Zwarte woensdag in Texas

Een explosie in een kunstmestfabriek heeft woensdag enorme schade veroorzaakt in de Amerikaanse staat Texas. In Tessenderlo gebeurde op 29 april 1942 een min of meer gelijkaardig ongeval. Een chemische fabriek (zeep, kunstmeststoffen) ontplofte en maakte honderdnegentig slachtoffers. De klap werd tot in Antwerpen gevoeld, het is één van de zwaarste Belgische rampen van de twintigste eeuw. In 2009 verscheen in Humo een reportage over het verschikkelijke gebeuren.

(Verschenen in Humo 3582/18 op 28-04-2009)

'Zoek u een kop, een romp, twee armen en twee benen, en leg die in een kist'

Er is meer dan zestig jaar voor nodig geweest om deze fatale gebeurtenis een plaats te geven in de geschiedenis. Dat de ramp bij Produits Chimiques de Tessenderloo (nu Tessenderlo Chemie) ‘bestaansrecht’ krijgt, heeft veel te maken met een documentaire van Eddy Vandepoel.

Op 1 maart 2009 ging ‘De ramp van Tessenderlo’ (twee uur en acht minuten!) in premie?re en de plaatselijke opkomst was zo overweldigend dat extra voorstellingen moesten worden ingelast. De film krijgt nu ook in de omliggende gemeenten grote belangstelling.

Eddy Vandepoel «Op korte tijd hebben drieduizend mensen de film gezien. Het maakt hier heel veel los, omdat het lange tijd zo stil was rond die ramp. Het laatste boek dateert van 1982 en nooit eerder waren er bewegende beelden – uit filmjournaals en amateurarchieven – bijeengebracht. De ouderen herbeleven wat ze toen hebben meegemaakt, en hun kinderen en kleinkinderen kunnen zich nu een voorstelling maken van iets waarover ze al zoveel en zo vaak hebben horen vertellen.

»Aanvankelijk was er maar weinig animo om de film te steunen. Noch de gemeente zelf, noch Tessenderlo Chemie had er oren naar. Ik zie daar geen doofpotoperatie of kwade wil in: spreken over die ramp is simpelweg altijd beschouwd als slechte public relations. Vandaar dat er al die jaren ook nauwelijks herdenkingen zijn geweest. Maar toen ik het ruwe materiaal kon laten zien, kwam er we?l steun van de instanties. En nu lijkt het erop alsof de ramp eindelijk erkenning krijgt.»

In de docu zit een opmerkelijke getuigenis van Jef Stevens (86) uit Aarschot, die als scout een handje ging helpen. Het zou een litteken blijven.

Jef Stevens «Aarschot ligt in vogelvlucht zo’n twintig kilometer van Tessenderlo, maar de knal en de luchtverplaatsing waren zo hevig dat de uitstalramen van een aantal winkels kapotsprongen. ’t Was oorlog, de mensen dachten aan een luchtbombardement, maar ’s middags zat het bericht van die ontploffing op de radio, en met zeven kameraden hebben we dan beslist om erheen te gaan. (De medestanders van Jef Stevens waren: Staf Nijs, Louis Nijs, Fernand Noynaerts, Albert Van Meensel, Leon Franck en Turre Janssens, red.) We waren negentien, we kenden mekaar al tien jaar van de scouts, we zaten ook samen in de weerstand, en zo zijn we in groep vertrokken, met de fiets en in ons uniform. Niemand had kennissen of familie in Tessenderlo, en toch hadden we die wens om daar te gaan helpen.»

HUMO Wat had je tegen je ouders gezegd?

Stevens «Niks! Die wisten nergens van. Op negentien jaar ben je toch al redelijk onafhankelijk.

»Wij zijn binnendoor gereden, door bos en hei, en om drie uur kwamen we daar aan. Wij kenden Tessenderlo omdat we er al eens gekampeerd hadden, maar in dat dorp was geen dorp meer te zien, heelder stukken straat waren weggevaagd! En hier en daar waren ze aan het zoeken tussen het puin, en een paar mannen waren ook al de straten vrij aan het maken. Niet met bulldozers he?, met de hand en met de schup!

»We zagen ook slachtoffers rondlopen, helemaal onder het stof en de kalk, en zo verdwaasd! Die reageerden amper als je iets zei, dat waren zombies! Stond daar een oud moederke met haar armen voor zich uit, ‘ik zie niks meer, mijn ogen! mijn ogen!’ Die had kalk op haar ogen gekregen en die ogen waren als dichtgecementeerd.

»En gij vraagt naar ambulances, jongen, maar d’r waren er geen! De gewonden zijn met kar en paard naar het ziekenhuis van Diest gebracht. En dat is niet over macadam he?, maar over bultigesteenwegen en zandwegen!

»Aan de kerk stonden enkele notabelen het hulpwerk te coordineren, maar ze kwamen han- den tekort. De volwassenen waren of omgekomen, of aan het zoeken naar hun familie, of onderweg naar het ziekenhuis om te zien hoe het met hun verwanten was. Kunnen wij iets doen, vroeg ik. Heel graag, zei e?e?n van die mannen, ga naar de nonnekesschool en daar zal de dokter zeggen wat ge moet doen.

»En daar was inderdaad een man in een witte schort, en hij nam ons mee naar de turnzaal die nog intact was. Wat we daar zagen kunt ge u niet voorstellen. Daar werden continu stukgereten lichaamsdelen binnengebracht, op berries, op deuren, in kuipen en in emmers, en dat werd daar in hoopjes uitgekieperd! Handen, voeten, benen, ingewanden, het lag er door elkaar.

»Ik ga u voor een moeilijke taak stellen, sprak die dokter: ge neemt een doodskist, ge zoekt een kop, een romp, twee armen en twee benen, en dat ‘lichaam’ legt ge dan in de kist. Er mocht al eens een hand of voet ontbreken, ‘maar het geheel, dat moet een mens zijn’. En lag dat lichaam erin, dan deksel erop nagelen, en niemand, ni?e?mand nog in die kisten laten kijken!

»Dat werk moesten wij dus doen. Met onze blote handen! En zonder masker voor de mond.»

HUMO Is er iemand misselijk geworden?

Stevens «Nee! En we zaten daar nochtans constant in die lijkengeur. Zo’n dikke, weee? lucht. Ze kroop in je kleren, ze zat in je neus, en als je aan je lippen likte, had je altijd die zoeterige smaak in de mond.»

Zwarte woensdag: 'Rooie zakdoek'

Stevens «Vooraf moesten we in de kleren van de slachtoffers ook nog naar herkenningstekens zoeken en ze boven op hun kist leggen, voor de nabestaanden. Dat was heel moeilijk, want die mensen hadden bijna niks bij zich. Ze droegen werkkleren, en hun persoonlijke bezittingen hadden ze ’s morgens in hun kleedkastje gelegd.

»Maar wij mo?e?sten in die flarden van vesten en broeken tasten: op zoek naar sigaretten, een tabaksdoos of zo’n rooie zakdoek met van die witte bollekes. De kleinste kleinigheden waren goed om toch maar een identificatie mogelijk te maken.»

HUMO Bleven jullie daar ’s avonds ‘logeren’?

Stevens «Nee. Wij wilden niemand tot last zijn. ’s Avonds fietsten wij weer naar Aarschot, dertig kilometer ver. En mijn moeder zag me binnenkomen: ‘Zeg, gij stinkt zo!’ – ‘Ja, we zijn in Tessenderlo e bekke gaan helpen.’ – ‘Da kleedsel uit en in de basseng!’ En verder is daar niet over gesproken, en maar goed ook, want anders had ze ons zeker thuis gehouden. En de volgende morgen deden we propere kleren aan en vertrokken wij opnieuw naar ‘ons werk’.

»Wij waren goed georganiseerd. Met zes man vulden wij drie kisten en de zevende man was ‘reserve’ om bij te springen. Dat was voor het geval dat iemand het niet meer aankon.

»In mijn ‘reservetijd’ ben ik toen ook die ontplofte fabriek gaan bekijken. Daar waren ze met snijbranders bezig om de lichamen los te maken die tussen ijzeren balken geplet waren. De eerste dag heb ik die jongen van de vakschool zienhangen (vlak bij de fabriek lag een technische school, red.). Dat manneke was misschien twaalf jaar en stak met zijn kop tussen twee poutrels.

»Die was door de luchtdruk omhoog gekatapulteerd net op het moment dat de zoldering half instortte, en die hing daar te versmachten boven de kapotte schoolbanken. Naast hem hadden ze twee ladders gezet: op de ene stond een werkman die dat kind zachtjes pro- beerde los te wrikken en op de andere stond een broeder dat ventje moed in te spreken. Maar veel konden ze niet doen, bij de minste beweging kon dat lokaal instorten. ’t Schijnt dat dat ventje daar nog lang gehangen heeft, ook nadat het gestorven was, maar ik ben daar nooit meer gaan zien. Het was zo al erg genoeg.

»(Heeft het moeilijk) Je raakt dat niet meer kwijt, zo’n trauma. En nu bestaat er crisisopvang en psychologische begeleiding, maar toen was er niks. Niemand sprak tegen ons. Niemand gaf ons raad. Als je je slecht voelde, dan moest je maar ‘een eindeke gaan wandelen’, had de dokter ons gezegd.»


Nieuwe schoenen

HUMO Zijn er geen anderen geko- men om jullie bij te staan?

Stevens «Nee. En later heb ik begrepen waarom ze ons met die taak belast hebben. Wij waren buitenstaanders, wij hadden daar geen familie, dus moeten ze gedacht hebben: dat is iets voor die jonge mannen van Aarschot, die kunnen dat wel aan.

»Van aflossen was ook geen sprake. Op de derde dag kwam hier een groep jongeheren en jongedames aan, en allemaal droegen ze een witte schort en lange rubberen handschoenen. Het waren eerstejaarsstudenten geneeskunde van de universiteit van Leuven, samen met hun professor! Ik durfde dat hoge gezelschap niet vragen of ze kwamen helpen, maar ik vroeg die professor wel of wij misschien enkele van die handschoenen mochten hebben. Nee, dat kon niet, want dat was eigendom van de universiteit! En weg waren ze, en nooit hebben we ze nog gezien, de platbroeken!»

HUMO Hoe lang zijn jullie gebleven?

Stevens «Zes dagen. Dat wij toen stopten, kwam door de lichaams- delen die ze nog binnenbrachten. Die verkeerden al in staat van ontbinding en ineens dacht ik: stel dat ik hier een ziekte oploop? Die mannen van de universiteit blijven properkes weg en wij moeten risico’s nemen?!

»Het begon ook zwaar te wegen. Niemand van ons kreeg ’s middags een boterham door zijn keel, vanwege die lijkengeur en de geur van formol. Dat stond daar in open emmers, om onze handen geregeld te kunnen ontsmetten.

»Dat we het toch zolang hebben volgehouden kwam door onze geest. Je moest je verstand op nul zetten, dan hield je het vol. Een vrouw kisten en intussen denken hoe die kinderen zonder moeder verder moesten: dat was fout. In zo’n klaslokaal gaan piekeren over die kisten die de plaats innamen van de schoolbanken, over de dood die ging zitten op de plaatsen van de jeugd: dat was verkeerd. Je moest niet denken. Je moest werktuigelijk handelen. In feite waren wij geen mensen meer, wij waren robots.»

HUMO Hebben jullie veel mensen kunnen identificeren?

Stevens «Ik denk dat wij honderd- vijftig kisten gevuld hebben, maar ik schat dat er negentig slachtoffers onbekend zijn gebleven.

»Nu hebben ze foto’s en DNA- tests, nu is dat professioneel. Maar toen gaven ze dat in handen van passanten! Dat is de tabaksdoos van uw vader? Oke?, die naam op een papierke, dat papierke met een nagel op die kist, die kist op een brancard, en dan droegen wij die met twee man naar de kerk.

