© Koen Keppens

Johnny Marr op Pukkelpop 2019: melancholisch alternatief voor het bijdetijdse Twenty One Pilots

, door (tr)

56

In dat kleine uithoekje van de wei had zich namelijk een handjevol mensen verzameld die ettelijke decennia geleden een gat in het hart geprikt kregen door The Smiths: jongens die de liefde bezongen, maar altijd met de ellebogen naar buiten. Dat groepje mensen was gekomen om Johnny Marr te zien, de man die medeverantwoordelijk was voor hun geleden schade, want het was hij die de door een stervensadem gedragen verzuchtingen van Morrissey destijds die onsterfelijke gitaargalm geschonken had.

Hoe het vandaag met Morrissey gaat, weet iedereen. Als hij geen optredens op het laatste nippertje schrapt, dan haalt hij koppen met een vervelende kramp in zijn rechterarm die hem er allesbehalve sympathieker op maakt. Het gevolg zou alleen maar sensatie en spot zijn, ware het niet dat met elke oprisping Morrissey weer een nieuw raam uitgooit bij mensen die vurig hoopten ooit The Smiths nog eens in levenden lijve te kunnen zien somberen. Het mocht niemand verbazen dat een groot deel van de opkomst in de Club bestond uit zulke mensen: natuurlijk zagen ze wel iets in de nummers die Johnny Marr gemaakt had in de vele jaren na The Smiths, en die verzameld staan op platen als ‘Playland’ en, recent nog, ‘Call the Comet’. ‘The Tracers’ bijvoorbeeld, dat als eerste de tent in werd gestuurd, of het nog nieuwere ‘Armatopia’: verdienstelijke nummers, maar het is deksels moeilijk om er details over op te diepen uit de paar krabbels die we hebben overgehouden aan Marrs optreden, omdat we tussen de twee, in grote letters, ‘Bigmouth Strikes Again’ gekrast hebben.

Zo zou het wel vaker gaan: na ‘Armatopia’ volgde Marrs eigen ‘Hi Hello’, maar de herinnering daaraan blijkt bij het terugdenken overbelicht door ‘How Soon Is Now’, dat meteen erna kwam, en door hoe volwassen mannen voor onze ogen elkaar in de armen vielen bij die eerste wapperende gitaarnoten, en hoe ze in het refrein een verzuchting kwijt konden die ze elders angstvallig voor zich hielden:I am human and I need to be loved. Een uurtje later zou ‘This Charming Man’ zo een slagschaduw werpen over het nochtans uitmuntend gebrachte ‘Easy Money’ dat erna kwam, van al van Marrs solonummers als beste onthaald - misschien was dat omdat de euforie nog nazinderde.

Het is vast een zegen en een vloek tegelijk, iets gemaakt te hebben dat levens kleur gegeven heeft - en vooral om daarna dan te willen blijven maken. Maar Johnny Marr stond goedgeluimd in de Club, en had zelfs zin in gedol toen hij vroeg om verzoeknummers. ‘Nee, ‘Enter Sandman’ ken ik niet’: stel je voor dat hij het wel gekend had. In ruil speelde hij een flard ‘Fly Like an Eagle’ van Steve Miller Band, met de belofte dat hij de volgende keer ook het refrein zou spelen.

Aan het eind van het uur lag ‘There’s a Light That Never Goes Out’ te wachten, door Marr opgedragen aan iedereen die bij hem in de tent stond. ‘Maar aan niemand anders, niemand aan de andere podia, alleen jullie’: het klonk als een geheim, hoewel er hoegenaamd niets heimelijks is aan verlangen. Het is zelfs erg menselijk, net zoals het besef dat je soms overviel tijdens al die euforie die Marr wist op te roepen: niemand zingt Morrissey zoals Morrissey, zelfs Johnny Marr niet. Al was hij, ook op Pukkelpop, wel de beste vervanger die je je kon inbeelden. Je moest het er mee stellen, en dat lukte. Want wie alles heeft, heeft geen reden om melancholisch te zijn.

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?