© Koen Keppens

Concertreview: King Gizzard & The Lizard Wizard op Pukkelpop 2018

, door (vvp)

2

'Bij King Gizzard stond er een geoliede groep klaar, heren die van tempo wisselden als waren ze een zwerm zwaluwen op zomervakantie'

Maar genoeg bullshit. King Gizzard & The Lizard Wizard - muzikanten uit Australië kunnen, Rolling Blackouts Coastal Fever van daarstraks indachtig, écht geen groepsnamen verzinnen - bestaat uit zeven muzikanten, de één al feller aangetast in de bovenkamer dan de ander, met aan het roer: de fantastische zanger Stu Mackenzie. Achter de drums zit naast Michael Cavanagh ook Eric Moore, meteen manager van de band. Hun muziek prakt AC/DC samen met de folk van Marc Bolan. Voor wat zij maken, bestaan geen pilletjes.

‘Digital Black’ zou je metal kunnen noemen, maar ook paars of Danny. ‘The Lord of Lightning’ was Metallica op Rilatine en veranderde vaker van snelheid dan een temporiserende Eden Hazard. ‘Rattlesnake’ - plezier in een afgemeten vijfminutenpakketje - klonk vettiger dan de worsten die Jeroen Meus hier vast wel op één of andere straathoek probeert te verpatsen. Er zat een beetje ‘Take Me Out’ van Franz Ferdinand in, maar dan gezongen door een bende pissige mijnwerkers. Tot de gizzards en de lizards hun aandacht lieten afdwalen en weer iets anders geinigs begonnen te spelen natuurlijk. Afropunkprogrock, is dat iets? Nu wel, dan?

De enige reden dat bijna niemand met een erectie rondliep, was dat het bloed dankzij het voortdurende headbangen allemaal in de kop zat. ‘The Castle in the Air’ was seks op fuzz-pedalen, ‘Muddy Water’ een balorig jong met een eerste gitaar, ‘Robot Stop’ een space jam met de zinssnede ‘Loosen up / Time to drop / Fuck shit up’. Niet gelogen: het klonk alsof vijf gloednieuwe F-35’s het podium bestookten. ‘Gamma Knife’ was prikkeldraad die met een verroeste zaag doormidden werd gekapt. In ‘Crumbling Castle’ kropen er zelfs wereldmuziekriedels tussen de snaren. Filmmuziek: ook gehoord, maar waar? En nimmer werden de popbeginselen uit het oog verloren: het was catchy, sexy, leuk, opwindend.

Bij dit soort vunzige garagerockbands - denk Thee Oh Sees - durft er live al snel een soort gewenning te ontstaan. Ofwel is het zo noisy dat het na dertig minuten op je maag gaat liggen, ofwel is het een rommeltje. Maar bij King Gizzard stond er een geoliede groep klaar, heren die van tempo wisselden als waren ze een zwerm zwaluwen op zomervakantie. Bij Kamasi Washington komt het voor dat de muzikanten een kwartiertje op stap gaan om uiteindelijk toch weer bij dat bekende wijsje uit ‘Re Run Home’ te belanden. Zo was het hier ook. Die mannen zien elkaar graag, hoor je aan de manier waarop ze elkaars gitaarlijnen aanvullen. Als één van hen een scheet laat, begint een ander op tijd te kuchen.

En nu het centrale thema van deze afsluitende Pukkelpop-avond weer in zicht is, dient een conclusie zich aan: schijtegoed optreden.

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?