»Wie nu een familielid moet identificeren, die krijgt psychologische begeleiding. Maar in Tes- senderlo kwam de familie gewoon dat klaslokaal binnen, en wij moesten die mensen dan maar opvangen. Ik herinner me zo’n vaderke, hij kwam zijn zoon herkennen en liet ons een recente foto zien: een jonge kadee, zeventien jaar. En ik herkende dat gezicht en ik wees dkist aan, maar er lag spijtig genoeg geen voorwerp waarvan die vader kon zeggen dat het van zijn kind was.

»Of ja, z’n werkschoenen, die zou hij wel herkennen! ‘Want die zijn nieuw, die ben ik nog maar pas voor hem gaan kopen, hij werkt nog maar twee weken in de fabriek!’ Ik wist dat die jongen in die kist geen voeten meer had, en toch heb ik gezegd: dat klopt, deze jongen ha?d nieuwe schoenen aan! En die mens was doodgelukkig, hij had dan toch een kist en een lichaam om bij te rouwen.»

Zwarte woensdag: 'Koningin Elisabeth'

Stevens «Het gebeurde geregeld dat wij niet zeker wisten of we de nabestaanden wel de juiste kist aanwezen. Maar wij waren scouts! Wij waren plantrekkers! En wij deden er dus alles aan om de mensen een psychologische klop te besparen. Je kunt toch niet zeggen, och mensen, wij weten het zelf niet, ze zijn hier allemaal in stukken vaneen. Als je dat zegt, dan duw je de familie nog dieper in de put!

»Ik weet nog de dag dat ze die meisjes uit de kelders haalden. Die werkten daar in de verpakking van het waspoeder, en door de ontploffing waren die kelders onder water gelopen, en zij waren verdronken in die dikke grijze zeeppap. Die lichamen waren nog intact toen we ze kistten. Een tijd later stond er een jonge man bij ons die zijn vrouw niet kon herkennen aan wat er op de kist lag.

»Ze waren ‘pas een week getrouwd’, hij wist niet welke kleren ze aanhad, ‘zo goed kenden ze mekaar nog niet’, en of hij haar gezicht mocht zien. En voor die e?ne keer mochten we dat deksel weer loswrikken van de dok ter: jong meisje, schoon gezicht, blonde krulharen, een gebloemd kleedje, ‘’t Is mijn vrouw!’ riep hij en hij stortte zich op dat lichaam en tegelijk kwamen er zeepbelletjes uit haar neus, ‘die leeft nog! die ademt nog! ge hebt ze levend in die kist gestopt!’

»Die man werd razend, met vier man hebben we dat lichaam uit zijn handen moeten trekken en de dokter heeft ’m dan een kalmeerspuitje gegeven. Nadien legde de dokter ons uit dat ingeslikt waspoeder gaat fermenteren in de ingewanden, ‘en dan krijgt ge van die zeepbellen die naar boven komen’.

»En zo gingen de dagen voorbij en wij zaten daar maar te werken, afgesloten van de buitenwereld. De vierde dag zagen we een gezelschap van dames en heren over de speelplaats komen en e?e?n van ons ernaartoe, ‘euh madammekes, ge blijft hier beter buiten, want dat is hier niet geschikt voor gevoelige mensen’. En de voornaamste dame antwoordt: ‘Ik ben koningin Elisabeth en ik kan daartegen, want ik ben verpleegster geweest.’ Maar ook zij heeft maar efkes de kop binnengestoken en is dan verder gegaan.»

HUMO Heeft iemand jullie ooit bedankt?

Stevens «Nooit! Niemand sprak tegen ons. Zelfs die dokter voor wie wij werkten, heeft niet eens zijn naam gezegd.

»In 2002, zestig jaar na de feiten, heb ik dan toch een stap gezet. Het was de dag dat de zesde kameraad van toen overleed. Met zes waren ze anoniem gestorven, en op dat moment zag ik het als mijn plicht om ons verhaal te vertellen. Ik heb toen een brief van twee bladzijden naar het gemeentebestuur van Tessenderlo gestuurd en zij hebben ons dan postuum bedankt voor de taak die wij op ons hadden genomen.

»Maar weet ge, zelfs bij die zestigste verjaardag was daar geen officie?le herdenking, noch van Tessenderlo Chemie, noch van de gemeente. Er waren daar alleen een aantal familieleden die ze?lf iets organiseerden bij het gedenkteken van de naamloze slachtoffers. Ik ben toen nog zelf een krans gaan kopen!»

Zwarte woensdag: 'Schuilkelders'

HUMO Was je sinds 1942 nog in Tessenderlo geweest?

Stevens «Nee, nooit meer. En mijn kameraden en ik hebben er al die jaren ook nooit meer over gesproken. Ik zie ons daar nog fietsen, we waren moe, we waren overmand door wat we gezien hadden, en toen al spraken we geen woord tegen mekaar. Ook tegen onze ouders of tegen vrienden hebben wij nooit iets gezegd. Wij zwegen er onder mekaar al over: dan verstaat ge dat wij helemaal geen goesting hadden om erover te spreken met normale mensen! Niemand zou ons begrijpen!»

HUMO Je hebt nog wel wat onderzoek gedaan naar de oorzaak van de ramp?

Stevens «Ja. Naderhand heb ik via de weerstand en via een bron binnen de fabriek vernomen dat daar een ondergrondse bunker was waar duizend liter nitroglycerine lag opgeslagen. Wat ze daar absoluut niet nodig hadden, want ze waren een fabriek van waspoeder en meststoffen.

»En toen is het mij gaan dagen. Duitsland had een Verordnung dat alle chemische fabrieken in de bezette landen onderzoek moesten verrichten naar een alternatieve brandstof voor raketten. Dat was voor de V1 en de V2, ze zochten een nieuwe drijfkracht voor die tuigen. En ik kan het niet bewijzen, maar volgens mij hebben ze gee?xperimenteerd met die nitroglycerine en is dat toen fout gelopen.

»En ja, in de documentaire zeggen ze dat het om ammoniumnitraat gaat (een zout dat gebruikt werd in meststoffen, red.) en dat die stock versteend was en dat ze die met dynamiet moesten losmaken, wat toen de gewoonte was, en dat het op die manier is misgelopen. Maar ik blijf mijn twijfels hebben: hoe kan een stock van 200 ton die bovengronds ligt opgeslagen, een krater van 75 meter diep slaan?! Dat gaat er bij mij niet in.»

HUMO Wat de oorzaak ook was, jullie zijn op die enkele dagen alle jeugdige onschuld verloren.

Stevens «Wij hebben heel vroeg de hardheid van het bestaan gezien, ja. En dan denk ik aan de jeugd van nu. Die is toch veel meer beschermd. De ouders waken over hen, de school waakt over hen, er mag hen niks miskomen. Maar zo leer je toch de wereld niet kennen?!

»Wij beredderden onszelf, bij de scouts en bij de weerstand, en ik kan u zeggen: wij kregen de wereld te zien zoals hij wa?s! In ’43 ben ik opgepakt vanwege mijn rol in de weerstand en dan heb ik nog twee jaar in Duitsland gevangen gezeten. Moesten we dwangarbeid doen in de buurt van Leipzig, waar de grote luchtbombardementen waren.

»Kon ik daar opnieuw tussen het puin gaan werken! Die mensen kropen in de schuilkelders, maar boven hun kop kwamen de brand- bommen, die huizen brandden af, stuikten ineen en zij verkoolden in de hitte. En wij groeven dat puin uit, trokken de deuren van die Luftschutzkeller open en die mensen zaten daar nog altijd rond de tafel! Maar als ge ze aanraakte, dan braken ze af gelijk de asse van een sigaret!

»Ik word er nog weleens wakker van. ’t Zijn trauma’s, ’t heeft zijn sporen nagelaten... (z’n ogen schieten vol) En hoe ouder je wordt, hoe zwakker en sentimenteler. Als ik het journaal zie met beelden van verwoesting, van puin en van slachtoffers, dan komt dat allemaal terug. Die aardbeving nu in Italie?... Als je jong bent, dan stap je daar overheen. Maar als je ouder wordt en zelf sporen draagt, dan kun je zo’n leed niet meer ontwijken. Dan komt alles van vroeger weer heel dichtbij.»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234