De 9 beste koersboeken: het wiel, de weg en de waarheid

, door (ja) en (jvds)

2
keors

De zweetgeur van de sport (Jan Wauters en Herman de Coninck)

Een bundeling van hun columns in het Nieuw Wereldtijdschrift. Fantastisch omdat het intellectualistische genre van het essay plotseling verenigbaar bleek met sport – in de meeste gevallen: wielrennen. Een slim boek, beeldend geschreven, en tussen de regels door hoor je een snelle radioverslaggever die voor één keer op zijn adem trapt.

 

 

 

 

De proloog (Bert Wagendorp)

De zinnen zinderen nog na. We parafraseren voor het gemak: ‘Nederlanders kunnen de koers niet begrijpen. Nederlanders zijn protestanten, steil in de leer. Koers is katholiek. Koers gaat over lijden en afzien, schuld en boete, zondigen en biechten, en daarna gewoon weer vrolijk verder zondigen. Koers is voor Vlamingen.’

 

 

 

 

 

Rough Ride (Paul Kimmage)

Van de Ierse journalist en ex-renner Paul Kimmage. Toen het in 1990 verscheen, had nog niemand beschreven hoe het er echt aan toeging in het peloton. Het was dan ook geen verrassing dat Kimmage meteen het etiket van nestbevuiler kreeg. Maar het boek mag zeker niet herleid worden tot een aanklacht tegen doping. Wat het meest trof: de zoektocht naar roem en glorie, die zo nadrukkelijk aanwezig is bij elke renner. Het boek is ondertussen een klassieker, de actualiteitswaarde blijft groot.

Als journalist maakte Kimmage vooral furore met zijn strijd tegen Lance Armstrong, die hij, samen met zijn landgenoot David Walsh, als enige durfde tegen te spreken: Ieren zijn geboren ruziemakers. Want ook Walsh en Kimmage, ooit gezworen vrienden, spreken al jaren niet meer met elkaar.

De Renner (Tim Krabbé)

Dé klassieker van de wielerliteratuur, waarin Tim Krabbé beschrijft hoe hij als amateurwielrenner deelneemt aan de Ronde van de Mont Aigoual in 1978. Iedereen heeft het altijd over de eerste zinnen van het boek: ‘Warm, bewolkt weer. Ik pak mijn spullen uit mijn auto en zet mijn fiets in elkaar. Vanaf terrasjes kijken toeristen en inwoners toe. Niet-wielrenners. De leegheid van die levens schokt me.’ Al is de kreet die Krabbé tijdens de wedstrijd uitstoot, nog veel subliemer: ‘Batüwü griekgriek,’ ingegeven door toenemende inspanning en zuurstoftekort. Probeer het zelf eens, zeg het enkele keren luidop tijdens het fietsen: je waant je echt renner.

 

Lance Armstrong’s War (Daniel Coyle)

Daniel Coyle tilde het embedded journalism – optrekken met het team van het Amerikaantje – naar het hoogste niveau: Armstrong zoals je hem nog nooit had gezien. Enkele jaren later schreef hij ‘The Secret Race – Tyler Hamilton’, waarmee hij de definitieve neergang van Armstrong inluidde.

 

 

 

 

Van Santander naar Santander (Peter Winnen)

In dagboekvorm vertelt Peter Winnen het verhaal van zijn carrière. Bij zijn debuut als prof in 1981 won hij in de Tour meteen de koninginnenrit naar Alpe d’Huez. Bij toeval, blijkt uit zijn dagboek, en het is alsof hij in een film verzeild is geraakt, één waar hij het liefst van al uit wil: ‘Eerlijk gezegd, ik had er geen zin meer in. Gewoon afstappen en me verschuilen in de menigte leek me nog de beste oplossing. Mijn benen waren net touwen.’

