'Als ik niet weet of iets me lukt, stel ik me vóór dat ik het kan. 8 op de 10 keer werkt dat. Die andere keren? Gebroken botten, hechtingen, vernedering'Beeld Mark Seliger

voorpublicatieMichael J. Fox strijdt al 30 jaar tegen parkinson

‘Zie ik een oude man met een wandelstok, dan denk ik: ik wil bewegen als die man!’

Acteur Michael J. Fox (58) werd wereldberoemd als Marty McFly in de ‘Back to the Future’-films en Alex P. Keaton in de komische serie ‘Family Ties’. Maar nadat bij hem de ziekte van Parkinson was vastgesteld, in 1990 al, toen hij nauwelijks 29 was, moest hij zijn leven omgooien. Al meer dan 20 jaar zet hij zich in voor het onderzoek naar de ziekte en schrijft hij zijn ervaringen met parkinson neer voor zijn memoires. Een exclusieve voorpublicatie uit deel twee, ‘No Time Like the Future’, dat vandaag verschijnt.

Ik heb de zwaartekracht dag na dag getart en kon rennen als een renpaard. Nu ben ik 58 jaar oud en beweeg ik me voort als een 90-jarige. O nee, wacht – ik ken een paar 90-jarigen die joggen, in godsnaam. Ze laten me achter in het stof terwijl ik door hun jetstream omvergeblazen word. Kortgeleden kwam er een oude man met een wandelstok mijn kantoor voorbij. Ik bewonderde het ritme van zijn stok en mijn enige gedachte was: kijk die son of a bitch eens gaan! Dat is wat ik nu wil: ik wil bewegen als die man. Maar echt, ik wil eigenlijk bewegen zoals toen ik jong was.

In 1971 was ik 10 en verliet mijn vader het Canadese leger. We vertrokken uit Ontario, zijn laatste standplaats, en keerden terug naar British Columbia, waar mijn familie vandaan komt. Van een kazerne gingen we naar een appartementencomplex tegenover een rijtje winkels en een slijterij. Binnen enkele weken had ik elke steeg, elke zijstraat en elke sluiproute in en om de buurt verkend. Ik had de route van ons complex naar het appartement van mijn tante en oom, acht kilometer verderop, uit mijn hoofd geleerd en liep het stuk met gemak in mijn eentje om er onaangekondigd binnen te vallen. Was ik er eenmaal, dan kreeg ik een glas kraanwater terwijl tante Marilyn mijn moeder belde om te laten weten waar ik uithing.

Ik was toen net beginnen te lopen. Ik liep naar school, liep door het bos, liep naar de bioscoop. Ik reed ook wel op mijn fiets en ik kon schaatsen. En als typisch Canadese knul speelde ik al sinds mijn 6de ijshockey. Ik was gebouwd voor snelheid, stond laag op het ijs, was spontaan, impulsief. Watervlug, met de reflexen van een panter. In het ijshockey, en trouwens in sport in het algemeen, wordt hier van iemand met snelle benen gezegd dat hij great wheels heeft, ‘geweldige wielen’. De legendarische Canadees Guy Lafleur uit Montreal had wheels. Ik had wheels. Lafleur had ook hands: dat wil zeggen dat stickhandle hem uitstekend afging, dat hij de puck op het blad van zijn stick op vreemde, magische wijze kon laten bewegen. Daarmee werd hij een meesterscorer.

Ik had noch hands, noch wat coaches ‘hockeyverstand’ noemden: ik kon het spel niet ‘lezen’ – in tegenstelling tot Wayne Gretzky, die de puck niet plaatste waar zijn teamgenoot stond, maar daar waar hij op het juiste moment zou zijn. Ik had ook niet dat echte shot, maar, man, wat kon ik vliegen. Ik stoof over het ijs met zo’n snelheid, behendigheid en flair dat je makkelijk kon denken dat ik ook echt iets deed. Ik vond de beweging heerlijk, dat schim zijn. Als een altijd in de weer zijnde machine rende, sprong en denderde ik, sprintte ik en was ik in de bokszaal altijd aan het touwtjespringen. Klimmen over de rotsen aan de kust, werpen en wervelen, gooien en slaan, waterskiën en bodysurfen. Tegen de bakstenen muur op naar het dak van de slijterij klimmen om een verdwaalde hockeybal te halen. Stiekem mijn arm over de schouders van mijn afspraakje leggen in de bios. George Bernard Shaw heeft gezegd dat de jeugd verspild is aan jongeren, maar aan mij was zij niet verspild. Ik wist alleen niet dat ik direct van jong naar oud zou gaan.

