null Beeld

Zen en de kunst van het houthakken

Is houthakken het nieuwe zen?

'Ik kan vanop grote afstand horen wie de kettingzaag hanteert. Een Vlaming heeft een heel ander gezaag dan een Waal'

Het begon in Noorwegen. Toen ik de schrijfster Åsne Seierstad ging interviewen, zei een Noorse vriend dat ik na het interview moest vragen ‘of ik haar flinke houtstapels mocht zien’. Hij sprak nuchter Engels, maar twee seconden kon ik vanwege een Vlaamse zegswijze niet aan hout denken. Soit, ik heb d’r houtstapels gezien en ze vertelde dat hout stapelen een kunst is, en dat houthakken een geweldige therapie is, onder andere bij een lastig schrijfproces. Dat wist ze uit ervaring en uit het boek ‘De man en het hout’ van Lars Mytting. Die Lars schreef een boek over houthakken, klieven, stapelen en stoken en dat werd onverwacht een bestseller die door bijna 250.000 Scandinaven is gekocht. Die ‘houtbijbel’ is intussen in het Nederlands vertaald, ik heb de 239 bladzijden gelezen – geen dikke turf, om in brandstoftermen te blijven – en hoewel bedoeld als handleiding voor de houtstoker, zijn er ook meditatieve passages over de ‘aparte zielenrust’ die deze handenarbeid meebrengt. Veertig jaar na Robert Pirsig (‘Zen en de kunst van het motoronderhoud’) daagt er nu een ‘Zen en de kunst van het hout stapelen’.

Maarten ’t Hart schreef in de VPRO-gids een vlammend stuk over het boek. Matthijs van Nieuwkerk is al aan een kapblok gesignaleerd, en Kobe Desramaults wil terugkeren naar het ‘oerkoken’ met een houtoven en ‘het blote vuur’. Vandaar dat ik onze contreien wil doorkruisen en als ik een kunstige houtstapel ontwaar, zal ik vragen wat dat hout in een modern bestaan kan betekenen.


Mozaïek

Bij Louis Snijers in Oostham kan ik zo de boomgaard in. En de les van Lars Mytting blijkt te kloppen, namelijk dat elke houtstapel het karakter van de eigenaar weerspiegelt. Mytting beschrijft vijftien stapelprofielen: van ‘de voorzichtige’ tot ‘de roekeloze’, van ‘de levensgenieter’ tot ‘de zwaarmoedige’. Bij Louis is zo nauwkeurig gestapeld dat we hier met een ‘perfectionist, mogelijk een introvert persoon’ te maken hebben. Z’n vrouw knikt geweldig van ja, en Louis moet het ook toegeven: hij is industrieel ingenieur, hij is een man van meten en passen, hij kán niet verdragen dat die blokken slordig op elkaar liggen. Goed stapelen is ook schoon: ‘Geen enkel stuk is gelijk en toch vormt dat één geheel; zo’n stapel is een mozaïek, een schoonheid die je dagelijks kan bewonderen.’ Louis staat er ook bij stil dat al die blokken ooit bomen waren, ‘heel die cyclus van scheuten en groeien, al die seizoenen van lentegroen en herfstkleuren, en nu liggen ze hier ter beschikking van de mens’. Dus uit respect gooit hij dat niet op een hoop. Na het schavot van het kapblok verdient dat langzaam gegroeide hout een waardige opslagplaats. En of ik ook zie ‘hoe de laatste zonnestralen ginder op dat hout vlammen?’ ‘Zo schoon. En dan moet straks het grillige spel van de vlammen nog beginnen.’

Als aan de grote zenmeesters gevraagd werd wat zen was, dan antwoordden ze: ‘Zen is hout hakken en water halen.’ Anders gezegd: je wordt pas verlicht als je de dagelijkse dingen een diepere aandacht geeft. Daar komt deze Louis dicht bij.


