'Zoals het een psychopaat betaamt' Dwarskijker over de dood van David Bowie, 'De kroongetuigen' en 'Den elfde van den elfde'

Canvas trekt zich, net als wijlen David Bowie, weinig aan van de gemiddelde smaak van de gemiddelde massa.


De dood van David Bowie

Canvas & NPO 1 – 11 januari

Ook aan onsterfelijkheid komt een end. Ik voelde me die maandag verdrietiger om de allerlaatste metamorfose van David Bowie dan mijn verstand me toestond. De beklemmende, bijna ondraaglijke clip van ‘Lazarus’, een prelude op de dood, maakte mij waarlijk wee, op het hulpeloze af: dat kille ziekenhuisbed, die vale tegelwanden – je waant je in een land waar de ziekenzorg te wensen overlaat en het verplegend personeel een taal spreekt die je niet begrijpt. De barre eenzaamheid van een roemloze finale in nachthemd. En dan die zwachtel om z’n hoofd, een blinddoek met twee knoopjes erop: verdofte kraaloogjes die al niets meer zien in afwachting van het vermoedelijke niets. Het grensgebied tussen zijn en niet-zijn, waar de schemer hand over hand toeneemt. De aders op zijn oud geworden handen. Die doodskist van een klerenkast. De blik van de camera strijkt even langs een suède pump. Van zijn geliefde? Of van de androgyne jongen die hij ooit was? De weemoed in die onvergetelijke zangstem: ‘Look up here, I’m in heaven’. Wie daar onbewogen bij blijft, is bij zijn leven al dood. Of een blije eikel.

Zoals menigeen maakte ik op maandag 11 januari 2016 vanaf acht uur ’s ochtends meer gebruik van oude en nieuwe media dan gewoonlijk. Ik liet me zelfs met sociaalnetwerksites en internetfora in: digitale latrines waar ik nog het liefst ver vandaan blijf. Ik ben zowel lid van het Analoge Genootschap als van de Liga voor het Behoud van Dodebomenmedia, Inzonderheid de Papieren Humo. Over twijfelachtige humor gesproken: in de digitale publieke ruimte doken al snel grappen op die tegen de steeds valser klinkende rouwzangen optornden. ‘Wat waren de laatste woorden van David Bowie?’ Antwoord: ‘Serge Simonart.’ Je kunt daar nu wel om lachen, maar bewijs maar eens glashard dat het niet waar is.

Tegen acht uur ’s avonds had ik al het gevoel dat er niets zinnigs meer aan het leven en de dood van David Bowie kon worden toegevoegd, wat me niet belette naar Canvas te kijken, de enige Vlaamse televisiezender die blijk geeft van liefde voor de kunsten. Eventjes een meninkje tussendoor: Canvas lijdt gelukkig niet aan cijferfetisjisme, trekt zich, net als wijlen David Bowie, weinig aan van de gemiddelde smaak van de gemiddelde massa, en is dan ook de enige niet-commerciële zender van het land, zelfs binnen de openbare omroep. Vandaar dat Canvas de enige televisiezender is die ik de moeite van het verdedigen waard vind, want reken maar dat alles van waarde steeds weerlozer is in een mediawereld die van cijferende marktwichelaars aaneenhangt. Zo, dat lucht op, wel twee hele seconden.

De Europese Commissie vindt dat België zich aan illegale staatssteun heeft bezondigd, en daarom 700 miljoen euro van 35 multinationals moet terugvorderen. Daarover moest professor Michel Maus in ‘Terzake’, dat opnieuw vóór bedtijd uitgezonden wordt, tekst en uitleg verschaffen aan onbevoegden. In het verblindende licht van de dood van David Bowie viel dat niet mee, maar professor Maus probeerde er niettemin een glimlachje bij aan te houden. Als hij op die manier examineert, dan is hij volgens mij de kwaadste niet. Maar laat ik het als de bliksem weer over David Bowie hebben, want ook mijn leven is te kort voor wat de Europese Commissie zoal beslist.

