekeren, zie ik alleen maar het negatieve, maar als ik de anderen rond me heb, zie ik dat het magazine lééft. We hebben niet verloren: we blijven de wereld te kakken zetten. Maar we hebben wel bescherming nodig, en het politieke en intellectuele milieu lijkt wat terrein te hebben prijsgegeven. Laten we zeggen dat het geen nederlaag is, maar één kleine overwinning in de oorlog. Zo hebben we er nog nodig.»

– Hoe kijkt u terug op de slogan ‘Je suis Charlie’?

Riss «Als mensen hun solidariteit op die manier tonen, kun je daar alleen maar dankbaar om zijn. Het is het gebaar dat telt. Ik zal u zelfs meer zeggen: we hebben er nog altijd deugd van.»

'Als je iemand voor je ziet staan die helemaal in het zwart is gekleed, met een bivakmuts op het hoofd, dan weet je snel hoe laat het is'

Stukgeschoten

– U hebt het ook over uw eigen moordneigingen, met name wanneer u schrijft over mensen die het magazine van binnenuit destabiliseren. Maar u noemt geen namen.

Riss «Nee. Ik wil geen rekeningen vereffenen. En de betrokkenen zullen wel weten dat het over hen gaat. Van het zogenaamde groene nummer, dat de week na de aanslag is uitgekomen, zijn er meer dan zes miljoen exemplaren verkocht. Toen hebben er toch een aantal mensen verrast opgekeken. Er zijn venijnige commentaren verschenen in de pers, we hebben messen in de rug gekregen en ik wist heel goed uit welke hoek die kwamen. Het stelde niet zoveel voor, maar het was wel gevaarlijk voor Charlie Hebdo – al dat geld stak hun de ogen uit, hè. En ja, soms bekroop me het gevoel dat ik er een paar eigenhandig voor eeuwig het zwijgen wilde opleggen. Ze beseften gewoon niet welke bijkomende schade ze aanrichtten.

»Het belangrijkste was dat het magazine bleef bestaan, en niet dat ik dat geld uitdeelde om anderen te plezieren. Charlie Hebdo had dat geld absoluut nodig. En als je zo’n gewelddaad hebt geïncasseerd, heb je niet veel meer nodig: bij de kleinste hindernis op je weg voel je de aandrang om die te vernietigen. Dat is geen tirannieke uitbarsting, wel het gevolg van een onverdraaglijke situatie. Des te meer omdat die collaborateurs zelfs niet in de schaduw konden staan van de makkers die we verloren hebben.»

– In uw boek hebt u ook ontroerende portretten opgenomen van Charb, Tignous, Cabu, Wolinski en Honoré.

Riss «Ik wilde hen absoluut in mijn boek hebben, maar niet als doden. Ik hoor hen nog elke dag praten. Soms vraag ik me af hoe zij over iets zouden denken als ze er nog waren geweest. Sterke persoonlijkheden zoals zij kunnen en mogen nooit helemaal verdwijnen.»

– U schrijft ook over Bernard Maris, één van de slachtoffers, die een diner had georganiseerd samen met Michel Houellebecq. Een paar weken later zou zijn boek ‘Soumission’ verschijnen, maar dat was toen nog niet bekend. Wat dacht u over het hoofdpersonage, dat met de islam collaboreert uit gemakzucht?

Riss «Dat boek brengt je van je stuk, maar het is dan ook geen stationsromannetje. Houellebecq wil je ongemakkelijk doen voelen. Hij heeft dingen in de samenleving gezien die anderen niet willen zien, en dat is ook wat ik verwacht van een kunstenaar.»

De broers Mehdi (links) en Mohamed Belhoucine, die bij verstek terechtstaan op het proces over de aanslagen tegen Charlie HebdoBeeld RV

– ‘De voorspellingen van magiër Houellebecq’, stond er boven de cartoon van Luz die op de cover van het nummer van 7 januari 2015 is verschenen.

Riss «Ja: ‘In 2015 verlies ik mijn tanden, en in 2022 doe ik mee aan de ramadan.’ Er was er nog één over Houellebecq, die Charb vlak voor de deadline had getekend en die nog altijd aan de muur hangt waartegen hij is doodgeschoten.»

– ‘God is liefde’, stond er ironisch genoeg op het T-shirt dat Bernard Maris die fatale dag droeg.

Riss «Ja, met een tekening van Willem: Osama bin Laden en George W. Bush, omringd door lijken.»

– U hebt de lichamen van uw collega’s niet willen zien in het mortuarium.

Riss «Ik wist al wat ik zou zien. Stukgeschoten lichamen. Je ziet er sowieso al ellendig uit als je dood bent, maar voor mij waren de jongens van Charlie buitengewone persoonlijkheden. Dat beeld wilde ik gaaf houden. Daarom ben ik niet gaan kijken.»

– U hebt nochtans een speciale relatie met de dood, schrijft u: ‘Ik had het gevoel dat de Dood zelf me in dienst had genomen om haar te helpen bij haar werk.’

Riss «Ja, ik ben ooit enkele dagen assistent geweest bij een begrafenisondernemer. Toen ik werd geconfronteerd met het overlijden van anderen, heb ik kennisgemaakt met een bizarre schaamte: de schaamte dat ik nog tot de levenden behoorde. Dat gevoel heeft me wel geholpen in de weken na de aanslag. Het was niet volkomen nieuw voor mij, zelfs al ging het om veel meer dan de dood, om meer dan een oude grijsaard die was overleden aan een hartaanval: het was bruut geweld, een uitbarsting van blinde razernij.»