‘Van jeugd naar volwassenheid bleef ik mijn lichamelijkheid gebruiken; voortaan ook om eraan te verdienen. Ik sprong van gebouwen, vloog aan kabels en skateboardde op filmsets.’ (Foto: Michael J. Fox als Marty McFly in de eerste ‘Back to the Future’.)Beeld Humo

STUNT- EN VLIEGWERK

Van jeugd naar volwassenheid bleef ik mijn lichamelijkheid gebruiken; niet alleen voor de lol, ook om eraan te verdienen. In de loop van mijn carrière heb ik schouderrollen, namaakgevechten en alle denkbare manieren van vallen voor mijn rekening genomen – en af en toe een verkeerde klap uitgedeeld en ontvangen. Ik ben van gebouwen gesprongen, heb aan kabels gevlogen en geskateboard op filmsets. Ik heb aanwijzingen opgevolgd van Broadway-regisseur Herb Ross, die van een wandeling door een kantoorgebouw in ‘The Secret of My Success’ een scène maakte als uit een film van komiek Harold Lloyd. Herb daagde me uit om mijn weg te vinden door een doolhof van dossierkasten met uitgeschoven laden, open- en dichtgaande liftdeuren, zwabbers en emmers van schoonmakers en meer kantoorhindernissen. (Dat alles, spijtig genoeg, op de melodie van ‘Walking on Sunshine’.)

Als regisseur was Brian De Palma het tegenovergestelde van Herb Ross, maar Brian schiep zijn eigen vorm van choreografie. Hij is befaamd om zijn langdurige shots met de steadycam: continue, minuten durende opnamen. De camera volgde bijvoorbeeld de acteur in een gang, de trap af, naar buiten, de straat op en de bus in – dat alles in één shot. Ik deed eens één van die De Palma-specials in Thailand, tijdens de opnames van ‘Casualties of War’. Het behoorde in zekere zin tot het fysiek veeleisendste werk dat ik ooit heb gedaan, terwijl het niet moeilijker was dan gewoon lopen.

Mijn personage, een groene rekruut, begint een nerveus gesprek met een andere soldaat, een existentiële conversatie over hoe makkelijk het is om dood te gaan in Vietnam. En terwijl we dat gesprek voeren, lopen we over een karrenpad en breekt op de achtergrond de hel los. Er staat een dorp in brand, af en toe laaien de vlammen op door explosies. Helikopters schieten in en uit beeld, landen en stijgen op. Soldaten lopen door het beeld, vuren wapens af en hijsen doden en gewonden in de helikopters. En al die tijd moet pagina na pagina uiterst nauwkeurige dialoog worden uitgesproken. In die totaal geproduceerde chaos betekent een te snelle stap of een verspreking dat de hele scène mislukt is en tien minuten film kan worden weggegooid. En dat is dan jouw schuld. In al dat angstaanjagende kabaal – de geweerschoten, de bommen, het harde geklapwiek van de helikopters – was het vreselijkste geluid Brians ‘Cut!’ voordat de scène feitelijk afgelopen was.

Terug op veiliger grond, als Alex Keaton in ‘Family Ties’, leerde ik hoe ik me op het juiste moment door een scène en over een set moest manoeuvreren. Ik vloog door deuren en gleed over toonbanken met mijn handen in mijn zakken; op één of andere manier wist ik voor de camera met niets dan wilskracht van markering naar markering te zweven. Ik reed en draaide op een bureaustoel op wieltjes over de keuken-set. Het was eigenlijk allemaal dans, al ben ik geen danser. Eén van de eerste scènes in de proefaflevering van ‘Spin City’ vindt plaats in de slaapkamer van een klein appartement in Manhattan. Mijn personage, plaatsvervangend burgemeester Mike Flaherty, en zijn vriendin Ashley, politiek verslaggever, zijn verwikkeld in een gesprek over permanent samenwonen. Een paar woordspelingen, een enkele sexy oogopslag en het wordt een romantische scène.

