Zonnige groeten uit België (2): ansichtkaarten van de Ardennen

Welk beeld krijgt een toerist van ons land als hij naar onze ansichtkaarten kijkt? Vorige week kon u al lezen hoe we aan de Belgische kust op onderzoek gingen. Deze week draaien we aan de kaartenmolentjes in de Ardennen.


Lees ook deel 1: de kaartjes van de kust »

'De afbeelding is bijzaak, zo'n kaartje wil alleen vertellen: beste bestemme ling, ik heb aan u gedacht'

Wie Spa zegt, zegt spuitwater. En wie de stad binnenrijdt, ziet al op de eerste rotonde het gekende beeld van het mannetje in pierrotkostuum dat haasje-over springt. De terrassen in het centrum herbergen wielertoeristen, ze steken de koersschoenen onder de tafels, de helm naast een kelk trappist. In het park met platanen wacht de kermis met gesloten luiken op de namiddag. De merels fluiten in het bladerdak.

Het eerste postkaartenmolentje staat op de stoep bij een krantenwinkel. De meeste ansichtkaarten zijn rechttoe rechtaan: één foto met één simpel opschrift: ‘Un bonjour de Spa.’ Daarnaast hangen retrokaarten met reproducties van affiches van honderd jaar geleden. Een postkoets houdt halt en vrouwen met een sluierhoed wandelen ter wille van hun gezondheid langs priëlen. Auto’s heetten toen nog automobielen, racewagens waren bolides en snelheidsduivels trotseerden de stoffige zandwegen met een sjaal voor de mond. Een voetganger kon toen nog schielijk doodgaan omdat hij nog nooit van een auto had gehoord.

Spa wordt op enkele kaarten ‘De parel van de Ardennen’ genoemd. Dat komt uit een tijd dat bronwater en champagne nog gewoon parelden, en niemand het gruwelijke ‘bubbels’ over zijn lippen kreeg.

Vlak bij Spa ligt het circuit van Francorchamps, maar daarvan bestaan slechts enkele kaarten. Krantenverkoper René weet waarom. ‘Die omloop is auteursrechtelijk beschermd. Net zoals bij het Atomium moet je voor elke weergave portretrechten betalen.’ Op de zeldzame kaartjes van het circuit zijn geen racewagens te zien omdat de automerken óók royalties vragen. ‘Dat is iets van de laatste tien jaar. Vroeger kon dat allemaal probleemloos.’

Een vrachtwagen met ellenlange boomstammen schuift behoedzaam door het centrum. René groet elke voorbijganger met een bonjour. Een dame met wandelstok recht de rug. ‘Ik ben nog altijd in leven,’ zegt ze. ‘Dat kan ik zien,’ zegt René. ‘En ach, 83, nog 17 jaar en je bent er. Accrochez-vous!’

René is niet blij met wat de uitgevers aanbieden. ‘Vroeger was het aanbod heel divers, met wel dertig verschillende zichten. Toen dachten ze: met welke pittoreske hoekjes van Spa kunnen we nóg meer kaarten verkopen? Nu denken ze: welke locaties van dertig jaar geleden zien er nog ongeveer hetzelfde uit, zodat we ze goedkoop kunnen herdrukken? En zo blijven er nog maar acht kaarten over van Spa.’

Jammer voor een stad met zo’n geschiedenis. Het casino is één van de oudste ter wereld en het Engelse woord spa (voor kuuroord) is van het Belgische Spa afgeleid. Op de uitvalsweg dankt een ijzeren bord mij in vier talen voor Mijn Bezoek.


trots op molshoop

Buiten Spa kruis ik een karavaan motorrijders. De snorren, de bandana’s, de spits toelopende zonnebrillen én de armen in een wijde greep naar de handvatten, ‘Easy Rider’ op de N62. De weg loopt langs de omloop van Francorchamps, het terrein van een fantastische jeugdherinnering. We waren 15 jaar, droegen een korte broek en vanuit ons KSA-kamp elders in de Ardennen waren we hier al liftend geraakt. ’s Nachts waren we door de bossen tot op het circuit geraakt. De piloten reden nog oefenrondjes voor de ‘24 uur van Spa’ en wij zouden gaan slapen op de strobalen in een bocht. Natuurlijk kwam daar niks van in huis met dat geraas, maar allemaal zouden we nog ons hele leven dat verhaal vertellen. Overdag zijn we zelfs op de tribunes geraakt en hebben we de start gezien. Jongensavonturen in de Ardennen, die sentimental journey zal ik niet kunnen ontwijken.

In Malmedy heeft krantenwinkel Kuetgen een kaart met een luchtfoto van de Signal de Botrange. Met zijn 694 meter het hoogste punt van België. Aan Zwitsers heb ik ooit uitgelegd hoe trots wij zijn op die molshoop. Op die 694 meter hebben we immers een restaurant, een souvenirshop én een uitkijk. Ja, tóén begrepen ze hoe láág België wel was.

Op de ansichtkaart lijkt de Botrange allerminst op tot wat hij vandaag verworden is, met zijn megaparking en verkeersknooppunt. Uitbater Georges zegt dat de uitgeverij nog altijd dezelfde kaarten aanbiedt van toen hij de winkel begon, twintig jaar geleden. En die landelijke Botrange op de Hoge Venen zal dit jaar nog veel meer van uitzicht veranderen. Er komt een 40 meter hoge telecomtoren, op aandringen van de beurzen van Londen en Frankfurt. ‘De Botrange ligt pal op de route Londen-Frankfurt. Als de beurzen hun verrichtingen via torens kunnen doorseinen, winnen ze een halve seconde tegenover de ondergrondse datakabels.’ Die halve seconde blijkt voor speculerende flitshandelaars, die aandelen kopen en weer verkopen binnen één seconde, algauw een verschil van honderden miljoenen euro te kunnen betekenen. ‘De burgemeester van Waimes heeft het slim gespeeld. De telecomoperatoren mogen die toren bouwen in ruil voor een moderne toeristische uitbouw van de Botrange.’


De Provence in België

Straks scheren miljoenen aandelen met een rotvaart over de zompige venen, terwijl hier nu nog winterlandschappen te koop zijn met langlaufers in oubollige winterkleren. De kaartjes zijn bestoft en gekreukt. Ik wil ze betalen, maar ik krijg ze gratis mee. Wat een verschil met de kust, daar moest ik voor elk stuk verlept karton altíjd de volle prijs betalen.

Er zijn wel meer verschillen tussen de twee streken. Waar de ansichtkaartjes van de kust gevuld zijn met vakantiegangers, zie je op de Ardennenzichten haast geen levende ziel, hoogstens enkele langlaufers of een eenzame vliegvisser. De Ardennen, dat is rust en groen, en dus hebben de ansichten een overaanbod aan bossen, boswegen, rivieren, balken over rivieren, ruwhouten zitbanken met panorama, en natuurlijk paddenstoelen en herfstkleuren.

Er passeert een bejaarde op een scooter die bij het remmen een tsjirpend geluid maakt. Wanneer hij weg is, is het geluid er nog steeds. Het blijkt afkomstig van een promomarkt voor vakanties in het zuiden van Frankrijk, met lavendel en een geluidsbandje van tsjirpende krekels. Je bent in Malmedy, maar je zou eigenlijk in Aix-en-Provence moeten zijn. Zo maken ze dat in een mensenhoofd aldoor onrustig koffers worden gepakt.

In Malmedy vergeet ik de grote abdijkerk te bezoeken, die stond op een ansicht. Nu rest me bij het wegrijden alleen het stapvoets en filegewijs aanschouwen van Friterie Chantale, Lidl en Hubo.


Sankt Fritt

Op de gemaaide weilanden langs de weg naar Sankt Vith liggen de verpakte hooibalen, grote witte capsules in het groen. Elders grazen koeien in de zon, het is een opgewekt landschap, het kan zo op een pakje hoeveboter.

Bij het eerste terras in Sankt Vith worden motoren gestald en hijsen midlifers zich moeizaam uit het zadel. Een lederpak is stoer, maar ook weinig buigzaam. Dit is Duitstalig België met Hotel Zur Post, Café Ratskeller, en een Unic-winkel waar ze geen asperges maar Spargelspitzen verkopen. Als bewijs dat de Oostkantons echt Belgisch zijn, heet de frituur Sankt Fritt.

Van de krantenwinkels en papierhandels – vier in totaal! – is er slechts één die postkaarten verkoopt. Vijf stuks zijn het, en drie daarvan tonen niet eens Sankt Vith. Het dieptepunt op m’n reis. Ik zou bij de dienst voor Toerisme kunnen gaan, maar principieel koop ik daar niet: postkaarten moet je bij de reguliere handel vinden, en niet bij instanties waarvan de openingsuren variëren naargelang het seizoen.

'De verkoopster vindt het gênant om te zeggen, maar de bestverkopende kaarten zijn de condoleancekaarten bij sterfgevallen'

Ik doe nog één poging. Wetend dat sommige kerken postkaarten hebben, betreed ik de grote Sint-Vituskerk. Wat hier allemaal te vinden is! Zang- en misboeken natuurlijk, maar ook religieuze folders (gratis!), een doos met verloren voorwerpen (geruite pet en sjaal), nog een kartonnen doos waarin je postzegels kunt doneren (‘voor de missiewerken’) en een uitstalraam met spirituele wenskaarten en godsdienstige boeken. Maar ook een informatiepaneel over het gruwelijke geallieerde bombardement op 23 december 1944 dat de stad compleet verwoestte (153 doden), en terwijl ik dat sta te lezen zie ik het altaar voor Sint-Vitus (beschermheilige tegen zenuwaandoeningen): voor zijn beeltenis liggen postkaarten van de kerk. Godzijdank! Toch nog één kaart van Sankt Vith; die 25 cent stop ik met plezier in het offerblok. Een ketter zonder besef van hel en vagevuur kan natuurlijk het hele pakje gratis mitnehmen.


Magnum La Chouffe

De N62 kent amper verkeer langs Beho en Gouvy. De hagen hebben meidoorn, de weilanden hebben paardenbloemen, de bosranden hun schaduw, en de blauwe lucht een ijle buizerd. Een landschap dat plots hartzeer brengt omdat ik hier heel lang niet geweest ben, en omdat hier ooit een meisje in m’n hart is geweest. Landschappen weten zelf niet eens hoe moeiteloos ze onze herinneringen bewaren.

De dag schuift op, het strijklicht valt op Cherain en op zijn hoekige kerkhof waar de Christus aan het kruis zijn linkerarm mist. Houffalize is charmant. Een brug over de Ourthe en de seringen bloeiend naast het water. In de tabak- en souvenirzaak kunnen hoogstens drie klanten staan. De dochter gerieft, de moeder zit in een zijkamer op één meter van het televisiescherm. Vroeger waren hier twee winkels in één: in de andere helft verkocht men gedroogde ham en worst. Die zaak is niet meer. De neon zit nog tegen het venster, maar het rode licht, zo eigen aan vleeshandels, brandt niet meer.

Twee ansichtkaartjes hebben het opschrift: Une Pensée de Houffalize. De viooltjes en de legertank uit 1944 zijn bijzaak. Het enige wat zo’n kaartje wil vertellen is: beste bestemmeling, ik heb aan u gedacht. Dat is toch schoon.

Eén prentkaart is een exemplaar uit de jaren 70. Acht jeugdbewegingjongens zijn op tocht door een bos. Hun rugzakken hebben nog zo’n aluminium draagstel. Ze komen uit een tijd waarin kamperende scouts nog niet het tv-journaal haalden met hun buikloop en evenmin beslisten om dan maar huiswaarts te keren. Er is geen onbezorgd suizen meer van de lamp op campinggas. Er is overbezorgdheid en er zijn bellende ouders, de angstlijnen in hun hand.

Houten wandelstokken zijn hier ook te koop. Evenals de lichtmetalen souvenirschildjes met het wapen van Houffalize. Die schildjes spijkerde je op die stok om te tonen op welke boeiende plaatsen je allemaal had gewandeld. Dat soort wandelaars sterft uit, net als de ringbaarden die ze droegen.

Ik stel veel vragen uit sympathie voor hun relicten, maar ik kom allicht als te nieuwsgierig over, want er volgen alleen beleefde antwoorden. Om af te ronden vraag ik de dochter naar haar favoriete plek in de buurt. Dat is het dorp Achouffe, zegt ze, met de brouwerij en de vele terrassen. Helaas heeft ze daarvan geen postkaart. En zo stap ik buiten en het is niet te geloven, maar honderd meter verder staat zomaar een magnumfles La Chouffe op de stoep. Natuurlijk ben ik achterdochtig, de fles kan hervuld zijn met pis of zeepsop, maar de kroonkurk is zo gaaf, dit moet anderhalve liter bier zijn. Ik ben genoeg straatjutter om de fles (winkelwaarde 14 euro) niet te laten staan, en evengoed moet ik het toeval genegen zijn dat dit souvenir in mijn handen stopt.


Nuts City

In Bastogne is het een drukke vrijdagavond, het centrum vol auto’s van shoppers en dagtrippers. Ik ken Bastogne alleen als stad in voormalig oorlogsgebied die ze vanuit de hele wereld komen bezoeken. Op de Place Général McAuliffe staat de grote Shermantank uit de Slag om de Ardennen. Een jongen met kaki pet zit in de geschutskoepel en bedient geestdriftig het vastgeklonken machinegeweer. De moeder kijkt vertederd toe. De knaap wijst de troepen voorwaarts zoals officieren dat doen, en balt ook een vuist naar een onzichtbare vijand. Het is een oorlogsfilm met een kind in de hoofdrol.

De betere boek- en papierhandel heeft alleen de duurdere glossy kaarten van 1,2 euro. De krantenwinkel bij de kerk heeft wel de gewone ansichtkaarten. De uitbater is verbaasd, hij nam de winkel een half jaar geleden over, ik ben de eerste die naar prentkaarten van Bastogne vraagt. Op de kaarten wordt Bastogne ‘Nuts City’ genoemd. Toen de Amerikanen in 1944, helemaal omsingeld, een voorstel kregen van de Duitsers om zich over te geven, antwoordde generaal McAuliffe met een tegenbericht waarin slechts één woord stond: ‘Nuts!’ Engels voor ‘getikt’. Zeventig jaar later heeft Bastogne een jaarlijks notenfeest dat om wal- en hazelnoten draait. De oorlog is een pot Nutella geworden.

Het wordt avond. De ontvelde boomstammen liggen tegen het duistere bos en dan komt Jackson Browne uit de autoradio. Hij zingt ‘Song for Adam’, over twee schoolvrienden die elkaar jaren uit het oog zijn verloren, tot de ene het nieuws krijgt dat z’n jeugdvriend naar de dood is gesprongen. Die weemoed past bij de Ardennen. De kust is de zomer, de Ardennen zijn de herfst van het leven.


Tussen korhoen en kitsch

Durbuy maakt zich los uit de ochtendnevel. De terrassen zijn nog leeg, mussen tsjilpen in de vroegte. Volgens de overlevering is Durbuy de kleinste stad ter wereld. Het heeft een kasteel, smalle straatjes, grote platanen en een onvermijdelijke hengelaar in de stromende Ourthe. Un instant! De uitbater van Le Petit Bazar wil gauw nog alles op de stoep zetten: de zomerhoedjes, het grote rek met rinkelende koffiemokken, de zonnebrillen, de vlindernetjes en de badmintonsets. Dan komen de molens met de postkaarten, met dat lichte gerammel over de voegen in de straatstenen, dat hoort erbij. De kaarten hebben een wereldbol en een rooie pijl die aangeeft waar de speldenprik Durbuy gelegen is.

Moeder en zoon houden de winkel al dertig jaar: ‘De verkoop van ansichtkaarten gaat fel achteruit. We verkopen nu nog 10 procent van onze omzet in de jaren 80.’ Zij herinnert zich hoe ze vroeger op onze nationale feestdag duizend kaarten verkocht. ‘Nu koopt men de kaarten per één of twee, toen met tien tegelijk. De mensen zaten langdurig op de terrassen te schrijven.’

Ze is fier dat ze nog de échte sneeuwbollen heeft van Durbuy, dus met een glazen bol en geen namaak in plastic. Die laat ze zelf maken, ze moet er minimaal 1.400 bestellen. Die raken in twee jaar verkocht, het is haar beste souvenirartikel. ‘Weet u, iedereen verkoopt stijlvolle gadgets en design, maar waar vind je tegenwoordig nog kitsch? Bij mij!’ zegt ze, en dat is de logica achter het succes.

Op de kaartjes is een uitgebreide Ardeense fauna voorhanden. Het mannetjeshert, de hinde, het hertenjong, het damhert, het everzwijn, het everjong, de vos, het vossenjong. Alle beesten zijn voorradig zoals in een kwartetspel. Ook aanwezig: de Ardeense eekhoorn. Die zit altijd overbelicht op een boomtak en in een houding die sterk aan een opgezette pluimstaart doet denken. Op één enkele kaart figureert ook nog het korhoen, een sierlijke vogel die ook in de natuur zeldzaam wordt. Bijna elk jaar sterven ze net niet uit. Een jager of zelfs maar een glimp van een jachthoorn is op geen enkele kaart te zien, terwijl in Wallonië officieel 18.500 jagers geregistreerd staan.

Ook koeien of schapen figureren niet op deze ansichten, terwijl de wandelaar ze veelvuldig zal tegenkomen. Maar zo is het nu eenmaal: een beest dat melk of wol geeft, kan helaas niet met vakantie en vrije tijd worden geassocieerd.

Aan de kust was de kaartenverkoop tanend. In de Ardennen hoor ik hetzelfde. De man van de krantenwinkel in Spa zei dat hij er vroeger 20.000 per jaar verkocht. Wat hij nu verkocht, durfde hij niet eens te zeggen. De Ardennen hebben ook altijd tentenkampen van jeugdbewegingen gehad. ‘Dat waren in de zomer vaste afnemers met 50 à 60 kaarten per kamp, maar ook dat is gedaan.’ De grote spelbreker is de smartphone, zegt iedereen, en soms gaat het heel brutaal. ‘Ze fotograferen een kaart op het molentje en die foto versturen ze met hun gsm!’

Er is ook kritiek op de klassieke uitgevers. Bestellingen worden te laat geleverd, nieuwe kaarten worden niet gemaakt. Wil de handelaar toch nieuwe ansichten, dan moet hij beloven om ineens een paar duizend kaarten af te nemen, een onmogelijke opdracht.


Duitse inbreker

Ik betwijfel of deze vorm van slow sending nog een lang leven beschoren is. Zelf heb ik een vorm van loyaliteit tegenover die kaarten. Mijn grootvader langs vaderskant fotografeerde en maakte prentkaarten van Deurne-Noord. Mijn grootvader langs moederskant was postmeester van het Kempense dorp Tielen. De post was deel van het woonhuis en met Kerst mochten we mee de bergen wenskaarten helpen afstempelen. Zowel de adreszijde als de voorkant van de ansicht zitten dus in mijn familie.

Ik herinner me ook dat we als kind postbode speelden; we schoven allerlei prentkaarten van de veranda naar de woonkamer, onder de kier van de deur. Dat waren kaarten van familieleden en verre voorouders. Ik zag die kaarten deze week terug in bewaaralbums van m’n vader. Er zijn hele oude bij, zelfs eentje uit 1903, met een prachtige zwarte stoomlocomotief voor de witte Matterhorn; er komt geel lamplicht uit de passagiersraampjes.

'Waar vind je tegenwoordig nog kitsch? Bij mij! Dat is de logica achter mijn succes'

Maar ik heb ook lelijke dingen meegemaakt met postkaarten. In 1976 had ik een Duitse lifter logies gegeven bij ons thuis. De week erna kwam een kaart van hem uit Amsterdam, Viele Grüsse von Klaus, en nog eens een maand later kwam diezelfde Klaus inbreken terwijl zijn kaart met kleefband nog aan de schouw hing! Mijn broer was alleen thuis en moest op de loop, Klaus dreigde hem overhoop te schieten. Nooit is een spoor van hem gevonden. De postkaart is door de politie in beslag genomen.

De waanzinnigste kaarten heb ik naar mijn moeder gestuurd toen ze ver in de 80 was en alleen in een rusthuis zat. Om niet in gemeenplaatsen te vervallen, verzon ik calamiteiten die ons gezin waren overkomen (helikopterreddingen na ski-ongevallen, aangespoelde walvissen die deuken in de auto hadden gemaakt) om dan haar laconieke commentaar te aanhoren dat mijn geschrift weer zo slordig was geweest.

Postkaarten moet je hoe dan ook bewaren. Alleen al om vijftig jaar later je kindergeschrift nog eens te zien, of om de weersbeschrijvingen te lezen van afzenders die intussen allang dood en begraven zijn. De vergankelijkheid van zon, regen, uitroeptekens en mensenlevens.


Hulpeloze koffiezet

Kaarten met bloot en dubbelzinnigheden vond ik overal aan de kust, hier zijn ze onbestaande. In La Roche vind ik wel een ‘ludiek’ kaartje van een Ardeens landschap bevolkt door everzwijnen met een rugzak, een jager met een rode neus van de drank, en een visser met een lodderoog. Humor op grootvaders wijze.

Tegenover het Musée de la Bataille des Ardennes is een winkel van huishoudwaren, zaklampen en souvenirs. Die moeten ook postkaarten hebben, en dat is zo, maar ze zitten in een kartonnen doos. De winkeleigenaar zet ze niet meer op het rek. Het is niet meer rendabel en het aanbod is compleet verschraald. Toerisme is één van de grootste en snelstgroeiende industrieën ter wereld, maar dat voelen ze hier niet. ‘Het toerisme is alleen maar achteruitgegaan. De verzilverde lepeltjes, de sierzakmessen en de bedrukte vingerhoeden worden alleen nog door een oud cliënteel gekocht en dat sterft uit. Tot twintig jaar geleden waren hier winkels die puur van de souvenirs konden leven, maar die tijd is voorbij. Wie brengt er nu nog souvenirs mee van vakantie voor ouders, ooms en tantes?’

Maar ook de jonge tweeverdieners die in de straat wonen, hebben nog nooit iets van huishoudgerei gekocht in hun winkel. ‘Wel komen ze hier ’s avonds hun online bestelling van de pakjeskoeriers ophalen.’

De strijkijzers, broodroosters en koffiezetten kijken hulpeloos toe. Altijd maar minder omzet, en dat al vijftien jaar aan een stuk. Het is de nieuwe bataille van de Ardennen. ‘Vroeger begon je een winkel en die behield je veertig jaar. Wie nu een winkel begint, moet jaar na jaar zien of hij z’n kop boven water houdt. Je brood verdienen is er niet meer bij. Je mag blij zijn als je je facturen kunt betalen.’


Mein Kampf

In Libramont hebben de krantenwinkels alleen nog wenskaarten, naar ansichtkaarten is geen vraag meer. Wat had ik hier graag een ansicht gekocht, en dan liefst van het grote station. Op woensdagmiddag wachten hier scholieren op hun verbinding, in 1966 kwam ik hier ’s morgens aan met een zwaar omzwachtelde arm. Op kamp was ik uit een hoge dennenboom gevallen. De volgende morgen was die arm zo gezwollen dat de pater-proost me met de trein naar Libramont bracht, naar het hospitaal. De arm was gebroken, er ging een gips rond waar alle handtekeningen van de leiders op kwamen: zo keerde ik fier als een gieter naar huis terug van mijn eerste kamp. Ons jonge leven had op dat kamp al aan een zijden draadje gehangen. Op een tweedaagse tocht hadden we een ‘binnenweg’ genomen langs een spoorweg. Later bleek dat de drukke lijn Namen-Aarlen te zijn. Treinen kwamen fluitend aanrazen, wij legden ons plat naast het spoorgrind om niet meegesleurd te worden. We konden niet weg, er was een te steile rotstalud aan beide kanten. Wij waren 13, durvers en ons van geen kwaad bewust, maar wat moeten we die treinbestuurders angst hebben aangejaagd. Dat waren nog eens kampen. Zotte kampen waar je ’s nachts een dronken hoofdleider al eens ‘Mein Kampf’ hoorde roepen. Allemaal gedachten die hier nu vertrekken vanuit het station van Libramont.

In Bouillon steekt een kasteel met wimpels hoog boven de huizen uit. Een verkoopster vindt het gênant om te zeggen, ‘maar de bestverkopende kaarten zijn de condoleancekaarten bij sterfgevallen.’ Ze heeft ook kaartjes met Godfried van Bouillon erop, de uitvinder van OXO, zoals hij bekendstond in de wandelgangen van onze lagere school. Op de smalle toegangsweg naar de kasteelpoort is een stormloop van opgewonden schoolkinderen aan de gang. Ridders en middeleeuwen, dat blijft een gedroomde excursie. En ze gedragen zich in stijl: ze meppen elkaar met opgerolde programmaboekjes en één begeleider heeft een kopertrompetje om de bengels tot de orde te blazen. Ter zake: het kasteelwinkeltje heeft een serie van negen postkaarten, zeven zijn niet voorradig.

Terugwandelend kom ik langs Ciné Bouillon. Zo’n ouwige cinema met op woensdag een matinee, en een stille zijstraat waar de gedempte muziek en gesmoorde dialogen door de bioscoopmuren naar buiten dringen. Cinema Paradiso aan de Semois.

Han-sur-Lesse is het dorp van de grotten en van het wildpark. Het entreegebouw heeft een souvenirshop met veel postkaarten. Van de druipstenen en ook van de dieren in het park: beer, wasbeer, hert, lynx en wolf. Voor die laatste is veel plaats ingeruimd: er zijn wolven in pluche, op bankbriefjes, koffiemokken en placemats. De verkoopster zegt dat de wolf héél populair is. De echte wolf is hier in november 2016 gesignaleerd, in Masbourg, op 14 kilometer van Han.

In de straat met de grote terrassen is ook nog een souvenirwinkel. Die is gesloten, maar voor een journalist die van ver komt, wil de uitbater het licht aansteken. Hij heeft postkaarten en ook een schap vol wolven. Huilende wolven, rustende wolven, en wolven met welpen, allemaal in kunsthars, het nieuwe plaaster van de souvenirindustrie. Han krijgt nog veel toeloop, zegt hij. In 2017 heeft Han zijn honderd jaar gevierd, die eeuw bracht meer dan 30 miljoen bezoekers. De man is er geboren, en zelfs vanuit Han gingen ze op schoolreis naar de grotten. Als student heeft hij er vakantiewerk gedaan, de toeristen werden toen nog over de ondergrondse Lesse geroeid. De ene boot na de andere, en dat van ’s morgens 9 uur tot ’s avonds half 7. ‘Op het meer riep de gids ‘echo!’ en dan kwam er een echo terug. Tegelijk was dat het sein voor een verborgen medewerker om een kanonschot af te vuren.’ Een véél luidere echo en iedereen schrikken en gillen natuurlijk. Dat was een vaste job, kanonnier zijn: een hele dag poeder verversen, oren dichtstoppen en knallen. Sinds enkele jaren is dat kanon vervangen door een knop en een digitaal geluidseffect.


Waterval en Coo

Ik hou van de Ardennen omdat ze nog de belofte inhouden van wegen waar amper iemand komt. Dat heb je niet aan de kust. Zoals hier op de N888. Het gras groeit tot tegen het asfalt, het wegdek is op tientallen plaatsen gedempt en opgelapt: dit is een weg met karakter. Onderweg staan vakwerkhuizen met meterslange houtstapels tegen de gevel, precies zoals op de postkaarten.

Créanet in Vielsalm is zo’n papierhandel die ook lampen, deurmatten, borstels en behangpapier verkoopt, én Humo. ‘We hebben habitués die ’m elke week komen kopen.’ Zulke ‘alleswinkels’ verdwijnen stilaan, maar ze zijn typerend voor de Ardennen. Een heel schap is ingeruimd voor de Rode Duivels met serpentines, vilthoedjes en pruiken. En er is een molen met ansichtkaarten, maar ook hier kijken ze bedenkelijk. Kaarten verkopen nog amper omdat Vielsalm nog weinig wordt bezocht. De bosklassen blijven in de bossen, de gezinnen blijven in hun Center Parcs, en de campings in de buurt dunnen uit.

Mijn laatste stop is Coo met de beroemde watervallen die jaarlijks nog honderdduizenden bezoekers trekken. Ondanks die faam is er nergens een zaak die postkaarten verkoopt. De waterval op de Amblève is slechts 15 meter hoog en het zicht wordt gedeeltelijk geprivatiseerd door het pretpark PlopsaCoo, maar het is hoe dan ook een waterval. Het water botst op rotsen, spat omhoog in spleten, vormt nevelsluiers, produceert geraas en zelfs licht gebulder. Dat water valt hier al minstens 500 jaar. Je kijkt naar een waterval omdat ie nooit stopt. Een soort perpetuum mobile. Ons leven stroomt voorbij, het water kent geen ophouden.

In het avondlijke Stavelot heeft de tandarts een verlichte kies in zijn voortuin.

België is een wonder.

Ons land is een postkaart groot.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234