Winnen was altijd al een buitenbeentje: hij schreef gedichten en luisterde naar Joy Division. Na een bergetappe rookte hij het liefst van al een shagje met zijn vriendin Yvonne. De centrale figuur in zijn leven is de Belgische verzorger Jomme, die door Winnen gekoesterd wordt als symbool van het echte – want Vlaamse – wielerleven. Op elke bladzijde laat hij voelen hoe het is om wielrenner te zijn, ook omdat hij zich graag plastisch uitdrukt: ‘Hoe voelt het ook alweer als het koel, ingevet zeemleer tegen je ballen trekt?’

De Jan Mulder van de fiets hebben ze Peter Winnen ooit genoemd, maar hij was geen spits, wel een berggeit – van het bleke type zelfs, het deed pijn om hem in de zon te zien rijden. Minder spits, wel meer poëzie, en daarom is ‘Van Santander naar Santander’ zonder twijfel het beste wielerboek ooit geschreven.

Prisonnier du dopâge (Philippe Gaumont)

Met die dopingboeken is het altijd wat. Of er valt een oude rekening te vereffenen, of het zijn over veel te veel bladzijden uitgesmeerde pseudo-onthullingen die de auteur toelaten ook na de publicatie van het boek – en het incasseren van de royalty’s – deel te blijven uitmaken van het milieu. ‘Prisonnier du dopâge’ van wijlen Philippe Gaumont vermijdt die valkuilen.

Hij heeft zijn fiets aan de haak gehangen en hij wil aan een nieuw leven beginnen, een leven zonder doping en drugs. Maar zo eenvoudig is het niet: als je de grens overgestoken bent, vér overgestoken in het geval van Gaumont, keer je niet één-twee-drie terug. Dat beseft hij goed, en dat voelt de lezer ook tussen de regels: hij is één van die renners die niet zal ontsnappen aan zijn naderende noodlot. Net zo min als zijn frère ennemi Frank Vandenbroucke.

Slaying the Badger (Richard Moore)

Richard Moore reconstrueert de Ronde van Frankrijk van 1986, één van de meest memorabele edities ooit. Vooraf had Bernard Hinault beloofd zijn ploegmaat Greg LeMond te helpen bij zijn eerste Tourzege. Niets bleek minder waar: Hinault wilde zelf geschiedenis schrijven en als eerste zes Tourzeges binnenhalen. De brutale Bretoen blijft onevenaarbaar een flinke brok wielergeschiedenis: hij koerste altijd op woede en in die zin heeft hij veel met Lance Armstrong gemeen. Er zijn trouwens nog meer gelijkenissen.

 

 

Nous étions jeunes et insouciants (Laurent Fignon)

Tegelijk met de presentatie van zijn boek in 2009 maakte Laurent Fignon bekend dat hij aan kanker leed. De opening grijpt je bij de keel: Fignon voelt het einde naderen en kan de kanker nauwelijks nog weerstand bieden. Een jaar later overlijdt hij, omzeggens in het harnas: een maand voordien had hij met hese stem – de tumor drukte op de zenuwen van zijn stembanden – nog de ritten in de Tour van commentaar voorzien. Want ook al leek Le professeur zich als Parisien te goed te voelen voor het peloton, enkel daar wilde hij zijn laatste dag slijten.

De titel is veelzeggend: aan zijn zorgeloze leven komt een einde als hij in 1989 de Tour met 8 seconden verschil verliest van Greg LeMond. Zichzelf trouw gaat Fignon ook in zijn boek niets uit de weg en vertelt hij in het eerste hoofdstuk meteen de donkerste passage uit zijn carrière: ‘De ochtend na mijn nederlaag bleef ik maar tellen in mijn hoofd: 8 seconden, 8 seconden. Hoe meer ik telde, hoe meer ik besefte hoe belachelijk weinig dat wel was. Je kunt helemaal niks doen in 8 seconden! Hoe had ik kunnen verliezen? Het voelde alsof ik in een coma zat.’

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: