De Tand Des Tijds: 'Dune' (David Lynch, 1984)

, door (es)

18

Een vraag vanwege onze imaginaire vrienden Patrick en Danny: wat zijn nu eigenlijk onze favoriete sciencefictionboeken? Met stip op één: de vijfdelige ‘Duivelsprinsen’-cyclus van de grote Jack Vance, waarin de tot gevechtsmachine getrainde Kirth Gersen doorheen de Zelfkant van het heelal jacht maakt op de vijf aartscriminelen die de bewoners van zijn thuisplaneet Fraaibergen hebben uitgemoord of in slavernij weggevoerd. Op twee opnieuw een wraakverhaal: ‘Tijger! Tijger!’ van Alfred Bester, het opwindende verhaal van de ruwe, uitsluitend achterbuurttaal sprekende ruimtedrenkeling Gully Foyle en zijn bezeten zoektocht naar de ruimtesloep – de mysterieuze Vorga – die hem om één of andere reden weigerde op te pikken. En op drie: het monumentale ‘Duin’ van Frank Herbert, een prachtig geschreven epos dat zich bijna helemaal afspeelt op de onbarmhartige woestijnplaneet Arrakis – vindplaats van de bewustzijnsverruimende en levensverlengende Specie en tevens de plek waar de jonge Paul Atreides in het vlammende zand een verbeten guerrilla voert tegen het Keizerrijk. Dat niemand minder dan Denis Villeneuve op dit eigenste moment een verfilming van ‘Duin’ in de steigers probeert te zetten, doet ons hart nog harder bonken dan de stampers die de Vrijmans – de oorspronkelijke bewoners van Arrakis - in het zand planten ten einde de gigantische zandwormen te lokken. Want als er in Hollywood dezer dagen één cineast rondloopt die het volgens ons in zich heeft om de Hooglinieschepen, de wapperende banieren van het geslacht Atreides en de laaiende zandzeeën van ‘Duin’ op de juiste manier naar het witte doek te brengen, dan wel de maker van ‘Enemy’, ‘Sicario’ en ‘Blade Runner 2049’. Over ‘Blade Runner 2049’ gesproken: ondanks de lovende kritieken en ondanks de Oscar voor beste mannelijke bijrol die Harrison Ford straks gaat winnen (zo hopen wij toch) voor zijn verrassend ontroerende comeback als Rick Deckard, wordt er naar ons gevoel nog altijd onvoldoende bij stilgestaan wat voor een onwaarschijnlijke krachttoer Villeneuve heeft geleverd, namelijk: een sequel draaien die de visuele schoonheid, de poëtische intensiteit en de melancholische gevoelsontladingen van het meesterwerk van Ridley Scott bíjna – het scheelt drie tranen in de regen – weet te evenaren. Zo, dat moest er even uit.

Nu zijn er in het verleden al enkele pogingen ondernomen om het onverfilmbaar geachte ‘Duin’ in beelden om te zetten. Enerzijds zal het ons altijd wel blijven benieuwen hoe de versie van Alejandro Jodorowsky er zou hebben uitgezien, maar van de andere kant zijn we ergens ook wel opgelucht dat diens gekke ideeën (Salvador Dalí als de Padisha Keizer? Mick Jagger als Feyd-Rautha? Oh please) het niet gehaald hebben. En dan – en nu landen we eindelijk in het zand – is er ook nog het geval David Lynch. In diens onnavolgbare filmografie blijft ‘Dune’ een ietwat aparte titel: een peperdure, grootschalige studiofilm tjokvol speciale effecten. Nadat hij in 1980 een bescheiden hit had gescoord met het wondermooie ‘The Elephant Man’, begonnen Lynch en de grote Hollywoodstudio’s elkaar op te vrijen: George Lucas bood hem op een gouden schoteltje de regie aan van ‘The Return of the Jedi’, hij flirtte even met de Hannibal Lecter-roman ‘Red Dragon’ van Thomas Harris, maar liet zich uiteindelijk verleiden door de roemruchte Italiaanse producent die de rechten op ‘Duin’ in handen had: Dino De Laurentiis.

Nu wekt het misschien verwondering dat de eigenzinnige Lynch zich liet strikken door een producent van mainstream-blockbusters, maar misschien is het zo dat hij het na jaren ploeteren – zijn op de zolder in elkaar gestoken debuutfilm ‘Eraserhead’ had hem zes jaar lang bloed, zweet en tranen gekost - weleens aangenaam vond om met de allerbeste faciliteiten te kunnen werken. Wist hij op dat moment veel dat de opnamen van ‘Dune’ zouden uitgroeien tot zijn ergste nachtmerrie. In het eindresultaat zitten enkele fantastische scènes, en dan denken we vooral aan de ‘The Duke will die before these eyes!’-monoloog van Baron Vladimir Harkonnen, of aan het machtige beeld van die uit de woestijn oprijzende zandworm, of aan de tandscène met Dr. Yueh en Hertog Leto. Op die momenten krijg je een glimp van hoe geweldig deze film had kunnen zijn indien Lynch het overzicht had kunnen bewaren. Jammer genoeg komt het geheel zo chaotisch over dat we het perfect zouden kunnen begrijpen mocht u al na vijf minuten de draad hopeloos kwijt zijn. De onbegrijpelijke proloog, de acteurs die zichtbaar worstelen om hun dialogen gezegd te krijgen, de veel te snel afgehaspelde tweede helft: allemaal bewijzen dat het Lynch niet is gelukt om de mythologie van Duin – het boek telt meer dan vijfhonderd bladzijden – samen te ballen tot één gestroomlijnde film. De indruk die overheerst is dat Lynch wel in tune was met het bronmateriaal, maar dat hij gaandeweg z’n greep verloor op het hele project; dat hij onvoldoende controle had over zijn meer dan 1000 man tellende crew; dat hij hopeloos werd verzwolgen door die gigantische Hollywoodmachine. Wanneer niemand minder dan Sting uit dat futuristische stoombad stapt, met rond zijn lendenen niets anders dan een gevleugelde g-string en op zijn smoel een werkelijk hilarische poging tot een boosaardige grijnslach, flirt ‘Dune’ zelfs even met de lachwekkende camp.

Toch voel je occasioneel nog de hand van de meester. De door industriële soundscapes begeleide landing van het inktzwarte fregat, het sissende staal en ijzer op de planeet Giedi Prime, de reusachtige zwarte tank waarin de vertegenwoordiger van het Gilde rondzwemt: allemaal nachtmerrie-achtige scènes die duidelijk uit de koker van de maker van ‘Lost Highway’ en ‘Twin Peaks’ afkomstig zijn. Tussen de magnifieke decors zien we trouwens een heleboel acteurs ronddwalen die we vandaag kennen als trouwe bewoners van Lynchland: Kyle MacLachlan! Everett McGill! Brad Dourif! Jack Nance! Dean Stockwell! Maar over het geheel genomen lijkt Lynch zich dus aan ‘Duin’ te hebben vertild.

Denis Villeneuve vatte het goed samen: ‘Schitterende designs, maar de film werkt niet.’ Lynch, die het gespreksonderwerp ‘Dune’ vandaag het liefst uit de weg gaat, trok er bittere lessen uit: hij zwoer om nooit ofte nimmer nog de creatieve eindverantwoordelijkheid van een film uit handen te geven, keerde terug naar de niche van de eigenzinnige arthousefilm, en ging zich opnieuw bezighouden met zijn grote obsessie – de bedrieglijke schoonheid van small town Amerika. Het resultaat was een meesterwerk: ‘Blue Velvet’.

Humo's tv-tips in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: