'Zwarte vlaggen': hoe de regering-Bush het vertikte IS van de kaart te vegen

Waar komt IS vandaan? Hoe kon het in korte tijd tot zo’n mondiale bedreiging uitgroeien? Dankzij het geknoei van de regering-Bush en een portie hoerenchance, zo blijkt uit het Pulitzer Prize-winnende boek ‘Zwarte vlaggen’ van de Amerikaanse journalist Joby Warrick. Door de bril van enkele directe getuigen beschrijft hij het kat-en-muisspel tussen de inlichtingendiensten en Abu Musab Al Zarqawi, de vechtersbaas die de meest gevreesde islamterrorist van de 21ste eeuw werd. Nochtans had zijn trainingskamp, de kiem van IS, in een vroeg stadium opgerold kunnen worden. In deze voorpublicatie leest u hoe.

'Alsjeblief, geef ons twee bommenwerpers. Dan is het overmorgen achter de rug'

De man die de belangrijkste spion van de CIA in Irak zou worden, had, toen hij in de zomer van 2002 in dat land aankwam, nog nooit gehoord van de van terrorisme verdachte Abu Musab Al Zarqawi. Maar binnen een paar weken wist Charles ‘Sam’ Faddis tot op de meter nauwkeurig hoe hij het huis van de Jordaniër in zijn vizier kon krijgen. De kans om Zarqawi te pakken zou nooit groter worden.

Faddis was de aanvoerder van een team CIA-agenten dat Irak was binnengeglipt om informatie te verzamelen over Iraakse militaire eenheden en Ansar Al Islam, de groep excentrieke fanatici aan de Iraanse grens die contact onderhield met Al Qaeda. Hoewel hij al 47 was en opgeleid als jurist, had hij erg zijn best gedaan om de opdracht te krijgen. Na de aanslagen van 11 september wilde Faddis graag een bijdrage leveren aan de strijd, en door zijn achtergrond in terrorisme-bestrijding, ervaring in het Midden-Oosten en kennis van het Turks was hij ook uitzonderlijk geschikt om deze missie te leiden.

Faddis’ team was verspreid over een aantal onderduikadressen en observeerde de basis van Ansar Al Islam, waar Zarqawi en tientallen andere uit Afghanistan gevluchte jihadisten hun intrek hadden genomen. In Koerdische kleren konden de agenten de basis zó dicht naderen dat ze de bewakers met hun lange baarden en AK-47-geweren duidelijk konden zien. Het doelwit lag extreem afgelegen. Toen Zarqawi neerstreek in Sargat, hadden de mannen van Ansar Al Islam al een klein gebied bezet waar ze met taliban-achtige geestdrift over heersten. Ze verklaarden officieel de oorlog aan zowel het Iraakse regime als de Koerdische nationalisten en in de heuvels verschenen verdedigingswerken die een indrukwekkend uitzicht boden op de bergpassen en vluchtwegen naar de grens met Iran. Het hoofdkwartier in Sargat bestond uit zeven kleine gebouwen – zonder verwarming en met slechts één generator voor elektriciteit – omringd door een aarden wal en een aantal met zwarte vlaggen versierde bunkers. Enigszins apart stonden de uit betonblokken opgetrokken verblijven waar Zarqawi’s mannen woonden en trainden.

In de herinnering van de plaatselijke bevolking was het een gezelschap van verschillende Arabische nationaliteiten die voornamelijk een uiterst strenge kijk op gedrag en kleding gemeen hadden. Achteraf werd gemopperd over de onhandigheid van sommige islamistische regels in een gemeenschap waar zowel mannen als vrouwen hard moesten labeuren. ‘Ze dwongen de vrouwen een sluier en een jurk te dragen tijdens het werk op het land,’ klaagde een man een paar maanden na het vertrek van de strijders tegen een tv-journalist.

'In 2002 kon de CIA Al Zarqawi en zijn mannen uitschakelen, maar George Bush zette het plan in de ijskast.'