Ivo Van Hove, die ‘Lazarus’, de musical van David Bowie, in New York heeft geregisseerd, mocht vanuit zijn werkplek Amsterdam nog eens herhalen wat ik hem die dag in een keur aan media al vele keren had horen zeggen: dat David Bowie hem had toevertrouwd dat hij stervensziek was. Ivo Van Hove had dat aan niemand verteld, zelfs aan zijn levensgezel Jan Versweyveld niet, de decorontwerper. Wilde hij, door het publiekelijk over zijn discretie te hebben, en passant onderstrepen hoezeer hij deugde? Van Hove zei ook dat hij in de nacht dat Bowie stierf, nauwelijks een oog had dichtgedaan: ‘Alsof David rondspookte.’ Als de dood aan de man komt, zullen we allemaal wel denken dat er meer is tussen hemel en aarde.

Lia Van Bekhoven, correspondente in Londen, had in opdracht van ‘Terzake’ voor het geboortehuis van Bowie in de wijk Brixton postgevat, tussen bewonderaars en hun offer van bloemen, waxinelichtjes en knuffelbeesten uit de lagelonenlanden. Kathleen Cools wilde weten of Bowie, die in New York woonde, voor het volle pond een Engelsman was gebleven. ‘Ja, hoor,’ zei Lia Van Bekhoven op de montere toon die haar eigen is, ‘hier noemen ze hem the Brixton boy. Dat leek Kathleen Cools helemaal gerust te stellen. Hij was nog maar pas heen, of je moest je al afvragen waar het kosmopolitisme van Bowie, dat tot buiten de aardatmosfeer reikte, voor gediend heeft.

Tegen de tijd dat ‘De afspraak’ aanbrak, was de wereld er al van overtuigd dat David Bowie de beleving van zijn levenseinde, zowel in beeld als in geluid, tot zijn laatste snik had vormgegeven, en dat ‘Blackstar’ dan ook testamentair was, ingezongen in het wanhopige besef dat zijn dagen geteld waren. In ‘De afspraak’ maakten Paul Michiels, Piet Goddaer, de projectleider van Ozark Henry, en Johannes Verschaeve van The Van Jets hun opwachting: drie bewonderaars van David Bowie met wier loftuitingen ik eerder op de dag al in een keur van media had kennisgemaakt. Alleen Alex Carlier, één van de vele orakels uit het Waasland, wiens mening over Bowie mij ook al bekend was, werd dit keer over het hoofd gezien.

Op een bepaald moment leek Johannes Verschaeve van The Van Jets te beweren dat het daverende oeuvre van Bowie nog het meest op vernuftig jatwerk neerkwam, en dus op louter list en handigheid. Piet Goddaer sprak hem gelukkig tegen. ‘Zou David Bowie even groot geweest zijn zónder de figuur, met alleen maar de muziek?’ wilde Bart Schols om één of andere reden van zijn gasten weten. Zij keken hem steeds hologiger aan. Waar hangt Alex Carlier uit als je een orakel nodig hebt? En waarom waagden die drie zangers en muzikanten zich niet live aan songs van Bowie in dit programma, al was het maar om ons even aan zijn grandeur te herinneren?

‘De afspraak’ had Lauwke Vandendriessche naar Heddon Street in de Londense wijk Soho uitgestuurd, waar Brian Ward in 1972 de iconische hoesfoto van ‘The Rise and Fall of Ziggy Stardust and the Spiders from Mars’ had gemaakt. Ook daar liepen bewonderaars te hoop. Eén van hen zei dat het een wonder mocht heten dat David Bowie ondanks zijn druggebruik toch nog 69 was geworden. Zo had ik het nog niet bekeken, en zo wilde ik het ook niet bekijken.

Gelegenheidsprogramma’s naar aanleiding van iemands dood zijn nagenoeg altijd haastklussen en noodgevallen, maar de Bowie-special van ‘De wereld draait door’ verschilde niet veel van een reguliere uitzending van dit praatprogramma, al bleef de dwangmatige sneltreinvaart dit keer uit en was de toon over het algemeen sereen. Ook hier deed Ivo Van Hove zijn ooggetuigenverslag van de laatste gedaante van David Bowie, maar dit keer schoot hij er af en toe bij vol. Hij wees op de zin ‘You know, I’ll be free / Just like that bluebird / Now ain’t that just like me’, een sprankje hoop in ‘Lazarus’, in de vorm van een vluchtig vogeltje. Van Hove meende te weten dat David Bowie zijn tienerdochter Lexi niet alleen maar duisternis wilde nalaten. Mooi, maar hoe zou dat meisje naar haar vader kijken in de ademstokkende clip van ‘Lazarus’?

