Zwarte kerst: zestig jaar geleden stortte de mergelgrot van Zichen-Zussen-Bolder in

Diep in de ondergrond van het Limburgse Zichen-Zussen-Bolder liggen elf mensen bedolven. En dat al zestig jaar. Ze zijn het stoffelijk overschot van een ramp in een mergelgrot. Tijdens hun werk in een ondergrondse champignonkwekerij stortte de berg in. Zeventig arbeiders konden ontkomen, achttien lieten het leven. Elf zijn nooit teruggevonden. Het was twee dagen voor de kerst van 1958. ‘Duizend keer ben ik in gedachten door die berg gegaan: wáár ligt mijn broer?’

'In de oorlog waren de mensen er nog gaan schuilen. De berg, dat was veilig. En nu had die berg zich tegen ons gekeerd'

Ik kwam het verhaal tegen toen twaalf jonge voetballertjes en hun coach spoorloos verdwenen in een grot in Thailand, in juli 2018. Pas na negen dagen werden ze ontdekt, en na nog eens negen dagen doodsbang afwachten van de ouders lukte de evacuatie. In Zichen-Zussen-Bolder hebben de nabestaanden tien dagen de hoop gekoesterd hun familielid levend terug te zien. Maar de kans op overleven was klein.

Leon Vos is 82 en één van de laatsten die nu nog kampernoelies kweken in de mergelgrotten. Hij was in de Roosburgberg toen die instortte.

Leon Vos «De dagen voor de instorting hoorden wij het al kraken en er kwamen barsten in de brede steunpilaren. De baas had er papierbanden overheen geplakt om te zien of die scheuren groter werden. Sommigen hebben die ochtend van 23 december nog gezien dat er ’s nachts stenen uit het plafond waren gevallen.

»Ik was compostbedden aan het klaarmaken en om negen uur was het schafttijd: rap een paar boterhammen. Ineens wijst Guillaume Wolfs op die scheuren en hij vraagt of ik niet bang ben. Ik zei: ‘Nee, ik ben niet bang.’ En hij vertelde dat de baas bij een waarzegster was geweest en die had voorspeld dat er niks zou instorten. Ik vond dat flauwekul, ik ben gelovig, niet bíjgelovig. Daarop komt m’n baas Gerard Kinet langs en hij zegt dat ik tussen de compostbedden plaats moet vrijhouden voor een nooduitgang die er binnenkort gaat komen. Voor het geval er íéts gebeurt, zegt hij. En vijf minuten daarna raast alles naar beneden! Door de luchtdruk vlieg ik weg. Gelijk een blad in de wind. Fsjwiit! Vijftig meter verder! Samen met grote blokken steen ben ik zelfs door een muurtje geslingerd, zo’n luchtverplaatsing was dat.»


Uitgemergeld

Leon overleeft. Zijn kameraden Pierre en Martin, die veertig meter verderop werken, ‘zijn erin gebleven’. Pierre Paulissen was vader van vijf kinderen en wilde een week later van werk veranderen. Martin Hermans was 23 en ging drie maanden later trouwen.

Vos dubt over de twee slachtoffers die hem in die laatste minuten hebben aangesproken.

Vos «Dat Guillaume en Gerard het over een mogelijk ongeluk hadden, is toch heel raar. Dat was alsof de dood al in hun gemoed aanwezig was!»

Leon zelf is zwaargewond: schedelbreuk, gebroken schouder, gebroken been. Alle stroom is uitgevallen, hij ligt bewusteloos in het aardedonker, twee collega’s struikelen over zijn lichaam.

Vos «Ik hoorde ze sakkeren en dan voelden ze waarover ze struikelden. Ze staken een lucifer aan en hebben mij uit de grot gedragen.»

De ambulances van de brandweer en het Rode Kruis zijn nog niet aangekomen. De huisdokter van Zichen-Bolder trommelt een schoolmeester op die een auto bezit: hij moet Leon naar het ziekenhuis van Tongeren voeren. Leon zit naast de bestuurder, zijn hoofd onder het bloed en de compost. Vanop de achterbank houdt een vrouw hem vast zodat hij niet voorovervalt. Drie maanden ligt Leon in het ziekenhuis. Dat hij nog leeft, schrijft hij toe aan hulp van bovenaf.

Vos «In juli 1958 ben ik naar Lourdes geweest, mijn eerste buitenlandse groepsreis, en voor de grot heb ik op mijn knieën gezeten: ‘Lievevrouwke, bescherm mij naar ziel én lichaam.’ Aan háár heb ik mijn leven te danken.»

Dat die berg instortte, komt dan weer door mensenhand. Al in de middeleeuwen leverden de Limburgse mergelgrotten bouwstenen voor abdijen, kerken en kastelen. In de jaren 40 en 50 van de vorige eeuw reed Leons vader nog met paard en kar in de mergelberg om stenen te transporteren voor een bouwaannemer. Maar er is roofbouw gepleegd, zegt Leon.

Vos «Soms groef men uit gemakzucht niet dieper in de berg, men is ook die brede pilaren gaan uithouwen en uithollen.»

De steunpilaren waren letterlijk uitgemergeld en konden daarom de druk van bovenaf niet langer weerstaan.

We rijden tot aan het gedenkmonument. In het druilerige weer staat een groot kruis naast een grotingang die met tralies vergrendeld is.

Vos «Via zo’n ingang kun je in de mergelberg. Er is één niveau, er zijn geen schachten in de diepte zoals in een steenkoolmijn. Die uitgegraven grotten in alle richtingen vormen een wirwar van gangen, zonder wegwijzers. Je loopt er verloren als je ’t niet kent.»

Leon vertelt dat arbeiders en bezoekers de gewoonte hadden om hun naam in de berg te kerven. In sommige mergelgrotten vind je nog namen uit de 17de eeuw. Dat wilden die Thaise voetballertjes ook: diep in de grot doordringen, hun naam kerven en weer naar huis. Leon heeft hun redding gevolgd.

Vos «In zo’n duisternis dagenlang niet weten of ze je gaan vinden, dat moet verschrikkelijk geweest zijn.»

We hebben het over de elf lichamen in de berg. Leon kreeg na de ramp nog vaak bezoek van de weduwen van zijn werkmakkers. Hij had hun man als laatste gezien. Met hém wilden ze praten. Met hém wilden ze terug naar de grot. Zo dicht mogelijk bij het puin en zo dicht mogelijk bij de sterfplek. En dan moest hij uitleggen waar hij stond, waar hun man stond, en hoe alles gegaan was.

Vos «Die eerste maanden heb ik daar élke week staan vertellen.»


Stenen sneeuwballen

Zichen-Zussen-Bolder is een deelgemeente van Riemst en daar woont Vital Medaerts. Hij is 94 en van zijn 22ste tot zijn 87ste was hij correspondent voor Het Belang Van Limburg. Leon heeft duizenden artikels geschreven en tienduizenden foto’s gemaakt. Hij was allicht de enige journalist van België die nog alles met de hand schreef: ‘Ik heb zelfs geen tikmachine.’ Medaerts schreef twee gedenkboeken over de ramp en sprak met tientallen getuigen. In december 1958 was hij onderwijzer in de lagere school van Riemst.

VITAL Medaerts «Ik kon niet weg uit mijn klas, maar ’s middags ben ik gelijk in mijn auto gesprongen. Het was toen al drie uur na de instorting, de rijkswacht hield iedereen tegen. Ik mocht door, met mijn toelating van de burgemeester. Maar al die familieleden wilden niet tegengehouden worden, die liepen dwars over de velden en de akkers naar de berg. Ze wilden weten of hun man, zoon of dochter nog bij de levenden was.

'In de mergelgrotten vind je nog namen uit de 17de eeuw. Dat wilden die Thaise voetballertjes ook: in de grot doordringen, hun naam kerven en weer naar huis gaan ''

»In Zussen en Zichen-Bolder haalden de ouders in paniek hun kinderen uit de school. Een flink deel van die dorpen is ondermijnd met mergelgangen, men dacht dat alles zou instorten. Die schoolkinderen hebben hun ouders en andere inwoners huilend over straat zien lopen, niemand wist wat te doen.»

Bij de ramp stortte een gebied van drie hectare in. Een enorme vlakte die plots vier à zes meter lager lag. Een 22 meter dikke laag van steen en aarde die de mergelgangen platdrukte, die met haar luchtdruk arbeiders tegen de wanden verpletterde, en die de champignongroeve in een massagraf herschiep.

Medaerts «De omgeving van die instorting... Al die akkers zagen spookachtig wit door het mergelstof dat naar buiten was geblazen. Dat moet een ondergrondse zandstorm zijn geweest toen die lucht door die gangen werd geperst. Een hek van 80 kg is uit de scharnieren gelicht en vijftig meter ver gevlogen. Grote mergelblokken zijn als sneeuwballen in de velden geslingerd.

»Ik heb met een ingenieur gesproken die daar een stoomketel kwam herstellen. Hij was vijf seconden uit de berg toen alles instortte. Eerst een gefluit en dan een gruwelijk donderen als van een orkaan, zei hij. En toen kwam iemand uit de muil van de berg gekropen, helemaal witbestoven en met mest bedekt, zijn schoenen soppend van het bloed. De ingenieur heeft die gekwetste in de auto gezet en is ermee naar het ziekenhuis in Bilzen gereden.»

Medaerts heeft ook de eerste redders bezig gezien.

Medaerts «Dat waren werkmakkers, boeren en arbeiders uit de buurt. Die kwamen met hun schup en zo begonnen ze. Alsof ze die twintig meter met de hand konden uitgraven! Onbegonnen werk. De mensen waren radeloos.»


Groeve des doods

Medaerts zag ’s namiddags hoog bezoek arriveren. Een limousine met een rijkswachtescorte stopte toevallig voor zijn huis.

Medaerts «Prins Albert en koning Boudewijn! Ze werden in Riemst opgewacht door de gouverneur en de burgemeester. Het was een koude, mistige dag, de koning rilde en ik zag hoe ze een warme jas over zijn schouders hingen. Ze hebben Boudewijn en Albert dan in de grot geleid, naar de plaats van de ramp, om daar uitleg te geven. Dertig uur later is de galerij op die plek ingestort. Boudewijn en Albert hadden ook dood kunnen zijn!»

Met de ramp kwamen ook de ramptoeristen, ‘met honderden tegelijk zelfs’. Omdat de wegen waren afgezet, liepen ze door de velden tot waar ze zicht hadden op de reddingswerken.

Medaerts had die eerste avond een tragische taak: de foto’s van alle vermisten verzamelen in opdracht van Het Belang van Limburg. Omdat hij het verenigingsleven uitgebreid had gefotografeerd, had hij sommige vermisten al op foto, maar niet alle.

Medaerts «Tien van de achttien foto’s ben ik bij die gezinnen thuis gaan ophalen. Ge komt binnen tussen al dat verdriet en die onzekerheid, en dan moet ge die foto vragen, dat viel mij zeer moeilijk. De mensen hadden ook weinig foto’s, hè. Dus vaak kreeg ik de foto mee van de kast, soms de huwelijksfoto met kader en al. Eén vrouw die ver uit de buurt woonde, zag me en riep: ‘Ha meester, welk nieuws?!’ Die wist nog niet dat haar man vermist was. Wat moest ik zeggen? Ik durfde niks te zeggen. Ik heb iets moeten verzinnen. Later ben ik daar teruggeweest om dat goed te maken.»

Op de dag voor Kerstmis hebben alle Belgische en ook veel Nederlandse kranten de ramp op hun voorpagina. De verslaggevers schuwen allerminst de dramatiek. Dat het landschap ‘verstijfd lag in een drabbige mist’ en dat ‘spookachtige gedaanten ronddwaalden die angstige kreten slaakten’: de radeloze familieleden, wachtend op nieuws van de vermisten. Er is ook sprake van ‘schijnwerperlicht dat over de vette modder glijdt’ en de koplampen van een jeep die ‘de figuur van de dorpspastoor belichten, hij bidt zonder ophouden de rozenkrans’. Dit is, zo wordt gezegd, ‘de mergelgroeve des doods’.

Vital neemt zijn vergrootglas om de kleinere gedenkfoto’s in zijn boek te herkennen. Ik wijs op de foto van Jeanke Beusen, met 16 jaar het jongste slachtoffer. Vital knikt: die ouders hadden maar één foto van hem. Een foto van toen hij 12 was, van zijn identiteitskaart, je ziet de gemeentestempel.

Medaerts «De vader van Jeanke heeft acht dagen en nachten aan de ingang gestaan. Altijd maar wachten, hij is nooit uit zijn kleren geweest. Op oudejaarsavond hebben ze die jongen gevonden. Ineens zagen de redders twee handen uit de mergel steken.»

Ik lees dat Jeanke de derde was in een rij van zeven kinderen. Spelend lid ook van de Koninklijke Harmonie Broederband. En nog maar enkele dagen werkzaam in de mergelberg. De pasfoto van Jeanke ontroert. Vanwege de ernst op dat ronde kindergezicht en zijn onwetendheid over het korte leven dat hem wachtte.


Bulldozers

In de loop van die eerste chaotische dag komen professionele redders ter plaatse, van het leger en van de Limburgse en Waalse mijnen. Sommige kompels hebben twee jaar eerder nog meegeholpen bij de ramp in Marcinelle: Belgiës zwaarste mijnramp met 262 doden.

Medaerts «Hier was het ook gevaarlijk werken. Praktisch elke dag stortte er iets in.»

De redders vielen op drie fronten aan: met bulldozers die in de bergflank een brede sleuf maakten, met mijnwerkers die de ingestorte gangen weer uitgroeven en onderstutten, en met een stalen pijp die in de bodem werd ingegraven, het werk van de vier broers Verbiest en andere plaatselijke vrijwilligers.

'De zussen en de verloofde van Mathieu Vanherf aan de groeve. 'Onze pa is niet bij de berg geweest. Die kon dat niet aan.''

Medaerts «Die pijp was een aaneenschakeling van kokers die twintig meter diep gingen, en elke koker was maar één meter breed, net genoeg voor één man. Die kon maximum een halfuur kappen en puin ruimen, en dan moest een ander zijn plaats innemen. En zo dag en nacht. Nu hebben zo’n redders speciale kledij tegen de kou en de regen, maar toen – in volle winter – hadden ze alleen hun gewone werkkleren en een sjaal. Soms een deken over hun rug. En niemand droeg een helm, ze hadden alleen zo’n dunne alpinopet. Het was een simpele tijd, meneer. Als onderwijzer zag ik de kinderen op klompen naar school komen en sommigen hadden voor ’s middags maar een halve boterham.»

Na nieuwjaar kwam bar winterweer. Met regen, ijsregen en ware sneeuwstormen. Op 3 januari viel meer dan 30 centimeter, met plaatselijke sneeuwduinen tot anderhalve meter.

Medaerts «Hier hebben op een avond een legerofficier en zijn manschappen in onze zetels en stoelen geslapen. De sneeuw had hun de weg versperd.»

In de kranten lees ik dat de hoop op leven na tien dagen werd opgegeven, maar Medaerts kent een andere waarheid.

Medaerts «Al na de eerste 24 uur was er geen hoop meer. De pastoor van Zichen-Bolder was bij het puin geweest, en hij had een groot kruis over de brokstukken en de onzichtbare slachtoffers gemaakt. Letterlijk en figuurlijk, hij zag niemand terugkeren. Maar de gouverneur vroeg mij om de hoop van de mensen niet kapot te slaan. De schok zou veel te groot zijn. Ik moest dus rond de pot draaien in de krant, en als andere reporters mij opbelden. Wat mij moeilijk viel, want in een donkere legertent had ik al evenveel doodskisten zien staan als er vermisten waren. Pas na een week zei de gouverneur: laat de mensen nu maar stillekes weten dat er geen enkele meer levend uitkomt.»


150 instortingen

Medaerts noemt de mergelbergen een zegen én een vloek. Enerzijds zorgden ze voor werk: ‘80 procent van alle Belgische champignons kwam van hier! Er konden tweehonderd gezinnen van leven.’ Anderzijds waren er de gevaren, maar in deze streek met weinig werkgelegenheid moesten de arbeiders dat risico wel nemen. De bodem was trouwens al eeuwen onrustig en blijft nog altijd rommelen. Sinds de ramp zijn nog bijna 150 grote en kleine instortingen geteld. Riemst heeft nu nog 200 hectare aan mergelgrotten in de bodem. Daarin zitten meer dan 200 kilometer ondergrondse gangen.

Medaerts «Drie maanden voor de ramp was de kerk van Zussen al ingestort. Op kermiszondag! Alleen de muren stonden nog overeind, orgel en kerkmeubelen waren vernield, en toch bleven de mensen tamelijk gerust. Sinds 1792 waren er immers nooit slachtoffers gevallen.»

We hebben het over de vermisten. Dat mensen onbereikbaar begraven liggen, dat verwacht je in de Alpen, maar niet in een akkerland als België. Ik vraag hoe die families reageerden toen niet meer verder werd gezocht naar de lichamen.

Medaerts «Die waren natuurlijk teleurgesteld. Want er was gezegd dat men die lichamen te allen prijze wilde vinden. Maar op 6 maart is het zoekwerk opgegeven. Er was geen doorkomen aan. Er lag een berg van tonnen ingestorte mergel, 700.000 kubieke meter. Vind daarin maar eens elf mensen!»

De gulden wandklok tikt. Met haar grote slinger zet ze trage stappen in de tijd. Dat het een triestige zaak was, zegt Vital voor de vijfde keer. Tweeëntwintig kinderen hebben hun vader nooit meer weergezien. En hoe hij in zijn leven al veel dood heeft gezien. Als 18-jarige moest hij dwangarbeid doen voor de Duitsers.

Medaerts «Op een dag kregen we zakken, schoppen en messen om ‘iets op te ruimen’. Een Engelse vliegtuigbom was niet op een Duits rangeerstation maar op een trein met dwangarbeiders gevallen. De armen en benen lagen langs het spoor.»

De dood. Dat is wat een mens meedraagt in een leven.


Verdwaald

Intussen neemt de tragedie de vorm van geschiedenis aan. Het archief van Medaerts – met zestig jaar knipselmappen en fotonegatieven – wordt nu gedigitaliseerd door Frans Willems van de Werkgroep Groevenonderzoek Riemst. Willems zelf was te jong om de ramp bewust mee te maken, maar hij herinnert zich de blijvende angst.

Frans Willems «Die mergelgrotten waren avontuurlijk voor een kind in de jaren 60, maar je ouders bezwoeren je er weg te blijven. De berg, dat was het Kwaad, het Grote Gevaar. ‘Daar zijn 18 doden gevallen. Wilt gij soms de 19de zijn?’»

Bertho Theunissen (Geschied- en Oudheidkundige Kring) «Wij zijn daar gaan spelen. In de jaren 50 en later ook nog. Meestal was het verstoppertje bij één van de ingangen, maar soms gingen we dieper. Bijvoorbeeld tot bij die kwekers en de plukkers, dat was een belevenis. Op een keer wilde eentje van ons de rest bang maken door onze enige zaklamp alsmaar uit te knippen. Tot die zaklamp finaal uitviel en daar zaten we! In het stikduister. Geen hand voor ogen! En báng! Beginnen roepen. Schreeuwen. Bidden, ja, hardop weesgegroetjes bidden. En geen antwoord te horen, het geluid draagt niet ver in die doolhof. Op de tast deden we vijf stappen en we botsten tegen een muur. Ja, toen gingen we huilen! Huilen! Hier geraken we nooit meer uit. Toch weer de moed bijeengepakt, op één rij gaan staan, armen in elkaar gehaakt, en botsend en vallend zijn we op een plek gekomen waar we een zuchtje tocht voelden, en zo hebben we een uitgang gevonden. Neem van mij aan: níémand heeft daar thuis één woord over gesproken!»


Rouwende dorpen

Angèle Palmans is ook één van de overlevenden. Ze kwam uit een boerengezin, het werk in de landbouw lag ’s winters stil, de champignonpluk was een welgekomen bijverdienste. Zij heeft het kraken van de gaanderijen ook gehoord, maar ‘je was jong en voor niks bang’. Toen de berg instortte, werd Angèle weggeslingerd, maar ze kon ongedeerd overeind komen. Haar zus Pauline zat gekneld onder een steenblok, zij moest bevrijd worden. Pauline had nog hard op Willy geroepen, de jongen met wie ze verkeerde. Willy Duchateau, 23 jaar, was bij de vermisten. Hij werd pas 25 dagen later gevonden.

Angèle en haar man Pierre Liesens zeggen dat de tragedie niet alleen de betrokken families, maar de hele gemeenschap raakte.

Angèle «Zussen en ZichenBolder waren al stille boerendorpen, maar nu viel álles stil. Het enige wat je zag, waren mensen die stonden te fluisteren op de hoeken van de straat. Voor een jong meisje was dat beklemmend. Je woonde in een dorp, je kwam amper weg uit dat dorp, er was geen tv, de wereld met zijn rampen en ongelukken was ver weg en ineens gebeurt er zo’n drama. Dat viel letterlijk op ons. Alle verenigingsleven viel stil.»

Pierre «Iedereen was in rouw. Want iedereen was familie, vriend of kennis van één of meerdere slachtoffers. En bidden! De mensen zaten alle dagen in de kerk te bidden. Van ’s morgens tot ’s avonds. Zo báng waren ze. Het leek wel op de oorlog.»

'Die eerste nacht heeft grootmoeder boterhammen gesmeerd. Ze wilde dat pakje in een luchtkoker gooien, 'want onze Mathieu moet toch iets eten!' ''

Angèle «Met dat verschil: in de oorlog waren de mensen nog in die mergelgrotten gaan schuilen. Tegen de bombardementen, tegen de vliegende bommen, tegen de Duitsers die jongemannen kwamen opvorderen. De berg, dat was veilig. En nu had die berg zich tegen ons gekeerd.»

Angèle meldde zich om hulp te verlenen. In de tenten en de barakken van de tweehonderd redders en meehelpende soldaten moest eten en koffie zijn, ‘ze kwamen op alle uren van de dag en de nacht uit de berg’.

In Thailand keek de wereld toe. Internationale reddingswerkers kwamen aangesneld. Experten discussieerden wereldwijd over inventieve oplossingen. Je zag de globalisering van de hulpverlening. In Zichen-Zussen-Bolder was de catastrofe nog ‘nationaal’. Met redders uit de Belgische mijnen, met eigen soldaten, brandweer, rijkswacht en civiele bescherming.

Pierre «Veel was ook nog plaatselijk initiatief. Die hulpverlening zou je bijna familiaal kunnen noemen. Je dorp werd getroffen en je ging helpen.»

Agnes Daenen, toen 26, was verpleegkundige en lid van het Rode Kruis.

Agnes «Ik ben ook gaan helpen in die veldkeuken voor de redders. De meeste dagen was ik niet voor middernacht weg. Voor die wachtende families hebben we vaak koffie gemaakt. Ze konden zich ook opwarmen aan enkele straalkacheltjes. Maar die mensen bleven nooit lang, ze wilden altijd maar terug naar die ingang van de berg. Daar hoopten ze elk moment iemand te zien buitenkomen. Velen hebben daar dagenlang gestaan. In de modder, de kou, de regen en de sneeuw.

»Ik voelde mij betrokken. Mijn broer woonde kort bij die rampplaats, ik kende de familie van Leon Vos en de ouders van Jeannine Brokken, waar ik thuisverpleging deed (de 18-jarige Jeannine was nog dezelfde morgen vanonder het puin gehaald, maar ze overleed in het ziekenhuis, red.).

»Je dacht, ik zal die families aan de ingang wel enigszins kunnen kalmeren, maar die mensen waren radeloos. Ze stonden voor die grote donkere bergmassa en ze konden niks doen. Meer dan wat woorden van troost kon je niet bieden.»

Toen Willy Duchateau gevonden werd, heeft Agnes zijn lijk afgelegd in de Rode Kruistent.

Agnes «Die man zat onder het mergelstof en het bloed, maar hij was nog goed herkenbaar.»

Na de stopzetting van de reddingswerken volgde nog de trieste nasleep.

Agnes «Bij de ouders van Jeannine ben ik nog vaak langsgeweest. Die waren ontroostbaar, die kwijnden weg van verdriet. Nu zou er slachtofferhulp zijn na zo’n drama, toen bestond dat niet. Elke keer dat ik langskwam, waren ze blij dat ze nog eens met iemand over hun verlies konden spreken.»


Trouwcadeau

Ik heb een vroege herinnering aan deze streek. In 1960 zat ik in het eerste leerjaar en mijn allereerste schoolreis ging naar die verre mergelgrotten. Niet die van Zichen-Zussen-Bolder, maar die van Kanne, enkele kilometers verderop. Ik weet zeker dat onze meester over die ramp verteld heeft, hij was van daar. Zoveel jaar later is het stil in het dorp Zussen. Achter de huizen hoor ik licht joelen van onzichtbare kinderen. Het zal speeltijd zijn. Het gezin Vanherf telde elf kinderen, vijf jongens en zes meisjes. Twee daarvan zitten voor me. Catharina was toen 22, Hubertine 18. Hun broer Mathieu was 23 en stond op trouwen.

Hubertine «Ik was in het huis waar Mathieu ging wonen. Met Maria Darcis, zijn toekomstige, waren we de kamers aan het opknappen toen de buurvrouw kwam binnenlopen: ‘De berg is ingevallen!’»

Catharina «Ik was in Hasselt een trouwcadeau gaan kopen. Een schone klok in glanzende siersteen om op de schouw te zetten. En op de bus terug hoor ik zeggen: er is een drama gebeurd in Riemst, in een champignonkwekerij. Ik dacht natuurlijk aan Mathieu. Hij ging elke morgen champignons laden om ze naar de veiling te brengen. Hoe dichter de bus het dorp naderde, hoe ernstiger de berichten van de opstappenden: dat heel het dorp Zichen had gedaverd!»

'De familie van de 18-jarige Jeannine Brokken tijdens haar begrafenis. 'Die mensen waren radeloos. Ze stonden voor de grote donkere bergmassa en ze konden niks doen.''

Hubertine «Wij waren intussen al aan de berg geweest. Wij wisten dat Mathieu bij de vermisten was.»

Catharina «Ik wilde dat niet geloven, ik ben gelijk naar de berg gelopen. Ik dacht aan pa: zes jaar eerder was ons ma gestorven, en nu Mathieu, dat kon niet zijn!»

Hubertine «De hele nacht zijn we daar blijven waken. Niemand wilde weg. Iedereen keek maar naar die ingang. Wie komt daaruit? Is dat soms niet...? Maar het waren alleen maar redders en soldaten. En dan dat bidden van iedereen, dat hardop bidden, dat is niet opgehouden. In de nachtmis van Kerstmis is ook zo fel gebeden! Ge wilde het geloof vasthouden dat er nog iemand buiten zou geraken.»