Voor wat Mike dan in gedachten heeft, moet hij van de ene kant van de kamer over het bed aan de andere kant zien te komen, en tegen de tijd dat hij daar aankomt ook zijn joggingbroek hebben uitgetrokken. Ik stelde de regisseur, Tommy Schlamme (een legendarische tv-regisseur, één van de beste namen in de showbusiness), voor dat ik dat zou doen door een salto te maken over het bed, met Ashley erin, en mijn joggingbroek midden in de lucht uit te trekken. ‘Oké,’ zei hij, ‘ik snap het. Maar hoe weet jij in godsnaam dat je dat kunt?’ ‘Weet ik niet, maar ik denk dat ik het kan. Laat me het maar proberen.’ ‘Heb ik hier ook een stem in?’ vroeg Carla Gugino, die Ashley speelde. ‘Land niet op mij.’ ‘En breek je nek niet,’ zei Tommy. ‘Anders moet ik een hele stapel formulieren invullen.’ Op één of andere manier kreeg ik het voor elkaar om de beweging perfect uit te voeren, tot vreugde en opluchting van alle betrokkenen. Het was een vliegende start van onze reeks.

‘Ik moet erover nadenken hoe ik in een stoel zit: heb ik direct een comfortabele houding te pakken? Ik maak een inventaris op van waar mijn ledematen zijn. Al die berekeningen en over­ wegingen betekenen keihard werken.’Beeld WENN.com

PARKINSONPARADOX

Voor mij betekende bewegen altijd vrijheid. Ik had al een paar jaar de diagnose ziekte van Parkinson toen ik ‘bewegingsstoornis’ een aanvaardbare term begon te vinden voor mijn aandoening. Ik weet zeker dat ik die ergens in de literatuur was tegengekomen of dat hij was genoemd door één van de artsen die ik raadpleegde, maar het was pas na verloop van tijd dat het woord écht tot me doordrong. Mijn stoornis is niet mentaal of emotioneel, hoewel zulke problemen zich nog kunnen ontwikkelen. Ze is neurologisch en manifesteert zich in verval van beweging. Sommige mensen zullen vooral de lichte paralyse opmerken, het trillen van vingers en ledematen. Dat maakt er zeker deel van uit. Maar het is mijn ervaring dat tenminste die symptomen in de loop van de tijd enigszins beheersbaar worden.

Veel moeilijker te herkennen en te erkennen is de afname van beweging. Zonder chemische tussenkomst zal parkinson ervoor zorgen dat ik verstijf, bewegingloos word, met een uitdrukkingloos gelaat en zonder nog te kunnen praten – volledig overgeleverd aan de genade van mijn omgeving. Voor iemand voor wie beweging emotie, levendigheid en relevantie is, is het een les in nederigheid. Aan de positieve kant heb ik ontdekt dat ik in mijn gedachten psychologische spelletjes kan doen. Ik pas de strategie toe die ik mijn hele leven al heb gebruikt – als ik niet weet of ik iets fysiek wel kan, dan stel ik me gewoon vóór dat ik het kan. Fake it until you make it. Doe alsof, tot het je lukt. Acht op de tien keer werkt dat. De overblijvende 20 procent? Hechtingen, gebroken botten, vernedering.

Iemand die mij helpt de lijnen en grenzen aan te geven waar ik in mijn leven tegenop loop, is dokter Susan Bressman. Zij is mijn neuroloog en bewegingsstoornisspecialist. Ook is ze een briljant onderzoeker, een internationaal erkend expert op het gebied van de ziekte van Parkinson en een gewaardeerd adviseur van onze Foundation. We zijn erg blij dat ze in ons team zit en ik ben dankbaar voor haar persoonlijke aandacht. Ze is altijd heel grondig bij mijn check-ups, die een uur duren en waarin ze mijn huidige conditie en mate van progressie beoordeelt, de door mij gemelde reacties op medicijnen nagaat en mijn cognitieve vaardigheden en mentale scherpte meet. Het kan erg uitputtend zijn. Soms sta ik ‘aan’ tijdens het onderzoek en soms sta ik ‘uit’, en dat wordt zorgvuldig waargenomen en opgeschreven.