– De moordpartij heeft één minuut en 49 seconden geduurd. Die beschrijft u erg gedetailleerd.

Riss «Ja. Ze leek wel uren te duren. Het was een chaos in mijn hoofd, ik leek alles vanuit verschillende standpunten te kunnen zien en dacht aan wat ik enkele ogenblikken later zelf zou ondergaan. Ik verwachtte dat ze mij ook zouden afmaken, maar er gebeurde niets. Ik maakte mezelf wijs dat het niet echt gebeurde, en tegelijk dacht ik al aan de gevolgen. Ik verbood mezelf ook maar een vin te verroeren, ik wist niet met hoeveel ze waren, en ook niet wanneer het zou stoppen. Ik hield mijn adem in, maar ik was de situatie niet meester: ik was weerloos als een strohalmpje in de storm en vroeg me af waar het zou eindigen. Plots hoorde ik buiten schoten, en ik dacht meteen: wie leeft nog? Ik hoorde Fabrice Nicolino kreunen, en ik wachtte nog even tot ik anderen om hulp zou horen roepen, maar er kwam niets. De overlevenden leken als spoken rond te zweven op de redactie.

»Ik heb lang tussen leven en dood gezweefd, ook mentaal. Zelfs in het ziekenhuis was ik ervan overtuigd dat ze zouden terugkeren om ons allemaal te liquideren. Nu nog vraag ik me af of mij niet iets zal overkomen. Ze zeggen weleens dat honden kunnen voelen dat er een aardbeving aan zit te komen, en ook ik voel de lucht soms trillen. Is het mijn paranoia, of iets posttraumatisch, zoals de dokters zeggen? Ik weet het niet.»

– Had u meteen door dat ze gekomen waren om te moorden?

Riss «Als je iemand voor je ziet staan die helemaal in het zwart is gekleed, met een bivakmuts op het hoofd, dan weet je snel hoe laat het is. Zulke kerels kom je anders nooit tegen, het leken wel fictieve personages.

»Het was een kantelpunt, er is een voor en een na. Het was heel kort, en het was een moment in mijn leven waarop ik voelde dat het einde nabij was. Het is afgelopen met me, zei ik tegen mezelf, hier stopt het. Cabu moet hetzelfde gedacht hebben. Hij was eerst compleet uit het lood geslagen, maar hij herstelde zich snel: hij wist dat het voorbij was. Hij had alles geïnvesteerd in zijn missie, hij was overtuigd van wat hij deed, en hij is ervoor gestorven.»

Absolute waanzin

– Waarom hebt u ‘Une minute quarante-neuf secondes’ pas jaren later geschreven?

Riss «Ik had tijd nodig om te kunnen terugblikken. 2015 en 2016 waren helse jaren. Ik wist niet hoe ik de draad weer moest oppakken, en er maalde van alles in mijn hoofd, het was net een wastrommel. Ik ben ook naïef geweest: ik dacht dat iemand anders het wel in mijn plaats zou vertellen. Ik heb het uiteindelijk toch zelf opgeschreven, want ik was bang dat dat verhaal anders samen met mij in het grote niets zou verdwijnen.

»Hoe het na ons verder moet, weet ik ook niet. Zullen er andere generaties opstaan? Soms voel ik me wel oud: wat ik heb meegemaakt heeft mijn leven in een stroomversnelling gebracht. Soms heb ik de indruk dat ik 90 ben en niet veel meer te doen heb. Ik hoop dat anderen het van ons zullen overnemen. Eén mens is niet genoeg: we hebben duizenden gelijkgestemden nodig die elkaar aflossen om ervoor te zorgen dat wat essentieel is voor onze samenleving, blijft voortbestaan: de democratie, de vrijheid van denken. Ik heb het vuur aan de gang gehouden, nu moeten anderen de strijd voortzetten. Dat is wat me nog drijft in het leven.»

– Hebt u het boek van Philippe Lançon gelezen, een collega van u die ook de aanslag heeft overleefd?

Riss «Ja. Het was de eerste keer dat iemand die er zelf bij was, erover heeft geschreven. Het is een moedig boek. Het heeft me ook geïntimideerd.»

– Op het einde van uw boek beeldt u zich in hoe u uw vermoorde collega’s later zult terugzien.

Riss «Ja, op een dag zullen we weer in hetzelfde schuitje zitten (glimlacht).

»Wat onverdraaglijk is, is de vraag: waarom ik niet en de anderen wel? Waarom lig ik niet tussen zes planken?»

'De vrijheid van meningsuiting is een mooi principe, maar als het erop aankomt, doen de meesten het in hun broek'

– Slaapt u goed?

Riss «Ik ben altijd een goede slaper geweest, en nachtmerries zijn ook niet zo erg: als je wakker wordt, zijn ze weg. Maar van de werkelijkheid kun je niet wegvluchten: je moet ermee leven.»

– Is er nog liefde in uw leven?

Riss «Zeker. Ik kan nog van mensen houden. Ik schets in mijn boek een klein portret van mijn vrouw: als zij er niet was geweest, was ik eronderdoor gegaan.»

– Op de cover van uw boek staat in het groot een oog van een dier afgebeeld. Uit welk schilderij komt dat fragment?

Riss «Het is een fragment van een doek van Théodore Géricault, ‘Officier de chasseurs à cheval de la garde impériale chargeant’, uit 1812. Het is het oog van het paard van die officier, en het bevindt zich in het middelpunt van dat schilderij. Dat paard heeft de absolute waanzin gezien, dingen die het beter niet had gezien. Net zoals ik niet naar de gruwel heb willen kijken, want ik wilde niet gek worden.»

© Le Point

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234