Catharina «Onze pa is niet aan de berg geweest, die kon dat niet aan. Die zat maar aan tafel te wachten tot wij weerkeerden. ‘Nog niks gevonden?’ ‘Nee, pa.’ En dan grootmoeder! Die was toen 90, die woonde bij ons in, en die was helemaal overstuur. En maar vragen: waar is Mathieu? Waarom komt hij niet? Hij had al thuis moeten zijn! In die eerste nacht heeft ze boterhammen gesmeerd, door het donker is ze naar die berg gegaan, en ze wilde dat pakje in een luchtkoker gooien, ‘want onze Mathieu moet toch iets eten!’ Och, dat weet ik nog zo goed!»

Ze kan niks meer zeggen van de tranen. En hoe grootmoeder maar bleef herhalen dat de dood háár moest komen halen en niet Mathieu. En hun onzekerheid bleef duren.

Catharina «Vóór Nieuwjaar zijn vijf slachtoffers begraven, in een overvolle kerk en met achteraf een lange processie naar de groeve. Maar er kwamen nog elke dag familieleden en kennissen op bezoek, en maar vragen of wij geen nieuws hadden.»

3 januari ging voorbij, de dag van Mathieus huwelijk. Die dag heeft men tussen het puin zijn jas en knapzak gevonden.


Geen doodskist

De vermisten bleven onvindbaar. Later in januari ging zelfs het gerucht dat de autoriteiten een reeks doodskisten met zware stenen hadden willen vullen, alsof ze toch gevonden waren. Een wild verhaal dat ontstond omdat de berg zijn kaken stijf op elkaar hield.

Catharina «Ik droomde ’s nachts dat Mathieu nog leefde en ergens vastzat in de berg. Ik ben daarom ook aan andere ingangen gaan kijken: zou hij hier soms uit kunnen komen? Je wist dat het niet kon en toch bleef die drang, je wilde bij die berg zijn.»

Toen kwam maart en de dag toen het reddingswerk werd opgegeven.

Catharina «Alle gangen die ze uitgegraven en gestut hadden, hebben ze weer laten instorten. Ze wilden niet dat mensen later nog op eigen houtje gingen delven en zoeken.»

Catharina denkt nog aan de kleedjes, kostuums en mantels die ze voor de huwelijksdag voor dat grote gezin had genaaid. En hoe de kleermaker van het deftige zwarte kostuum van Mathieu is komen vragen of hij dat mocht verhuren voor feesten en uitvaarten.

Het leven ging pragmatisch verder.

Catharina «Maria kwam toen ook aan pa vragen of zij haar trouwring mocht hebben. Ze mocht van pa alle trouwcadeau’s houden, maar die ring, nee, die wilde hij zelf bewaren. Het was het laatste en ook het kostbaarste wat Mathieu in zijn leven had gekocht.»

Het verdriet pakt haar bij de stem. Het is stil aan de tafel met koffie en vlaai. Begin februari 1959 was er een begrafenis in Zussen. Met een rouwbrief, een volle kerk en een bidprentje achteraf, maar geen kist. Catharina zelf heeft nooit kunnen wennen aan het idee dat Mathieu nog in die berg ligt.

Catharina «In een graf ligt hij voor u. Maar in die mergel? In gedachten ben ik al duizend keer door die berg gegaan: zou hij hier liggen, of daar? Ligt hij onder een blok? Geraakte hij in een nis en heeft hij nog geleefd? Dat blijft in mijn gedachten.»

Een vrouw heeft nog wekenlang de voordeur opengelaten voor als haar man zou terugkeren. Een meisje zette nog elke avond de pantoffels voor haar vader klaar. Na die tragische kerst heeft ze nooit meer een kerstboom in haar huis gewild.

Verdriet. Het verliest zijn naalden niet.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234