Ik wou dat iedereen met een ziekte zulke zorgvuldige aandacht kon krijgen als ik van Sue krijg. Ik weet dat als ik na een afspraak haar kantoor uit loop, zij in de gang achter me staat om te beoordelen hoe de kwaliteit van mijn lopen is. Als ik aan lopen denk, dan is het woord dat me nu te binnen schiet ‘doelbewust’. Ik moet elke stap die ik zet, eerst plannen. Geen onbenullige stapjes of nutteloze inspanning. Ik moet erover nadenken hoe ik in een stoel zit: heb ik direct een comfortabele houding te pakken? Ik maak een inventaris op van waar mijn ledematen zijn. Al die berekeningen en overwegingen betekenen keihard werken. Fysieke taken worden moeilijker door de noodzaak ze op te breken in losse handelingen. Het mentale werk is zwaarder dan de fysieke inspanning. Ik moet nadenken over elke stap, en daarvoor is intense scherpte nodig. Ik moet me vertonen – hoewel het wel zo makkelijk zou zijn dat niet te doen. Op sommige dagen ben ik er helemaal klaar mee. Dan wil ik mijn stappen niet tellen. Ik wil niet inzien wat slechter gaat vandaag, of wat onvermijdelijk slechter zal gaan als we verder zijn. Het is uitputtend om te ontleden wat door parkinson komt en wat toe te schrijven valt aan andere factoren. Er zijn dingen die ik niet kan omdat ik 58 ben. Is dat oud? Dat was het toen ik 21 was, en dat lijkt vijf minuten geleden.

350 STAPPEN

Toen ik 21 was, woonde ik in een studio in L.A. die vergeven was van de kakkerlakken, en nu woon ik in een vooroorlogs gebouw in de Upper East Side van Manhattan. Er zijn pogingen gedaan het gebouw te moderniseren, of althans moderne voorzieningen aan te brengen. Zo is een verlaten en veel te grote wasruimte in de kelder, die vol stond met overbodige wasmachines uit de jaren 50, leeggeruimd en opgeknapt, en daarin is nu de sportzaal voor de bewoners gevestigd. Dat is ook de plaats waar ik fysiotherapie krijg. Mijn kantoor is om de hoek van ons appartement, dus om van het kantoor in de sportzaal te komen moet ik naar buiten, rechtsaf, tien meter rechtdoor, weer rechtsaf maar nu dertien meter, en dan onder een luifel door de ontvangsthal in.

Dat was natuurlijk een stukje straat waar ik zonder na te denken doorheen liep. Gewoon een klein wandelingetje of de laatste stappen na een bezoek aan het koffietentje op Madison Avenue of de boekwinkel op de hoek. Nu is het de Bermuda Triangle, of beter gezegd, de Devil’s right angle, de ‘rechtse hoek van de duivel’. Hier komt mijn fysio Ryan Orser om de hoek kijken. Vóór elke training komt hij me ophalen in het kantoor en dan bespreken we wat we die dag gaan doen, qua therapie dan. Grootste prioriteit: een strategie bedenken om de 350 stappen af te leggen van mijn kantoordeur naar die van mijn appartementsgebouw en naar beneden naar de sportzaal, rekening houdend met variabelen als het weer, of ik op dat moment aan- of uitsta en de tijd van de dag.

Klinkt eenvoudig, en op sommige dagen is het dat ook, maar op andere dagen, zoals vandaag, is het een gevaarlijke odyssee – een ‘Odysseus’ waardig. Alleen al de deur uitgaan is link. Om direct rechts af te slaan is een snelle blik naar links nodig om te zien of er geen voetgangers aankomen. De eerste stap is cruciaal; ik wil zeker weten dat die door voorbijgangers niet ingewikkeld wordt gemaakt. Maar in mijn wereld bestaat zoiets als ‘een snelle blik’ niet meer. Daarvoor moet mijn hele lichaam verschuiven, inclusief mijn voeten.

Als ik heb gezien dat de kust veilig is, sla ik rechtsaf, recht tegen de wind in. Of het nu de luchtstroomvectoren zijn of domweg de vorm van het gebouw en de ligging tegenover dat aan de overkant van de straat, waar je de stenen ommuring hebt van Central Park: het lijkt wel alsof alles samenzweert om hier de winderigste straathoek te creëren ten oosten van Chicago. De afgelopen winters hebben windvlagen tot wel 80 kilometer per uur me letterlijk omvergeblazen.

