Concertreview: London Grammar op Rock Werchter 2018

, door (jm)

176

Het zou sowieso geen wandelingetje in het park worden voor Hannah Reid: een Main Stage waarboven de zon een decadent handeltje in euforie heeft opgezet, is niet meteen de locatie waar haar London Grammar het best gedijt. En dan hadden Eden Hazard, Kevin De Bruyne en Romelu Lukaku ook nog besloten om net op dat moment een niet onaardig partijtje voetbal te spelen, en was het land in de greep van een belgitude waarvan we dachten dat ze samen met Koning Boudewijn – God hebbe de ziel van die frivole knakker – de pijp was uitgegaan. Stellen dat Reid niet echt voor een onoverzienbare mensenzee begon, is een understatement van het genre ‘Gert Verhulst heeft wel een zakcentje opzijstaan’. Gek genoeg zorgde dat voor een beschonken samenhorigheidsgevoel bij wie er wél was. Dat je naar London Grammar mocht luisteren, naar die poreuze, tedere liedjes, terwijl je erop vertrouwde dat de Rode Duivels intussen tikitaki aan het doceren waren, voelde als een privilege. En toen na ‘Hell to the Liars’ doorsijpelde dat Milorad Mazic in Rusland het laatste fluitsignaal getrompet had, en de Rode Duivels straks in de halve finales Frankrijk naar huis mogen flikkeren, leek Reid even opgewonden blij als de weide. Het gaf nog een extra dimensie aan het daaropvolgende ‘Nightcall’, dat als zoet bessensap gedronken werd door het publiek.

Daarvoor was Reid al aan het dealen geweest in verontrustende schoonheid. ‘Hey Now’, ‘Flickers’, ‘Wasting My Young Years’: liedjes die eerst óp je huid landden – kippenvel bij dertig graden – en er daarna ónder kropen – blauw bloed door je aders.

Even was ik blijven haken aan dat verrukkelijke jeansvestje, en dat kettinkje dat Hannahs hals minder naakt maakte, maar algauw was er alleen nog De Stem. Het is een zegen voor de mensheid dat Hannah Reid geen vuilnisman is geworden, of boekhouder: als je geboren bent met een keelgat waar zoiets ontstellend moois uit klimt, ben je moreel verplicht om levensveranderende muziek te maken. Dat beseffen ook Dot Major en Dan Rothman, haar twee bandleden: ze leken zich haast te willen excuseren telkens ze met voorzichtige gitaar, timide percussie of fragiele toetsen de liedjes een tweede huid gaven. Ze weten: in de schaduw kan het ook warm zijn.

Voor ‘Rooting’ ging Reid op de rand van het podium zitten, om ons vervolgens te bedwelmen met rauw sentiment – opendeurdag in al je hartkamers. En tijdens ‘Strong’ vielen duizenden monden – het publiek was intussen al flink aangedikt – open: geen kaakchirurg die dat ooit nog gefikst krijgt.

Merci, Thibaut, Toby, Eden. En bedankt, Hannah: voor altijd onze twaalfde man.

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?