Schwung en flow

In Blauberg, bij Herselt, slingert een weg door de bossen en dan opent zich een idyllische zonneplek met weilanden. Nu wil iedereen hier wonen, maar dertig jaar geleden was niemand daarop uit. ‘Wij woonden afgelegen. Wij werden bekeken als bosmensen,’ zegt Eddy Verbinnen. Zijn oude vader woont hier nog, met de paarden en de houtstapels. De moeder is gestorven. Hij vertelt over de houtkachel waarvan z’n moeder zo hield. Dikwijls zei ze: ‘D’r is weer niks op tv, ik kijk veel liever naar de vlammen.’ Die gehechtheid aan de huiskachel beschrijft Lars Mytting: ‘Een mens vergeet zijn schoolkameraden, zijn reizen en zijn favoriete speelgoed, maar nooit de kachel uit het ouderlijk huis.’

undefined

null Beeld

'Lode Dexters: 'Met houtarbeid vergeet je je zorgen.'

Ik ben onderweg door Limburg en de bossen langs de snelweg zie ik niet meer als bomen, maar als geveld, gezaagd en gestapeld. M’n nieuwe en flink gefragmenteerde kijk op het landschap! Intussen rij ik langs de afrit Houthalen, steek ik een camion met HOUT-VEZELS voorbij en valt het woord woodstove me op in een song die ik al honderd keer gehoord heb. De geestesverandering die zich voltrekt! Als het ‘Blokken’ op tv is, zal ik aan een open haard denken.

Lode Dexters is gepensioneerd schooldirecteur van Opgrimbie. Zijn vader werd in het dorp ‘de houtworm’ genoemd, een bijnaam voor iemand die continu stookhout vergaart. Zijn stapels onttrokken zelfs het zicht op het huis van de buren. Lode heeft die houtworm geërfd: ‘Met houtarbeid kom je tot rust en vergeet je je zorgen.’ Wel één voorwaarde: je moet er tijd voor uittrekken, een halve of hele dag, ‘niet raprap een halfuurtje voor het eten’.

Het zit zo. Wie met een zaag of bijl bezig is, denkt aan de veiligheid van poten en vingers, ‘en doordat uw kop maar aan één ding kan denken, is er geen tijd voor gepieker’. Dus ja, houtwerk vermoeit het lichaam, maar het verkwikt de geest. En Lode heeft nog iets ontdekt. Als je lang zaagt of klieft of stapelt, dan komt er een ritme, een schwung, een flow over je, ‘en dan ontstaan vaak nieuwe gedachten’. Bij het overlijden van een dorpsbewoner vroeg de familie of hij de kerk kon toespreken. ‘Dat heb ik tijdens het klieven voorbereid. In gedachten sta ik voor die rouwende kerk en ben ik aan het spreken. Ik monster dat hout, ik overweeg waar ik dat ga raken met m’n bijl, en intussen ben ik ook aan het wikken en wegen in m’n hoofd. Met woorden dan, met passages en zinnen. En de goeie zinnen beklijven, die hoef ik ’s avonds maar op te schrijven.’ Als schooldirecteur bereidde hij ook personeelsvergaderingen voor: ‘Zittend voor een wit blad kwam er niks en raakte ik gefrustreerd. Maar dan ging ik zagen, en in die langzame ritmiek zag ik mij die vergadering voorzitten, zag ik agendapunten, zag ik voor en tegen, en hoe ik daarop kon inspelen.’ Ook hout stapelen is ideaal: ‘Dan schik je blokken en dan ga je vanzelf ook argumenten schikken en opbouwen.’ Maar! Het gaat niet op commando: ‘Als ik ga klieven met het doel een vergadering voor te bereiden, lukt het niet. Het moet vanzelf komen.’


Ontworteld

Naast de goudvissenvijver en de rozenstruiken liggen zijn rustieke houtstapels, zichtbaar vanuit de living. Verderop een schuurtje met oude vogelkooitjes en nog meer vunkelhout, brandhout. Daar liggen berkenblokken en aan die witte bast heeft hij goeie herinneringen. Ooit heeft hij gratis een hectare berk mogen kappen in het koninklijk domein in Opgrimbie. Vijftien jaar royaal van kunnen verwarmen! Schoon hout – ‘Als je goed keek, zag je nog het kroontje van Fabiola!’

We staan nu achter het huis van zijn vader, die 104 is geworden, die mens was natuurlijk van eikenhout. En ook daar nog houtstapels, allemaal deposito’s van de bankrekening voor de winter. Hij heeft het over de uitstraling van houtvuur: ‘Met een centrale verwarming mag je stoken wat je wil, dat warmt alleen de lucht op. Een vuur stráált zijn warmte uit, dat kruipt genoeglijk onder je vel.’ In de winter zitten hij en zijn vrouw Rita ‘makkelijk tot twee uur ’s nachts bij die open haard’. Krant en tv zijn dan al weggedeemsterd, maar dat vuur houdt hen uren in de ban. Mytting: ‘Hout en vuur raken iets in ons binnenste. Het is onze alleroudste energiebron. Het zien van een houtvuur geeft een instinctief gevoel van veiligheid.’

Bij dat knetterende vuur heeft Lode ook al vaak aan de stilte van een boom moeten denken. ‘Een heel leven hoor je hem amper, tenzij wat ruisen in de wind. Slechts één keer in zijn leven maakt-ie groot gedruis. Als je hem omhakt. Dat trage kraken en dan die geweldige boenk op de aarde, dat is een groot orgel dat omvalt. Maar daarna moet je luisteren… Niks meer. Dat is het meest doodstille dat er is, een boom die geveld is.’

undefined

null Beeld

'Ook de Noorse schrijfster Åsne Seierstad las 'De man en het hout' van Lars Mytting: 'Houthakken is een geweldige therapie, onder andere bij een lastig schrijfproces.'

En of ik dat ook merk, dat het anders rijden is door een bos dan tussen huizen. ‘Als je tussen de hoge bomen van een bos rijdt, komt er rust en stilte over je.’ Hij kan het waarom niet echt uitleggen, maar misschien is het dit wel: ‘Een boom is robuust en solide. Die staat vast en onwrikbaar in het leven. Zelf zijn wij druk en gejaagd en soms ‘ontworteld’ bezig, en misschien dat een bos daarom een heilzame werking heeft?’

Zo ken ik mijn houtmannen. Stille wortels, diepe gronden!


Woodstock

Iets minder stil en peinzend is Guy Franck. Ik ken deze Guy omdat hij al tweemaal onze kerstboom in de grond stopte ter verlenging van zijn eindejaarsbestaan. In de zomer moet ik dan telkens afscheid nemen van een dor en gelig exemplaar, maar dat is mijn eigen schuld. ‘Hij heeft al zijn naalden verloren, van verdriet omdat je hem aan de deur hebt gezet.’

Guy woont pal in een bos. Onder een paraplu van dennenbomen die hij mondjesmaat opstookt. Ik arriveer er ’s avonds. Het woonhuis is verlicht met snoeren van kerstlampjes en verder is zijn junglebos een duistere struikelplaats met bakstenen en dakpannen. Hij laat zijn kapblok en zijn twee kliefbijlen zien, zo scherp, ‘daarmee kunt gij u vanavond nog scheren, Jan!’ En dan is er zijn houtmagazijn, een soort wagon van palletten en houten schotten met binnenin een enorme lading brandhout. Ik ken Guy als vrijbuiter en halve hippie, dus vraag ik of dit zijn Woodstock is. En zo heb ik het verkorven. Door die Woodstock-woordspeling kan Guy ‘niet meer serieus nadenken over de contemplatieve relatie’ met zijn brandhout. Vraag dus niet of hout klieven rustgevend is, want hij zal naar z’n hoofd grijpen met de woorden ‘Ik hoop het! Hout vasthouden!’ Vraag evenmin of hout kappen het nieuwe zen is, want hij zal onnozel ja zeggen: ‘Ik zèn elke dag aan het houtkappen, Jan; zo zeggen ze dat toch in Antwerpen.’

undefined

'Elke houtstapel weerspiegelt het karakter van de eigenaar. Er zijn vijftien stapelprofielen: van de voorzichtige tot de roekeloze, van de levensgenieter tot de zwaarmoedige'

We eten geroosterd vlees bij het buitenvuur. De vlammen slaan hoog naar de sterren. ‘Hout, dat is opgeslagen zonne-energie. Die warmte van dat vuur, dat is alsof die boom alle warmte uitstraalt die hij in zijn leven van de zon ontvangen heeft.’ Dat is toch nog één wijsgerige beschouwing. Guy heeft ooit zelfs een boot vervaardigd uit coniferenhout. Maar dat die gelijk zonk – ‘Ah ja, die con-nie-vèren.’


Gekoeioneerd

Buiten Bouwel tref ik meerdere houtstapels in een weiland. De buren wijzen naar het huis van houtman Theo, een kilometer verderop. Zeker wil Theo één en ander demonstreren, hij heeft zopas de ketting van zijn kettingzaag geslepen. Dus terug naar zijn houtplek. Hij voorop met de fiets, en zo zie ik hem vertrekken: een man met een kettingzaag aan het rijwielstuur, niks chainsaw massacre, eerder een braaf fanfare-instrument. Zijn vrouw roept mij nog na: ‘Weet ge wat een houtliefhebber is? Een man van wie de vrouw het goed vindt dat er een houtstoof is. Want veel vrouwen zijn daartegen; zo’n stoof geeft heel veel stof.’

Bij zijn houtopslag haalt Theo de twintig jaar oude Dolmar (van Hollands fabricaat) uit het versleten foedraal. Hij laat de scherpe tanden voelen en wijst op een snee in de tip van zijn bottine, daar is de zaag rakelings langs zijn tenen gegaan. Dat is geluk hebben, want zo’n zaag snijdt een gat in je vlees met gemiddeld 70 per uur en 9.000 toeren per minuut.

Hij snokt aan hendel en touw, en de zaag kruipt in knoestig hout. De schilfers vliegen tegen m’n kleren. (‘Als die schilfers zagemeel worden, dan is uw kettingzaag bot.’)

Dan het klieven. ‘Waar de barsten zitten van het drogen, daar moet je de bijl slaan, dan splijt het in één keer.’ Bàf. Het klopt.

Ik sta in bewondering voor zijn stapels. Of hij dat stapelen van zijn vader heeft geleerd, of op eigen houtje? (Ik zweer het, de woordspeling was er voor ik het besefte.) ‘Och,’ zegt Theo, ‘wie van boerenafkomst is, die kán kappen en stapelen.’ Hij huldigt ook maar één filosofie: hout is warmte, en je hebt dat nodig in de winter, ‘meer spel moet ge daar niet van maken’. Ik heb intussen oog voor een bijzondere paal die een houten plaat torst, dat is zeker een geavanceerde techniek om te stutten. ‘Maar nee,’ zegt Theo, ‘onder die plaat sta ik te schuilen als het regent.’ En hij gaat demonstratief onder dat afdakje staan alsof de regen met bakken uit de lucht valt. Ik moet nog veel leren, onder andere dat ik het ‘niet te ver moet gaan zoeken’.

'Houtwerk vermoeit het lichaam, maar verkwikt de geest. Ik bereid personeelsvergaderingen voor tijdens het klieven'

In een normale winter stookt hij elke dag een kruiwagen hout op. Die inhoudsmaat is mij onbekend, maar het komt neer op ‘tien kuub’ voor die koude maanden. Of het een normale koude winter wordt? Dat weet Theo op 21 december. Staat de wind dan oost of noordoost, dan krijgen we kou en vorst. Staat hij die dag west of zuidwest, dan wordt het een zachte winter. Zo kan hij ook op 21 maart, 21 juni en 21 september de andere seizoenen voorspellen. ‘Deboosere moet het ook maar eens proberen!’