Vandaag is er geen tegenwind, maar vriest het in New York. De trottoirs zijn glad en bevroren en de bestrating is onregelmatig door het opvriezen van de grond eronder, waardoor gevaarlijke richels en randen zijn ontstaan. De hoek lijkt ook altijd vol te staan met levensvormen, van de Franse dog in een gebreid vest die door zijn eigenaar wordt uitgelaten tot, op mooiere dagen, de jonge juf die twaalf kleuters door het verkeer loodst. De tweede bocht naar rechts kan het einde betekenen. Ik ben al vaak gevallen en het beton heeft een patina van het vel van mijn knieën. Heb ik dat struikelblok overwonnen, dan sta ik voor een nog gevaarlijker tochtje door de hal. De stap is sneller vandaag, dus is mijn pas korter. De vorst heeft ook hier toegeslagen en er liggen dus talloze hindernissen op mijn weg. Mijn reflex is door mijn heupen te zakken, in de hoop dat ik mijn pas zo beter kan beheersen. Het resultaat is echter dat ik mijn opties juist beperk.

Een ander risico dat ik hier loop, is dat ik in het gesnater van buren verzeild raak die staan te wachten op hun taxi of de boodschappen uit hun auto aan het halen zijn (of anders tenminste een oogje houden op de portier die hun tassen naar binnen sjouwt). De verleiding is groot om halt te houden en hoi te zeggen, vriendelijk te zijn. Fout. Niet stoppen. Geen oogcontact maken. Niets zeggen. Het is duidelijk dat je worstelt; je hebt een wandelstok, in hemelsnaam. Ze zullen het wel snappen. Ik loop door en van hen weg, naar links dit keer, naar het diensttrappenhuis dat naar beneden, naar de kelder gaat.

KARATE KID

Na het lopen van die spitsroeden volgt, geloof het of niet, een heel uur fysiotherapie. Hersengymnastiek, core workout, crunches, sit-ups, bicycle kicks, de verschrikkelijke ab chair – we beginnen altijd met de leuke dingen. ‘Oké, loop hiernaartoe. Heupen vooruit, schouders achteruit, niet slepen met je linkervoet,’ beveelt Ryan. Maar terwijl ik me concentreer op het optillen van mijn linkervoet, overstrek ik mijn rechterknie. Verdomme. ‘Het is wel goed, daar gaan we later aan werken,’ zegt Ryan.

Als bereidwillige leerling werk ik me rot, maar ik word een beetje chagrijnig en kribbig terwijl ik door mijn routine word geleid. Ryan gooit een rubberen mat op de namaakhouten vloer en zegt: ‘Tenen raken. Rechterknie naar boven, linkerbeen naar beneden, raak je rechtervoet aan met je linkerhand, en dan andersom. Doe dat twintig keer.’ Ik heb even nodig om de beweging voor me te zien, al heb ik dit al honderd keer eerder gedaan. Maar ik moet helemaal zeker zijn van mijn zaak omdat ik weet wat er vervolgens komt. Ik doe het één keer. Twee keer. Drie keer. En dan komt het. Ryan zegt: ‘Wie was de zestiende president van de Verenigde Staten?’ Ik grom, reik voorover om mijn linkerteen te grijpen. ‘Lincoln? Weet ik veel – ik ben Canadees.’ ‘Correct. Wat krijg je als je zeven plus twee aftrekt van drie keer drie?’ Hij gaat door mijn hele brein, door de gebieden waar ik informatie opsla. Ik aarzel en pak mijn linkerteen twee keer na elkaar. ‘Nul,’ grom ik. ‘Niks, nada.’

Terwijl we daarmee bezig zijn, legt hij met pylonnen, twee passen uit elkaar, een zigzagbaan uit. Ze staan over de hele lengte van de zaal. Ik sta voor de eerste, zoek mijn evenwicht, zet een grote stap en slalom mijn weg over de baan. Ik moet het langzaam en voorzichtig doen. Bij mijn tweede stap begint hij weer. ‘Noem de planeten in de juiste volgorde vanaf de zon.’ Met de inleidende ‘Mercurius, Venus, aarde, Mars’ ben ik gauw klaar, maar wat volgt er dan, Jupiter of Saturnus? ‘Jupiter?’ raad ik. ‘Goed,’ zegt Ryan. ‘Overstrek die knie niet. Laat hem los. Loop op je hiel. Vertraag je pas. Concentreer je.’ ‘Ik kan me niet concentreren,’ klaag ik. ‘Jij saboteert mij.’ Dan brul ik uit: ‘Saturnus, Uranus, Neptunus.’ Ik keer me om, mijn voet sleept tegen een pylon en gooit hem om. Bijna ga ik mee ten onder. ‘En soms Pluto.’ Ryan lacht en zegt: ‘Ik wed dat jij denkt: jij vraagt of ik al die helse dingen wil doen en ik kan niet eens voor een wc staan en er recht in pissen.’ ‘Ik kan tenminste nog staan,’ antwoord ik.