Matthijs van Nieuwkerk was de enige die ik die dag de vraag ‘Was zijn dood zelfgekozen?’ heb horen stellen, een vraag waarop een afdoend antwoord in de meeste gevallen uitblijft. Nu ook weer.

Op het gezicht van Leo Blokhuis, de beëdigde popkenner van ‘DWDD’, probeert immer een glimlach door te breken, ook als een situatie hem tot ernst noopt. Nu ook weer, maar zijn ogen verrieden deze keer oprechte ontroering toen het hem voor de camera’s ten volle daagde dat David Bowie, hoe onomkeerbaar ziek ook, zijn levenseinde soeverein in kunst had gerekt. Dat een gevorderde zestiger in extremis twee platen heeft gemaakt die er in de tijdgeest en het tijdsklimaat van nu nog toe doen, vond hij ook al wonderbaarlijk. En dat is het ook.

Ik schreef zo-even dat de sfeer tijdens de Bowie-special van ‘DWDD’ zo goed als sereen was. Net zolang tot Patricia Paay (67), een staalkaart van de hedendaagse cosmetische chirurgie, zich iets te hardop een internationaal liedjesfestival op Malta herinnerde, waar ze in 1969 net als David Bowie, toen nog Davy Jones uit Brixton, iets te zoeken had. ‘Hij wilde constant knuffelen,’ onthulde ze, en even later haalde ze ook een herinnering aan de toenmalige echtgenote van Davy Jones op: Angie, née Mary Angela Barnett, die mevrouw Paay naar verluidt in een triootje wilde betrekken. Daar had ze geen zin in, maar van rechttoe rechtaan neuken met Davy Jones was het dan weer wel gekomen, wat Angie daar ook van mocht vinden. Mevrouw Paay herinnerde zich ook dat ze de zenuwen kreeg toen Davy Jones in haar gezelschap op een Maltees strand voortdurend de woorden ‘Ground control to Major Tom’ voor zich uit liep te zingen. ‘Space Oddity’ was nog in wording toen. Matthijs van Nieuwkerk hoorde haar met een ongemakkelijke glimlach aan, waaruit ik opmaakte dat hij la Paay niet meteen geloofde, maar toch beleefd probeerde te blijven. Ineens was het de hoogste tijd om me tot een stuk in de nacht in het oeuvre van David Bowie te verliezen en, met bijgedachten aan ons aller dood, helemaal van streek te zijn. Catharsis.

Where is he now?

'Commerciële televisie valt sensatiezoekers liever niet lastig met kennis, want kennis kan zich per slot van rekening alleen maar tegen commerciële televisie keren.'


De kroongetuigen

VTM – 7 januari

Toen het Belgische volk nog volop Dutroux en zijn trawanten aan het uitzieken was, liep in het idyllische Molenbeek een zekere András Pándy tegen de lamp, een geestelijke van Hongaarse afkomst. Deze dominee, een man die bijgevolg met God wandelde, bleek in drie sinistere huizen nagenoeg zijn hele gezin in chemicaliën te hebben opgelost – prompt schiet me de titel van een leerzaam boekje uit mijn jongensjaren te binnen: ‘Scheikunde in het dagelijkse leven’. Tussen die moorden door vergreep de dominee zich aan zijn dochters, waardoor hij op den duur de vader van zijn kleinzoon was. Ga er maar aan staan. Voor de rest ontkende hij alles, zoals het een psychopaat betaamt.

