© Koen Keppens

Ook op Werchter: een seksgod met snor, onaangename kriebels en tranen

, door (pieter coupe) en (vvp)

23

The Slow Readers Club tuimelt van de toonladder ★★☆☆☆

De festivalzomer van 2019 leek er één zonder Editors te worden. Maar dat was buiten The Slow Readers Club gerekend, een kwartet dertigers uit Manchester dat edgy postpunk wilde spelen, maar tegen middernacht aan The Slope niet verder raakte dan een floue doordruk van Tom Smiths band, of een verwaterde versie van White Lies.

Elke song die je hoorde – of hij nu ‘Supernatural’, ‘Plant the Seed’ dan wel ‘Forever in Your Debt’ heette –, had je na een minuut of twee wel door: nu houdt de bas even in, nu pompen ze even door, nu gaat de zang op standje ‘pathos’… Over die zang gesproken: de stem van frontman Aaron Starkie was hét probleem van deze band. Meermaals tuimelde hij van de toonladder en probeerde hij dat te camoufleren door nog wat holler te gaan zingen. Pijnlijk, zeker voor bassist Jim Ryan, die duidelijk de sterkhouder was van deze band.

Voor elke song met enig potentieel, zoals ‘You Opened Up My Heart’ (dat van The Temper Trap had kunnen zijn), zat er een vréselijke stinker tussen die aan het ergste van The Maccabees en The Bravery deed denken – ja, sorry, als we nu een traumaatje uit 2007 oprakelen.

En dan hadden we het nog niet over de clichéteksten: “Time will come and take its toll”, klonk het in ‘Start Again’, en setsluiter ‘On the TV’ wilde de paranoia van deze tijd verklanken, maar verzandde in lege pathetiek. Trouwens, als je anno 2019 zingt over de wereld die in brand staat en je verwijst nog naar de televisie als voornaamste medium, ben je dan niet gewoon hopeloos passé?

Nu ja, het beste dat we tijdens dit concert hoorden, was een regel uit ‘Block out the Sun’: “Someone save, someone take me home.” Uitstekend idee. Groetjes thuis! (pc)

Clean Bandit: het zuur uit de kuiten flirten ★★★☆☆

Je loopt op elk festival een act tegen het lijf die je vanuit het niets verbaast. Ze spelen een nummer en je denkt: “Is dat van hén?!” Drie songs later is ‘t weer van dattum: “Dit óók?” In dit geval heet de groep Clean Bandit.

Als dit 2004 was en Joepie nog een ding zou zijn, zou Clean Bandit ergens in het magazine de wekelijkse poster sieren. Centraal op de foto zou Grace Chatto poseren – een artiest met een missie. Ze vindt dat instrumenten als de viool, cello en keytar in de hitlijsten thuishoren. Ze moffelt klassieke invloeden binnen in de hypermoderne popproducties die Jack Patterson en Luke Patterson met een computermuis bij elkaar klikken.

Hoewel hits scoren geen exacte wetenschap is, weten de lui van Clean Bandit verdomd goed waar de gemiddelde buis van Eustachius dan wel, dan niet allergisch voor is. Kijk maar naar de aandelen van het gezelschap uit Cambridge in de hitlijsten van de laatste vijf jaar. Ook de sféér in KluB C was alles dat een thuismatch van Wilrijk-Hemiksem-Beerschot niet is: indrukwekkend. Alle ingrediënten voor een topshow waren aanwezig, maar die kwam er maar niet.

Waar ‘Symphony’ en ‘Rockabye’ met het zuur in de kuiten flirtte, was het grootste deel van de set een goed excuus om eindeloos te mijmeren over de nutteloze dingen des levens. Clean Bandit heeft véél singles, maar net niet genoeg noemenswaardig materiaal om je te verstikken tot je niet anders kon dan bezwijken. “There’s no place I’d rather be”, klonk het aan het eind van de set. Wisten zij veel dat wij een sigarenboer in Havana kennen met rum aan 25 cent per glas.

Clean Bandit vertikte het om de sloophamer boven te halen, maar deed wat Clean Bandit hoorde te doen: het volk ten dans vragen. (elv)

Alice Phoebe Lou: ‘neen, dank u, Coldplay!’ ★★★☆☆

Ze past in je broekzak, maar zoals ik mijn lief aldoor diets probeer te maken: size doesn’t matter.

Alice Phoebe Lou is wat je noemt een Echte Muzikante. Wanneer ze de kans kreeg om, als totale nobody, op tour te gaan met Coldplay, wimpelde ze dat aanbod beleefd af. Daarvoor spendeerde ze haar jeugd op een bergkam in Zuid-Afrika en trok ze als busker door de straten van Berlijn. Intussen heeft ze een Oscar-nominatie voor Best Song (‘She’) op zak.

Haar hele lichaam beweegt op het tempo van een liedje dat alleen zij kan horen: dat zag je toen ze The Slope betrad - een fee met een toverstaf in de vorm van een gitaar - om er uit de losse pols een paar liedjes te spelen. Folk, jazz, seventiesrock, wat geluiden uit het Duitse nachtleven: er zit veel in Alice’ grabbelton. Ze pakte uit met een sterke stem - van hoog naar laag, van hees naar helder - charmeerde in haar bindteksten (‘geen mopjes, want daar ben ik slecht in: hier is nog een liedje!’) en beschreef een saxofoonintermezzo als ‘shake therapy’. ‘Something Holy’ haalde er een dwarsfluitist bij, ‘Paper Castles’ ging enig mooi de diepte in, ‘My Outside’ (over lichaamspropaganda) was een song-met-een-boodschap die in de eerste plaats een goede song was: zo vaak kom je die nu ook niet tegen. Hè, Macklemore?

Er staan drie voornamen op haar paspoort: stuk voor stuk de moeite van het onthouden waard. (vvp) 

Two Door Cinema Club: kriebels waar je niet op hoopt ★★☆☆☆

Sommige generaties zijn bevoorrecht. Er zijn er die popacts als The Beatles, The Kinks, Oasis en Blur cadeau hebben gekregen. De kinderen van de vroege jaren 90 moesten het met Two Door Cinema Club stellen.

TDCC is geen klinkende naam en zegt u misschien geen fluit. Niet dat u iets revolutionairs hebt gemist, maar aan de bomvolle The Barn te zien, hebben de Noord-Ierse indiepoppers geen klein remspoor achtergelaten in de oren van velen. Dat gevoel van gelukzaligheid, dat hart dat een metershoge vreugdesprong maakte toen de eerste seconde van ‘What You Know’ door de tent gierde. Du bijna jamais vu, na drie dagen vochtverlies in de tropische tuin van Schueremans.

Het was heet, snikheet in The Barn. Eén iemand werd compleet van de kaart uit de tent gedragen – en niet omdat TDCC duizelingwekkend goed was. Voor vernieuwing moet u al bijna tien jaar niet meer aankloppen bij Alex Trimble, Sam Halliday en Kevin Baird. Het buskruit zat in de kop en staart van de show, met songs als stroomstootwapens. Ze laten je stuiptrekken van genot. ‘Undercover Martyn’ en ‘Something Good’ behoren tot die categorie, maar die nummers waren zaterdagavond duidelijk in de minderheid.

Het middenstuk werd gebruikt om nieuwe muziek voor te stellen, alleen jammer dat die nieuwe muziek niets voorstelde. ‘Satellite’ of ‘Dirty Air’ zijn popsongs die je kriebels bezorgen – en niet het soort waarop je zou hopen. ‘Bad Decisions’, ‘Lavender’ en ‘Next Year’ waren een voor een bewijsstukken die aantoonden dat de gloriejaren van Two Door Cinema Club voorgoed achter de rug liggen. Je kan oneindig blijven trekken en sleuren, maar na een tijd begint dat te enerveren. Die tijd is bijna aangebroken.

Het is nu al uitkijken naar de dag dat Two Door Cinema Club zijn debuutplaat 'Tourist History' integraal komt spelen. Tot dan moeten ze mij met rust laten. (elv)

Bear's Den: engelenzang zonder weerhaken ★★☆☆☆ 

 

Helemaal op het einde van de set van Bear’s Den gebeurde er iets. Gitarist, backing-zanger, banjospeler en Nederlander Christof van der Ven ging een flesje water opgooien: bleef het rechtop staan, dan zou de groep nog twee songs spelen, anders maar één. Bij de tweede poging lukte het hem. 

Het gejuich dat opsteeg moest niet veel onderdoen voor dat van vorig jaar, toen Kevin De Bruyne de bal zo wonderschoon tegen de Braziliaanse netten schilderde. Om maar te zeggen: Bear’s Den heeft zijn fans, en geen klein beetje, but I’m not one of them, ook niet na hun passage op Rock Werchter. 