Maar de aandacht van de CIA voor de islamisten had weinig met religieuze voorschriften te maken. Nu Al Qaeda uit Afghanistan was verdreven, was Ansar Al Islam, voor zover men wist, de enige grote groep die banden had met Osama bin Laden. Faddis moest de kracht van deze gecombineerde strijdmacht van Arabische en plaatselijke islamisten inschatten. Indien mogelijk moest hij ook proberen vast te stellen of de strijders van Ansar eventueel samenwerkten met de Iraakse strijdmacht. Of Al Qaeda en Irak in het verleden nu wel of niet hadden samengespannen, het Witte Huis was bang dat Saddam Hoessein terroristen als tussenpersoon zou gebruiken om een klap aan het Westen uit te delen. Volgens Koerdische bronnen waren er chemische wapens in het kamp van Ansar, wat de vermoedens van het Witte Huis bevestigde dat Saddam de islamistische strijders bewapende voor een terroristische aanslag.

Maar de teamleider van de CIA was sceptisch. Faddis had lang in de regio gewoond en kende de bittere haat van bijna alle Koerden voor de Iraakse tiran die in de jaren 80 zo’n 2.000 Koerdische dorpen had verwoest en bijna 200.000 etnische Koerden had vermoord. Het was praktisch ondenkbaar dat militante Koerden om wat voor reden dan ook met Saddam zouden samenwerken.


Wonderbonen

Faddis’ team bestond uit acht mannen, allemaal met veel militaire ervaring, en twee van hen waren bovendien lid van de geheime paramilitaire afdeling van de CIA, de Special Activities Division. Ze hadden hun basis in een klein huis dat hun door de Koerden ter beschikking was gesteld, op een paar kilometer van het hoofdkwartier van het Ansar-kamp. Het huis deed dienst als werkruimte en als verblijfplaats voor de mannen, die zich voornamelijk bezighielden met observaties en het ondervragen van door de Koerden gevangengenomen strijders. Hun bevindingen werden doorgespeeld naar het hoofdkwartier van de CIA in de vorm van honderden geheime sms’jes van Faddis. Hij kreeg snel in de gaten dat er een groot verschil was tussen de Afghaanse bannelingen – grotendeels Arabisch-sprekend, met in elk geval een minimale schoolopleiding en enige kennis van de wereld – en de eenvoudige Koerdische boeren en geitenherders die zich bij Ansar Al Islam hadden aangesloten. Toch deelden de twee groepen dezelfde ideologie en interesse in terroristische vaardigheden. Samen hadden ze in de Iraakse bergen een soort mini-Afghanistan gesticht, een islamistische theocratie waar de strenge regels met zwaard en geweer werden gehandhaafd.

Hij kwam er ook achter dat de strijders inderdaad een dodelijk geheim koesterden: ze experimenteerden met een voorraad gif die ze eventueel bij buitenlandse aanslagen wilden gaan gebruiken. Dankzij de verhoren en met behulp van een paar goedgeplaatste spionnen werd duidelijk om welke chemicaliën het ging: cyanide, en een kleine hoeveelheid wonderbonen waarmee het uiterst giftige ricine gemaakt kon worden. Al deze ingrediënten konden makkelijk en legaal ingekocht worden – kaliumcyanide wordt gebruikt bij het ontwikkelen van foto’s – maar niets wees erop dat de strijders de kennis of het gereedschap hadden om er echte chemische wapens van te maken. Toch leken de experimenten gevaarlijk genoeg. In hun geïmproviseerde lab mengden amateurchemici cyanide met bodylotion en andere cosmetische producten. De geruchten over experimenten met zwerfhonden werden later bevestigd door video’s die in de ruïne van het fort werden gevonden. ‘Hun vaardigheden zijn primitief, maar hun ambitie is gigantisch,’ realiseerde Faddis zich. ‘Ze willen bloed zien, en ze zijn bloedserieus.’

'Al Zarqawi had in de Iraakse bergen een soort mini-Afghanistan gesticht, waar de strenge regels met zwaard en geweer werden gehandhaafd.'

De andere vraag die het Witte Huis bezighield – of het Iraakse leger de islamisten op één of andere manier hielp – was nog makkelijker te beantwoorden. In het gebied rond het Ansar-kamp ontdekte het team van Faddis een aantal Iraakse agenten die lid waren van Saddam Hoesseins gevreesde geheime dienst. Maar het werd snel duidelijk dat de Irakezen precies hetzelfde deden als hij: informatie verzamelen over de strijders. De Irakezen observeerden vanuit de verte en probeerden informanten te rekruteren – een riskante bezigheid, want Ansar Al Islam had de gewoonte mensen die verdacht werden van spionage te vergiftigen en hun afgehakte hoofden op staken voor het fort te zetten. De Irakezen leken eerder bang te zijn voor de islamisten dan met hen samen te spannen.

In elk geval had de regering-Bush beloofd alle aan Al Qaeda gelieerde terroristen op te sporen, en deze club leek aan de voorwaarden te voldoen, vond Faddis. De VS hadden een ‘gouden kans’, schreef Faddis in één van zijn berichten aan het CIA-hoofdkwartier in Langley. Ansar Al Islam was een terroristische organisatie met een ambitieuze internationale agenda. Ze verschafte onderdak aan tientallen Arabische strijders van wie bekend was dat ze banden hadden met Al Qaeda. En het meest verontrustende was dat ze giftige chemicaliën bezaten die met gruwelijke gevolgen konden worden gebruikt in de steden van Europa en de VS. Maar: die dreiging kon van de kaart geveegd worden met één enkele, goed geplaatste dreun.


Veto van Bush

‘We wisten van iedere islamist precies waar hij sliep,’ zei Faddis naderhand in een interview. ‘We wisten van elk pistool waar het lag, hoe de machinegeweren waren opgesteld en waar de mortierbuizen stonden. En het mooiste van alles was dat niemand doorhad dat we er waren,’ voegde hij eraan toe. Zoals Faddis had gehoopt, zorgden zijn berichten voor commotie in Washington. In Langley, en later op het ministerie van Buitenlandse Zaken, werd uitgebreid vergaderd over wat er gedaan moest worden. In het Pentagon werd een 48-jarige brigadegeneraal genaamd Stanley McChrystal gevraagd wat de mogelijk-heden waren voor een aanval op de basis. Hij deed een voorstel waarbij de islamisten eerst met een spervuur van raketten werden bestookt, gevolgd door een aanval van helikopters met Amerikaanse en Koerdische commando’s die bewijs konden verzamelen van biologische of chemische wapens. Het plan werd uitvoerbaar geacht, maar het Witte Huis was verdeeld. Minister van Defensie Donald Rumsfeld was voor de aanval, maar andere topambtenaren, onder wie de Nationale Veiligheidsadviseur Condoleezza Rice, waren ertegen. De regering was op dat moment al vergevorderd met de plannen voor een invasie van Irak en een aanval op Iraaks grondgebied zou tot een voortijdig begin van de oorlog kunnen leiden. Bush besloot het plan voorlopig in de ijskast te zetten.

'We wisten van iedere islamist precies waar hij sliep. En niemand die doorhad dat we er waren'

‘Dat kwam aan als een klap in mijn gezicht,’ vertelde Faddis later. ‘Wij zaten daar in de gevarenzone. Toen de missie op een zijspoor werd gezet, wisten we meteen wat dat betekende. De trekker zou niet overgehaald worden. En toen de trekker uiteindelijk wél werd overgehaald, was het te laat en waren de belangrijkste doelwitten vertrokken.’

Faddis probeerde het nog een keer en stelde een minder ambitieus plan voor dat vooral steunde op lokale Koerdische strijders. Met een klein beetje luchtsteun, een paar 150 mm-mortieren en wat logistieke hulp van het CIA-team konden die lokale jongens het ook wel zelf, zei hij. ‘Alsjeblieft, geef ons gewoon twee bommenwerpers, of anders alleen de mortieren,’ smeekte hij. ‘Als je ze ons morgen geeft, is het overmorgen achter de rug. Al Qaeda en Ansar Al Islam hebben geen idee dat we er zijn. Niemand heeft ons opgemerkt.’ De reactie vanuit Langley bleef onveranderd. ‘Ik hoor wat je zegt, Sam,’ was volgens Faddis het antwoord, ‘maar het is niet anders, ik kan er niets aan doen. De laatste keer dat we het erover hadden, heeft de president zijn veto uitgesproken.’

Joby Warrick

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234