Laat ik eerst een poosje walgen, om te zien of ik het nog kan, en vervolgens koppig voortschrijven, mogelijk met een verbeten trek om de mond: in ‘De kroongetuigen’, een programma dat, niet gehinderd door goede smaak, van waargebeurde misdaden een spektakel voor het ruime publiek maakt, zou ik de nagespeelde verhoren knap kunnen noemen. De naamloze acteur die Pándy neerzette, geleek wegens de slimme en kunstige beeldvoering en montage erg op het origineel. Extreme close-ups van het zware brilmontuur van Pándy, en van een deel van diens karakteristieke kapsel dat hij zelf leek bij te knippen: een dichte haardos die hem een morsig artistiek voorkomen gaf: ik zou hem casten als vervalser van iconen uit het vroegere Oostblok. Sommige shots zijn in dit programma gewild onscherp, wat klaarblijkelijk bijdraagt tot de maximale illusie. Tussendoor kregen we ook archiefbeelden van de ware Pándy te zien, terwijl hij gevankelijk werd weggeleid en in het voorbijgaan hardop over zijn onschuld loog. Ook de nagespeelde Agnes Pándy mocht er zijn, de gehersenspoelde domineesdochter die haar vader bijstond bij het zoekmaken van hun beider naaste familie, tot haar bloedeigen moeder toe. Ze zou volgens psychiaters ‘een symbiotische band’ met pappie hebben gehad; die twee zouden ‘een soort koppel’ hebben gevormd, maar – het komt in de beste families voor – ze praatte hem niettemin aan de galg. Het klapstuk van deze aflevering van ‘De kroongetuigen’, dat het VTM-nieuws al eerder op de week – komt dat zien! – als lekkermakertje had opgediend, bestond uit beelden van de echte reconstructie op de ware plaats delict. We zagen hoe Agnes Pándy koudweg, haast instructief, haar aanpak toelichtte: eerst de lijken van hun ingewanden ontdoen – ‘ontweien’ heet het onder jagers en slagers – en wat er van de lichamen overblijft aan een badkuip vol ontstoppingsmiddel toevertrouwen. De uiteindelijke drab moet dan de riool in, de weg van alle vlees. Zo deden de Pándy’s destijds hun naaste familie uitgeleide. François Monsieur, één van de betrokken speurders, zei dat hij haast moest overgeven toen hij Agnes Pándy aanhoorde. Niemand hoefde mijn verbazing te schetsen. Om enigszins met het braakwekkende onderwerp te contrasteren, had François, of meneer Monsieur zo u wilt, zich in een fleurige, zo goed als psychedelische bloes gestoken, waaraan men gewoonlijk de pensionado herkent die niet meer uit Benidorm is weg te branden. De plunje waarin je ginds aan een kroegtafel luidkeels over de Pándy’s vertelt, terwijl er op de tonen van Christoff een Vlaamse polonaise door het café slingert. ‘Heeft te veel verbeelding,’ stond er geregeld op mijn schoolrapport.

Ik wou steeds meer weten over de kronkels en de bedrading van Andras Pándy, maar ‘De kroongetuigen’ was, om de spektakelwaarde niet in het gedrang te brengen, natuurlijk zuinig met psychopathologische verklaringen en met duiding tout court. Commerciële televisie valt sensatiezoekers liever niet lastig met kennis, want kennis kan zich per slot van rekening alleen maar tegen commerciële televisie keren. Een speurder meende te weten dat Pándy ‘zich God waande’ en dus dacht dat hij over andermans leven en dood kon beschikken. Hoe en waarom zulke particuliere goddelijkheid ontstaat, daar had een leergierige zittenblijver als ik het raden naar. Pándy is ondertussen aan een slepende ziekte doodgegaan in de gevangenis, en zijn dochter Agnes, die zes jaar geleden vrijgekomen is, zou luidens dit programma ergens in Vlaanderen een teruggetrokken bestaan leiden. Het zal me benieuwen of deze aflevering van ‘De kroongetuigen’ de populariteit van Agnes Pándy zal aanwakkeren, ergens in Vlaanderen.

Ach, laat ik het dodelijke levenswerk van de Pándy’s vooral grondig vergeten. En met een brok in de keel aan de aardse engel David Bowie denken, en aan alles wat nooit voorbij zou gaan mocht ik – God verhoede – God zijn.


Den elfde van den elfde

Eén – 10 januari

Het schijnt mij toe dat sommige Vlamingen zich Vlaanderen nog het liefst als boerenland voorstellen, ook al is het dan één van de meest geïndustrialiseerde en dichtst bevolkte gebieden ter wereld. In Kerke, het onbestaande gehucht waar de serie ‘Den elfde van den elfde’ zich afspeelt, zie ik het soort vertes zonder perspectief die ik – grote genade! – ruim 45 jaar geleden in het echt waarnam, vertes die niet wenken. Ze waren destijds een goede reden om me af te vragen: ‘Hoelang moet ik het hier nog uitzingen?’ Als ik al eens terugkeer naar het dorp van mijn jeugd, om er een tijdje naar het graf van mijn ouders te staren, merk ik dat de vertes zonder perspectief inmiddels zijn volgebouwd: niets dan nieuwe, inlelijke, karakterloze, met de omgeving en met elkaar vloekende gezinswoningen, waarvan de architect liever anoniem wenst te blijven. In dat dorp heb ik voorts het gevoel dat een nachtwinkel er niet meer te vermijden is. Ziedaar de hedendaagse binnenlanden van Vlaanderen.

In Kerke lijkt de uitvinding van het wiel nog vers in het geheugen te liggen. Ik zou er nergens op wifi rekenen, noch op een goed mobiel bereik. Een asielzoekerscentrum is er vast ook niet te vinden. Kerke heet drie dagen per jaar Knorrendonk, als het carnaval er losbrandt: een driest feest waaraan alle Kerkenaren, maar nog het meest de Geuningsen, hun hart hebben verpand. De Geuningsen zijn een familie van varkensboeren, van wie er sommigen ook anderszins goed in het vlees zitten. Hubert Geunings (Jan Decleir), de pater familias, is al sinds mensenheugenis de onbetwiste Prins Carnaval, maar een lichte hartaanval brengt daar verandering in en zwengelt in één moeite door ‘Den elfde van den elfde’ dramatisch aan. Ineens bleken er veel gegadigden te zijn om voor prins te spelen, ook binnen het stamverband van de Geuningsen. Al uit de eerste aflevering van deze serie konden we opmaken dat de gestage desintegratie van een familie in het verschiet lag – familiebanden worden wurgtouwen. Het zag er ook naar uit dat de hele dorpsgemeenschap stap voor stap in het ongerede zou geraken, met een dantesk carnaval als klapstuk. Er is, als het op drama aankomt, geen mens die deugt. Enkele dorpers die de titel van Prins Carnaval ambieerden en kennelijk niet vies waren van chantage, hielden iets kwalijks over Pol Driesen (Peter De Graef), huisarts en voorzitter van de Prinsencommissie, achter de hand, iets waar hij zich telkens weer tijdens het carnaval aan zou bezondigen.

De sfeer van ‘Den elfde van den elfde’ was over het algemeen druilerig en de humor veeleer accidenteel – bijna elk interieur was gewild onaantrekkelijk, nagenoeg benauwend. Uit dat erg nadrukkelijke en drukkende huiskamerrealisme barstte zo nu en dan een surreëel zang- en dansnummer te voorschijn dat – zo las ik – de gemoedsgesteltenis van de personages moest illustreren: beetje Ensor, beetje Fellini, beetje droom tijdens dutje na een te zwaar zondagsmaal. Dat procedé deed uiteraard aan de prachtserie ‘The Singing Detective’ (1986) denken, het meesterwerk van Dennis Potter, en ook wel aan het goeie ouwe Verfremdungseffekt waar Brechtianen het nog weleens over hebben in theatercafés rond sluitingstijd. In ieder geval waren die uitmiddelpuntige scènes, die licht en kleurrijk waren, een soort luchtgaten in deze serie. Alsof de makers zo nu en dan een raam opengooiden.

Na twee afleveringen ga ik nog steeds niet helemaal op in ‘Den elfde van den elfde‘, maar daar kan volgende week al verandering in komen: de cast is niet min, en ik blijf op verrassingen hopen. Ik neem me voor hier later nog op terug te komen.

Voor het overige ben ik van mening dat ‘Bevergem’ inzake de exploitatie van Vlaamse zeden en gewoontes ‘Den elfde van den elfde’ vóór is geweest.

Rudy Vandendaele

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234