Hun platenkast barst wellicht van de platen die ik fantastisch vind, maar als ze zelf aan zet zijn, dwalen mijn gedachten af. Van Curaçao naar de Beekse Bergen, van mijn belastingen naar de afwas die thuis wacht en weer terug. Het zit hem in de teksten die ééndimensinaal aan mij voorbijvliegen, aan de kabbelende, spanningsvrije composities, aan de engelenzang zonder weerhaken. Een titel als ‘Above the Clouds of Pompeii’ alleen al doet mij rillen van verveling. Ieder zijn ding en voor elk wat wils, zeker, maar volgend jaar is er gelukkig weer een EK. (jub) 

Donny Benét: zin in een voze Martini ★★★☆☆

Donny Benét, in zalmroze kostuum, heeft een liveband meegebracht naar Rock Werchter, waardoor zijn aan de eighties ontsproten elektropop veeleer als de cheesy yachtrock uit voornoemde decennium klinkt.

De Australische Russ Meyer-lookalike speelt bas op The Slope maar we weten dat hij een multi-instrumentalist is. De hype is hem kennelijk vooruitgesneld want het plein staat bomvol. Yep, Donny is hét kennerssnoepje van deze derde festivaldag.

'Donny, I wanna have your babies' leest hij luidop van een pancarte in het publiek af. 'Thank you so much', is zijn hoofse antwoord. Geen wonder dat deze love guru nu en dan relatie-advies geeft aan bewonderaars, online en op de Australische radio’s.

En zijn sound? 'Ik heb nog nooit zoiets gehoord', denkt de doorsnee millennial zonder duidelijk referentiekader misschien - wat gek is aangezien de muziekgeschiedenis online nog nooit zo toegankelijk was als vandaag - dus, ziedaar, we helpen graag een handje: Donny, die hoorbaar een jazzopleiding achter de kiezen heeft, verstopt zijn nerdy musicianship en zijn twijfelachtige looks achter een campy, overdreven assertieve, kinky karikatuur en hertimmert de kitscherige fusionpop van de jaren 70 en de synthpop van de jaren tachtig. Deden het hem in het verleden al voor met succes: Peaches, Gonzales, Mocky en Har Mar Superstar. Google hen, kids.

We vinden de live-versies op Werchter minder sprankelend dan de originelen vanop platen zoals The Don. ‘Konichiwa’, Benéts naar George Duke en Patrice Rushen knipogende cultklassieker doet wél smeuïg aan, ondanks het feit dat die song ons trek doet krijgen in een voze Martini. Of erger: een blueberry daquiri mét turquoise parapluutje.

'Donny, mag ik je snor aanraken?', smeekt een pancarte. De seksgod doet alsof hij de processierups onder zijn neus aftrekt en in het publiek gooit. Geile geinponem. Vermakelijk feestje anders wel. (svs)

The Murder Capital: postpunk op een dieet van Guinness en kauwtabak  ★★★★☆ 

 

Aan hun naam hoor je al dat The Murder Capital een te pruimen groepje is. We spreken hier over het soort nijdige rockers die alle nummers langer dan drie minuten beschouwen als grotere tijdverspilling dan mindfulnessoefeningen, die kopstoten verkiezen boven handdrukken, en die erin slagen om vanaf The Slope geluidshinder te veroorzaken voor de Main Stage. Ze waren met vijf, en ze zagen eruit als schoelies uit de reeks ‘Peaky Blinders’: ongemanierde Ieren in klassieke hemdjes, die er zelfs met een tamboerijn in hun handen nog cool uitzagen, met een zanger als een zwalpende matroos en een drummer als een precisiebombardement. Denk IDLES, Shame en Savages, postpunk op een dieet van Guinness en kauwtabak: één van de liedjes die ze speelden, heette ‘Don’t Cling to Life’, en zonniger dan dat dreigde het nergens te worden. Noteer: één van de beloftevolste bandjes die dit jaar hun herrie naar Werchter mochten zeulen - wie nog geen zonneslag had, kreeg van The Murder Capital een draai om de oren. (vvp)

SYML: ode aan de middelmaat ★★☆☆☆

 

Wikipedia weet dingen. Dat 'syml' Welsh is voor simpel, bijvoorbeeld. Brian Fennell, alias SYML, is een gast met zelfspot en zelfkennis – zelden een artiestennaam gehoord die zo spot on is.

Dat SYML zijn naam niet heeft gestolen, viel in KluB C harder op dan op plaat. Had hij zoal in de aanbieding: simpele pop, rock en folk – supermarktmuziek, zoals dat in vaktermen heet. Hij verscheen op de bühne als een niet-zo-begeesterende-Tamino (‘The Bird’), wilde tussendoor SOHN zijn (‘WDWGILY’), organiseerde een uit de hand gelopen playdate tussen powerpop en fletse rock (‘Break Free’) en verliet het podium als een popartiest zoals er al 21.390 te veel zijn (‘Clean Eyes’).