Boerenzoon Theo werkte twaalf jaar in de bouw en 28 jaar bij de spoorwegen, als onderhoudsman in een Antwerps rangeerstation. Een werkplek, vuil en smerig, waar hij ‘gekoeioneerd werd’ door zijn collega’s. Als ze dan de hele dag op zijn kop hadden gezeten, was hij blij dat hij ’s avonds naar zijn hout en zijn bos kon. Dat vertelt hij aarzelend, ik zie hem zoveel jaren later nog lijden. Hoe vaak heeft hij de bijl in dat brute hout gezet, in die tronies van zijn plaaggeesten?


Brandhoutbehang

Ik bel naar Jo. Een man met vuur in zijn leven en een houtkachel in huis. Hij heeft het over de zwarte houthandel in Limburg (‘Hout is hier het nieuwe zwarte goud!’), en over chirurgen die ‘heel lelijke wonden’ van kettingzagen zien. Ook blijken er progressieve mannengroepen te bestaan die ter meditatie een weekendje gaan houthakken en stoken. En onlangs zag hij behangpapier met foto’s van houtstapels.

undefined

null Beeld

'Francesco Del Campo: 'Een echte houtman herinnert zich bijna elk blok.'

Dat is de trend die ik ook zie. Hout is natuurlijk, hout is eerlijk en past perfect in die stoere en in opgang zijnde outdoorcultuur. Dat houtstapels het behangpapier gehaald hebben, wil zeggen dat ze geaccepteerd worden als een rustgevend archetype. Vanaf nu staan ze rollengewijs op hetzelfde niveau als de zonsondergang en de waterval!

Van Jo moet ik zeker langsgaan bij Francesco Del Campo in Vresse-sur-Semois. Die Italiaanse Limburger is daar een bed and breakfast begonnen en in een soort stookhoutuniversum terechtgekomen, mogelijk uniek in België.

Uren heb ik met hem gepraat. Ter plekke moest zelfs een extra boom gekapt om al mijn notities op papier te zetten. Het komt hierop neer. De gemeente Vresse leeft van de commerciële bosbouw en heeft 8.000 hectare in eigen beheer. Een gemeente met zoveel bosbezit is op zich al zeldzaam, en dan is er nog een ‘eeuwenoude wet waardoor iedere inwoner het recht heeft om zich te verwarmen’. Dat recht houdt in dat hij elk jaar een lot bos krijgt toegewezen waarin hij het gemarkeerde hout (lees: de niet-commerciële bomen) mag hakken voor zijn huisverwarming. Zo’n lot komt neer op 15 à 20 kuub loofhout. ‘Eik, beuk, berk en es, dat is stookhout van hoge kwaliteit, met heel veel warmterendement.’

In Wallonië heeft dat een waarde van 1.200 euro (‘In Vlaanderen is dat 1.800 euro waard’) en daarvoor vraagt de gemeente slechts 60 euro, voor de administratie van de boswachters en voor een verplichte verzekering. Enige voorwaarden: je moet een huis en domicilie hebben in Vresse of in een deelgemeente, en het hout moet binnen het jaar gekapt en geruimd zijn. De ‘oogst’ is uitsluitend voor privéverbruik, je mag die niet verhandelen.


Kapgenoten

Tot zover het concept van dat gemeentelijke geschenk, maar het grote genoegen is de sinterklaasbeleving errond. Enkele dagen na Nieuwjaar worden de loten door een onschuldige hand getrokken, en eens dat blad in handen, vliegt iedereen (‘bakker, slager en postbode’) nog diezelfde avond het bos in om zijn perceel te gaan bekijken. Af en toe eindigt die avond in een pandemonium van te haastige bosgangers die zich vastrijden in slijkgreppels of in de nog aanwezige dikke sneeuw. ‘Ongelooflijk, de stress van die avond! ’t Is alsof dat bos ’s nachts nog kan weglopen.’ Elkeen wil immers weten of z’n terrein makkelijk of moeilijk toegankelijk is, steil of licht hellend, allemaal factoren die een rol spelen bij de kap.

In de weekends van januari en februari wordt er geveld, als de bosgrond nog koud en hard is en als de bomen nog zonder sap en blaren zijn. ‘Niemand gaat alleen. Men gaat als koppel, gezin of als vriendengroep.’ Francesco zit in een club met vijf kapgenoten, ieder heeft zijn machete, bijl en kettingzaag, en eentje heeft een tractor om de stammen uit het bos te slepen – die wordt door allen gedeeld.

‘Alleen in het bos gaan, dat doe je niet. Je moet minstens één partner hebben om hulp in te roepen.’ En dat is nodig: vorig jaar brak een vallende boom iemands been en twee jaar geleden stierf een jongeman onder omvallend geweld. Eiken en beuken van soms 80 jaar oud kunnen wel 30 meter hoog zijn, en dat is altijd oppassen. ‘Bij het trillen van de kettingzaag kan één tak uit die boom breken, en 10 kilo die van hoog valt, die spiest u kapot.’

Voor de rest geen zorgen. Om negen uur ’s morgens zijn er boterhammen en koffie in het bos, terwijl ontsteekt men een vuur waarop ’s middags de worsten zullen braden, en naar het slot van de dag komt de borrel boven. ‘Je houtvrienden zijn je goeie vrienden. Dat zijn de mannen aan wie je zelfs privézaken vertelt. Het is als voetballen in een vriendenploeg. Er is dat sjotten, maar het plezier zit ’m in het samenzijn, in het zwanzen en zeveren voor en na.’

Zoals voetbal heeft het ook dat viriele van vuil en smerig zijn, en schrammen op je huid. ‘Dat stoere hoort erbij. Ik ben bijvoorbeeld de enige met een helm, oog- en oorbeschermers en een beschermende broek en dito schoenen. In Vlaamse overheidsbossen is dat intussen verplicht, maar hier vinden ze mij een mietje. Zij houden het bij hun gewone kleren, waarom jezelf toetakelen als een veiligheidsagent?’

Slechts een kwart van de kap wordt door vrouwen gedaan, ‘en dat zijn dan ook kastaars, vrouwen die soms beter met de tractor en de kliefhamer om kunnen dan veel mannen’.


Vlaams gezaag

We rijden het bos in. De 4x4 ploegt met schokken en bokken door de diepe plassen. Hij zegt dat hier naast hem en zijn vrouw Hilde nog wel meer Vlamingen wonen en dat hij bij een knetterende kettingzaag ‘vanop grote afstand kan horen of dat het gezaag van een Waal of een Vlaming is’. De Vlaming heeft een gelijkmatig en ‘bijna monotoon’ zaaggeluid. Bij de Waal is het vurig ‘als bij de start van een motorcross: met heftige vroemvroems en sportief gas geven’.

Hij wijst naar oude stapels, dat is hout van een overledene. ‘Dat blijft daar liggen tot het rot is. Niemand denkt aan inpalmen, aan makkelijk gewin. Je profiteert niet van een dode.’

De kaptraditie heeft ook voordelen voor de gemeente zelf: ‘Het is een vorm van beheren. De inwoners dragen zorg voor hun hout én tegelijk voor het hele bos. Het is sociale controle. Zwerfvuil wordt direct opgeraapt.’

Is men onderweg in het bos, dan zal men ook áltijd stoppen bij een collega-houtveller. ‘Dat Vlaamse voorbijrijden-met-een-knikje, dat vinden ze grof en onbeleefd. Je parkeert de auto, je stapt uit en je informeert hoe de kap vordert. Als iemand het moeilijk heeft, dan zeg je dat je straks of morgen komt meehelpen. Je helpt iedereen, want iedereen is ooit zelf geholpen. Met een vastgelopen kettingzaag, of met stammen wegslepen op een lastig terrein. Die samenhorigheid is hier vanzelfsprekend.

null Beeld

Hij ziet zelfs hoe het bos het gemeentebeleid bepaalt: ‘Hier doen ze niet aan kortetermijndenken. Hier weten ze dat een boom pas na tientallen jaren kaprijp is en zo zien de bestuurders ook het gemeentebeleid. Langzaam iets opbouwen voor de toekomst. Denken in generaties. Nooit een steekvlambeleid.’


Edelhert

In een wirwar van varens wijst hij naar de wildpaadjes en de keutels van het edelhert, allemaal geleerd tijdens het kappen. ‘Altijd is er aandacht voor de natuur. Iemand ziet een kudde edelherten? Sssjt, alle zagen stil, en alleman kijkt. In hun leven hebben ze al honderden herten gezien, en nog altijd vinden ze dat magisch, zo’n edel dier. Het geeft ook een oeroud gevoel: wij en de wilde dieren in het woud. De bewoonde wereld is dan veraf.’

Een vergezicht van ‘miljoenen hoge bomen’ maakt je ook nederig: ‘Je bent maar een kleine mens in die grote natuur.’ Dat brengt hem op het Vlaamse bosbeleid, dat hij te schools vindt: ‘Ze behandelen bossen als parken. De bezoeker is de recreant die alleen maar bordjes mag aflezen. Die nooit paadjes mag verlaten en die zeker niks mag plukken of sprokkelen. Hier is het bos er nog voor het volk. Het geeft de mensen warmte, bessen, paddenstoelen en wild; hier mág het bos nog geven.’

undefined

'Een mens vergeet zijn schoolkameraden, zijn reizen en zijn favoriete speelgoed, maar nooit de kachel uit het ouderlijk huis'

Dan stopt hij bij de houtstapels van zijn vriendenclub. Voor het oog ontvouwt zich een soort rangeerstation, met lange treinen en compartimenten van hout. Dat krijgen ze toch in geen jaren opgestookt? Hij zegt van wel: ‘In Vlaanderen ben je met zo’n stapel een houthandelaar, hier is dat het normale volume voor een particulier.’

Hij kan naar zijn stapels staan kijken ‘als naar een goedgevulde spaarpot’. ‘Maar het is meer dan financieel. Aardgas en elektra komen automatisch binnen; deze energie heb je met eigen handen in huis gehaald: dat is een diepe voldoening.’

Voor Lars Mytting is de houtstapel een onverwoestbare investering: ‘Een houtstapel is wat hij is. Hij verliest niet op de beurs. Hij roest niet. Hij vraagt geen echtscheiding aan. Hij doet slechts één ding: wachten op de winter.’

En buitenstaanders zullen het niet geloven, zegt Francesco, maar ‘een echte houtman herinnert zich bijna elk blok’. ‘Op het moment dat ik dat blok in de haard leg, zie ik alles terug. Het bosperceel, wie daarbij was, dat mijn kettingzaag vastliep, dat één van ons lomp over een stronk struikelde en hoe we daarmee lachten. Elk blok is een déjà vu. Elk blok is een zin en zo’n houtstapel is een boek.’

Het zijn woorden waaraan ik me kan warmen.

★★★

Nog één keer rij ik langs schooldirecteur Lode in Opgrimbie. Hij wilde de prehistorische kettingzaag van z’n vader laten zien, maar ze is nog in reparatie. Wel heeft hij nog iets stokouds gevonden. Eén van zijn houtstapels wordt gestut door het onderstel van een Ford uit de jaren 30. De wielvelgen hebben nog houten spaken. ‘Ja, jong, van hout kunnen ze álles maken.’ Als onderwijzer vroeg hij het aan zijn klas en dan riepen de kinderen: ‘Tafels! Deuren! Trappen! Daken! Boten! Bruggen!’

Hout is er altijd. Een heel leven lang. ‘Je komt in een houten wieg op de wereld en je verdwijnt in een houten kist terug van de wereld.’ Of dat geen goed slot is voor uw artikel?

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234