Na nog drie kwartier work-out – loopband, roeimachine en een reeks strekoefeningen die nog zijn goedgekeurd door de inquisiteur Torquemada – is de fysiotherapie van vandaag voorbij. We verzamelen onze spullen, doen onze jas aan en muts op en bereiden ons voor op de terugtocht, voornamelijk naar links deze keer, naar kantoor. Zelfs weggaan door de deur van de sportzaal wordt onderdeel van mijn therapie. Dat soort overgangen dwingt mijn geest tot nadenken – door deuropeningen gaan is altijd een uitdaging: waar kom ik vandaan en waar ga ik naartoe? Ik stel me er snel op in en loop dan stabiel verder. We kiezen ervoor de trap naar de hal te nemen in plaats van te wachten op de dienstlift. Het lijkt tegenintuïtief, maar ik klim makkelijker een trap op dan dat ik over een vlakke vloer loop. Mijn probleem is niet de kracht, het is de coördinatie. Traptreden zijn duidelijk in het visuele signaal dat ze afgeven. Ze schrijven voor hoe hoog ik mijn voet moet optillen en hoe ver voorwaarts en hoe vlak ik mijn voet moet neerzetten. De trapleuning kan trouwens ook geen kwaad.

Ryan blijft praten. ‘Weet je nog hoe je zat toen ik je voor de eerste keer ontmoette?’ ‘Weet ik niet meer… Op mijn kont?’ ‘Ja, maar je had één been op een voetenbankje en het andere stond op de grond tegen de hoek van de bank geduwd. Je had je ene arm de ene kant op uitgestrekt, de andere de andere kant. Om in evenwicht te blijven moest je contact houden met al die punten.’ ‘Zoals Ralph Macchio de kraanvogel doet in ‘The Karate Kid’.’ Ryan knikt. ‘Jij deed dat omdat je aandacht wilde besteden aan ons gesprek. De rest van ons hoeft zich helemaal geen zorgen te maken over wat ons lichaam aan het doen is terwijl we met mensen praten, maar jij moet er echt op focussen. Beweging kan heel erg afleidend zijn.’

We komen bij de zware deur van messing en glas in de hal. Hij houdt hem open en ik loop zonder aarzeling door de opening. ‘Oké,’ zegt Ryan, die achter me loopt. ‘Laten we de volgende stap langzaam doen. Stop. Zet je voeten neer. Denk eraan waar je naartoe gaat: een stukje omhoog tot de hoek, bocht, sta weer even stil. Tel je stappen.’ De felle zon weerkaatst op het beton, het middagverkeer rolt richting centrum en op de trottoirs is het niet heel erg druk. Ik knik, haal op yoga-achtige wijze adem en ik ben op weg. ‘Eén… twee… drie…’ Ryan telt hardop naast me, maar buiten mijn gezichtsveld. ‘Zes… zeven…’ Plotseling ben ik afgeleid. Heeft die vrouw nou een hond in haar handtas? Mijn linkerbeen raakt overstrekt en ik begin richting stoeptuintje tegen het gebouw aan te vallen. In een tel schiet Ryans arm naar me uit om me vast te pakken en te stabiliseren. Hij vangt me op onder een oksel en trekt me weer overeind.

Met een onverbiddelijke glimlach duwt hij me zacht vooruit. ‘Acht… negen… tien.’ Hij telt een beetje luider. Wat Ryan doet, is eenvoudig. Hij probeert mijn geest te leren een oefening te doen terwijl mijn lichaam iets heel anders doet. Ik moet nieuwe verbindingen leggen in mijn brein, nieuwe manieren vinden om woorden en daden in verschillende hokjes onder te brengen. Wat hij me feitelijk leert, is niet alleen hoe ik tegelijkertijd moet lopen en praten, maar hoe ik veilig over andere dingen kan nadenken terwijl ik me bewust blijf van de lichaamsbewegingen die mij van de ene naar de andere plaats brengen. Op een dag kan ik multitasken.

Michael J. Fox,'No Time Likethe Future', VoltBeeld Humo
Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234