Was dit als een ode aan de middelmaat bedoeld, maakte SYML indrúk. Nee, serieus: de Amerikaan heeft ook een keer of drie bewezen dat hij over iets beschikt dat in de buurt komt van talent. ‘Girl’ – opgedragen aan zijn dochter die vanuit de coulissen toekeek – had weinig om het lijf, maar wist ondanks de zweetaanvallen, bijna-appelflauwtes en een jeukende reet wel onze aandacht vast te houden. ‘Where’s My Love’ was het beste nummer van zijn set. Sober, doordacht, ontroerend. We begrepen meteen waarom SYML zo’n populaire jongen is.

Een van de hoogtepunten van zijn set, was zijn steeds terugkerend advies: ‘Drink water, jongens.’ Hadden we al gezegd dat SYML een sympathieke gast is? (elv) 

Portland: koude rillingen bij 200 graden ★★★★☆

Koude rillingen bij tweehonderd graden? Het kan! Wie geluk had, droomde vannacht van Portland, wie op tijd naar The Barn kwam geslaapwandeld, kon er hun mooie liedjes live horen. ‘Expectations’, ‘Ally Ally’, alt-J-cover ‘Matilda’: welgekomen als een frisse zeebries. Het waren als vanouds - zie vooral: ‘Lucky Clover’ - de ineengevlochten stemmen van Jente Pironet en Sarah Pepels die het ‘m deden: hopelijk fluistert er ooit iemand in uw oor zoals die twee tegen hun microfoons. In de finale ging het pas echt van ‘zomerse opener’ naar ‘bakje ontroering’, toen Jente ‘Pouring Rain’ moest stilleggen wegens overmand door emotie. De adoratie van een publiek voor een goede artiest is altijd vertederend, maar pas écht als ze onthaald wordt met de ongeveinsde nederigheid van Portland: zelden was iemand mooier dankbaar. Met alle tranen die op en vóór het podium vloeiden, vulde je met gemak een klein zwembad - wat, by the way, geen kwaad idee zou zijn. Kop ik ‘m binnen? Een set om het warm van te krijgen! (vvp)

All Them Witches: moonshine in de middagzon ★★★☆☆

 

Sommige bands halen de affiche van Werchter omdat hun manager ergens een juiste deal sloot, voor andere bands is het de beloning voor hun volhouding. Old school blijven toeren en blijven spelen, ook al treffen ze in de zaal maar één bezopen kroegtijger die zijn toogzweer zit te masseren, of staat er op de wei slechts een handvol halfverbrande heikneuters z’n eerste zonneslag van de dag op te doen.

All Them Witches is een band van het laatste type: een trio langharig, hardwerkend tuig dat op de Main Stage nu eens ronkte als een optrekkende hotrod en dan weer bromde als een betrouwbare dieseltruck. Onder de verschroeiende middagzon riepen ze een ongenadig universum op waarin de mens zich oog in oog bevond met het noodlot.

'Never thought he would wake up from a fist fight', klonk het in het tegelijk zompige en ziedende ‘Fishbelly 86 Onions’, een song waarin het leek alsof de kerels van Kyuss midden in een van hun woestijntrips even op de vuist gingen. ‘Charles William’ beet dan weer bluesy en groovy in de kuiten van Queens of the Stone Age, en huilde wanhopig naar God, de maan en Herman Schueremans: 'Tell me, what is a grown man to do.'

Met ‘Workhorse’ zat All Them Witches recht in 'True Detective'-land. De mens, willoos overgeleverd aan zijn donkerste, meest destructieve driften, steevast met een fles zelfgestookte sterkedrank binnen handbereik: 'Now it’s high time for mischief once again.' Waarna de Allerhoogste himself onmiddellijk strafte met het genadeloos doorhamerende ‘When God Comes Back’ en iedereen in de armen van Satan dreef. Zijn hellepoel bleek zowaar een geschikt decor voor een feestje: 'Everyday is Halloween', zongen All Them Witches in slotsong ‘Alabaster’, dansbare stonerblues die een idee gaf van wat Kings of Leon had kunnen worden, als die niet vergroeid waren geraakt met hun designerjeans.

Zo, en dan nu op zoek naar een kraam waar ze moonshine onder de toog serveren. (pc)

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?