'Terug naar Oosterdonk': een reus op lemen voeten

, door (jm)

119

‘Ons begraven ze niet in de polder, ze begraven de polder in ons.’ Ik was twaalf toen ik Pietje de Leugenaar het einde van een tijdperk hoorde aankondigen. Het was vrijdagavond, en op televisie zag ik de eerste aflevering van de reeks die ik mijn hele jeugd zou meedragen. Twaalf was te jong om alle nuances en finesses te doorzien, en de tragiek van een opdrogend dorp helemaal te doorvoelen. Maar iets moet me midscheeps getroffen hebben – allicht was het de melancholie die als een mooi-droevige film over de serie ligt. Feit is dat ik de zes episodes ademloos uitzat, en dat daar plots het krachtige besef was van wat fictie met een mens vermag.

Om mezelf ervan te verzekeren dat ik mijn jeugdherinneringen aan de serie niet te erg geromantiseerd heb, kijk ik – sinds ‘Terug naar Oosterdonk’ uit is op dvd – elke winter weer naar die zes episodes. En telkens word ik opnieuw midscheeps getroffen – ook al ken ik intussen de verhaallijnen van naaldje tot draadje, kan ik flarden dialoog meelippen, en hoort een mens ouder dan een kwarteeuw niet meer aan dweperij te doen. Een stelling die me aan mijn schrikbarend uitdijende reet kan roesten, trouwens.

Ik word ook altijd weer boos op de toenmalige BRTN, waar ze ‘Terug naar Oosterdonk’ te traag of te moeilijk of te whatever vonden voor het eerste net, waar de reeks oorspronkelijk voor bedoeld was. En dus werd het verhaal van Pietje de Leugenaar verbannen naar TV2: de voorloper van Canvas, en toen nog een wat troosteloos allegaartje van cultuur, sport en vormeloze dingetjes die door de openbare omroep getolereerd werden zolang er maar iemand was die er het etiket ‘interessantig’ op plakte. Pas in 2011 mocht de herhaling van de reeks op Eén. En nu dus opnieuw, weliswaar met een erg trieste aanleiding: het overlijden van Marc Van Eeghem, die de serie mee droeg.

Ganzenrijden en jenever

O mooie ironie: op de redactie van Humo heb ik nog enkele jaren schuin over Guido Van Meir gezeten, de man die de figuur Pietje de Leugenaar bedacht, en toneelstuk, boek en scenario van ‘Terug naar Oosterdonk’ schreef. Heb ik het hem ooit gezegd, hoe ik in Oosterdonk geleefd heb, zonder dat ik er ooit geweest ben? Zonder dat het ooit bestaan heeft, zelfs.

Dat Oosterdonk is immers een samentrekking van Oosterweel en Wilmarsdonk, twee polderdorpen die wél echt bestaan hebben, maar intussen al decennia onder kuben zand bedolven zijn. Waarmee we bij de kern zitten van het verhaal dat Van Meir wilde vertellen: dat van de oude Vlaamse dorpsgemeenschappen die in de jaren 50 en 60 plots oog in oog stonden met de moderniteit. En genadeloos uit beeld gesmasht werden.

Het verhaal begint in het heden (minus twintig jaar, vanzelfsprekend), wanneer Brecht Bosmans, een tv-presentator op zijn retour, zijn vader verliest. Daardoor keert hij voor het eerst in jaren terug naar Oosterdonk, het dorp uit zijn jeugd, waar na de begrafenis gekoffietafeld wordt in café Spek en Eieren, pal in het havengebied. Het dorp zelf is al jaren ondergespoten – geslachtofferd aan de oprukkende industrie. De torenspits van de kerk steekt met een moedeloze fierheid boven het zand uit. Zo zaligmakend blijkt die industrie trouwens niet: de mannen van de petrol staken, en maken buiten stampij.

De scènes aan de koffietafel baden in groezelig, blauwig licht. De rook van Belgasigaretten drenkt het achterafzaaltje van de Spek en Eieren in een morsige flou, en na de obligate koffiekoeken wordt er duchtig met pils gemorst. Er hang een beklemmende weemoed over die scènes: voor het eerst in jaren zien de gewezen dorpsgenoten elkaar terug. Er lijkt niets veranderd, en toch is alles anders. Wonden worden opengereten, anekdotes krijgen een poetsbeurt, en er wordt driftig gediscussieerd over namen, jaartallen en verhalen. Centraal staat de mysterieuze laatste wens van de vader van Brecht: dat Jos Teugels op zijn begrafenis aanwezig zou zijn. Teugels, een figuur uit het ouwe Oosterdonk, is van de radar verdwenen. Maar aangenomen wordt dat hij de sleutel tot de oplossing van een aantal merkwaardige raadsels uit het verleden in handen heeft. Zo wordt ‘Terug naar Oosterdonk’ ook spánnend.

Ouwehoeren aan een koffietafel kan natuurlijk geen hele tv-serie dragen, en dus wordt er voortdurend geflashbackt richting jaren 50. Dan krijgen we het idyllische Oosterdonk te zien, dorp van kermiskoersen, ganzenrijden en jenever drinken in De lijmstok, het café van de oude Fien. Brecht groeit er op – een jonge kadee die twijfelt tussen gekweld en levenslustig, en de liefde voor het bakkersmeisje Elza voelt knellen in zijn jongenslijf. Samen met zijn maatje Walter trekt hij vaak de polder in, om er les te krijgen van Pietje de Leugenaar, een bizarre filosoof-kluizenaar-magiër-levenskunstenaar. Pietje waarschuwt voor het dreigende failliet van hun geboortegrond: de haven gromt, de industrie bijt, en straks blijft er niets meer over. En inderdaad: al snel duikt Robert Custers op, een ingenieur die vooruitgestuurd wordt om het dorp warm te maken voor moderne tijden. En en passant de maten opneemt voor de doodskist van het oude Oosterdonk.

KLODDERS ROUW

Van Meir dropte zijn verhaal in handen van regisseur Frank Van Passel, die er een kunststukje van maakte. Door een uitmuntende cast rond zich te verzamelen, vooral, en die naar onstuimige hoogten te sturen. Dirk Roofthooft ís Pietje de Leugenaar, de schonkige, excentrieke, wereldwijze polderhond – Roofthooft verzon er zelfs een eigen dialect voor. Ides Meire, toen nog très piep, is onthutsend charmant als de jonge, Rik Van Uffelen aandoenlijk getormenteerd als de oude Brecht.

Er is Fred Van Kuyk, die de ouwe seen it all-communist Seppe aan een vertolking op de millimeter helpt. Er is Katelijne Damen met haar krachttoer: in de jaren 50 de hupse moeder van Brecht, in de jaren 90 diezelfde moeder, maar dan met een sip, benepen stemmetje, en klodders rouw in de ogen. Er is Günther Lesage, pijnlijk accuraat als de jonge Jos Teugels, de wat dommige dorpsjongen die zich in zijn ongeluk stort door met het knapste én doortraptste dorpsmeisje te trouwen – een oogverblindende Antje De Boeck.

Misschien wel het mooiste archetype is meester Moens. Briljant, hoe Peter Van den Eede gestalte geeft aan die te enthousiaste dorpsonderwijzer. Zovele jaren later, op de koffietafel, is hij een warrige drama queen die het gezelschap absoluut zijn indertijd geschoten filmpjes wil tonen. En dan heb ik het nog niet gehad over Dora van der Groen, even tragisch als hilarisch als tante Fien, de cafébazin die de geschiedenis wil trotseren. ‘Mij zullen ze hier moeten buitendragen’ – maar dan met een onnavolgbaar accent. Maar het méést zal ik deze week dus letten op Marc Van Eeghem, en hoe die met joyeus vakmanschap de kleren aantrok van Louis Bosmans, de vader van Brecht. 

‘Terug naar Oosterdonk’ is geworteld in la Flandre profonde, die morzel land waar ik alleen maar met een cocktail van deemoed, heimwee, wanhoop en liefde naar kan kijken. Het Vlaanderen dat de dorpskern zag verpieteren ten voordele van de lintbebouwing, de akkers verspeelde aan de industrie, de carnavalsliedjes verving door The Beatles. Maar het is toch ook vooral een universele vertelling – over de altijd weerbarstige liefde, over landlopers en outcasts die verdwalen, over ouders en kinderen, en over de wonderjaren, die, in uitgesteld relais bekeken, altijd weer zoetsappiger lijken dan ze allicht werkelijk waren.

Ik weet het wel zeker: ‘Terug naar Oosterdonk’ is het mooiste Vlaamse tv-drama dat ik ken. Ik hoop dat ze kijken, in Doel. 

Humo's tv-tips in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De Persgroep Publishing heeft haar Privacy– en cookieverklaring aangepast.
Wij gebruiken jouw persoonsgegevens vanaf nu ook om de Diensten van MEDIALAAN Groep/De Persgroep Publishing te optimaliseren en deze waarvoor jij kiest te personaliseren.
Door op “verdergaan” te klikken of door verder te surfen, erken je deze aangepaste Privacy– en cookieverklaring gelezen te hebben.

Verdergaan