De Tand Des Tijds: 'Bloodsport' (Newt Arnold, 1988)

, door (es)

133

Mep middels één goedgerichte zijwaartse lowkick de kurk uit uw beste champagnefles: dit jaar is het precies dertig jaar geleden dat Jean-Claude Van Damme zijn grote doorbraak beleefde met ‘Bloodsport’! Nou ja, het is natuurlijk níet zo dat Muscles from Brusselsdankzij ‘Bloodsport’ ineens Oscars begon te winnen of linea recta naar de absolute top van de A-list flitste.

Maar het commerciële succes van zijn eerste echte Hollywoodfilm betekende voor Van Damme wél de start van een al bij al mooie carrière die hem midden de jaren negentig zelfs even in de slipstream van de Grote Drie bracht (Stallone, Schwarzenegger en Willis). Van Damme was in 1988 niet die gelouterde, ietwat bedachtzame, met zijn eigen imago spottende acteur die we kennen uit ‘JCVD’ en de televisiereeks ‘Jean-Claude Van Johnson’, maar een jonge karatekampioen die vanuit Sint-Agatha-Bechem naar Los Angeles was afgereisd met een sporttas vol dromen.

In het legendarische interview dat we enkele jaren geleden met hem hadden in Knokke (legendarisch omdat Hij het ons op het moment suprême toestond om zijn schouderspieren te betasten) vertelde hij ons dat hij in Los Angeles op zijn knieën was gaan zitten voor Menahem Golan, de beruchte Israëlische producent van de al even beruchte filmstudio Cannon, en letterlijk had gesméékt voor de hoofdrol in de martial arts-flick ‘Bloodsport’. Van Damme speelt Frank Dux (en dat spreekt u uit als ‘doeks’), een soldaat die uit het leger deserteert om in Hong Kong te kunnen deelnemen aan de Kumite, een mysterieus toernooi waar de beste krijgers ter wereld (onder wie een zwarte die in een sterk staaltje van etnische stereotypering in de jungle met een lendendoekje aan kokosnoten staat te verbrijzelen) in een reeks bloedstollende full contact-duels met elkaar in de clinch gaan.

De nationaliteit van de met een vuistdik Franstalig accent sprekende Dux wordt nergens vermeld, maar tijdens sommige duels valt wel op dat Van Damme in een rode kimono, een zwarte broek en met een gele riem rond de heupen staat te vechten. Zwart, geel, rood – Duh-huh! Toen de film uitkwam, schreven de meeste critici dat de vertolkingen van een belabberd niveau zijn - en dat klopt. Wanneer Van Damme het op een acteren moet zetten, neemt hij zijn toevlucht tot een reeks gelaatsuitdrukkingen die zo geforceerd overkomen dat het hilarisch wordt.

Wanneer hij in de zesde minuut zijn respect komt betuigen aan zijn shidoshi, zijn oude leermeester, haalt hij bij de voordeur zijn ‘blije oogopslag’ boven’: om je kreupel te lachen. Wanneer hij zijn shidoshi vervolgens vertelt dat hij vastbesloten is om naar het toernooi te trekken, toont hij zijn ‘vastberaden oogopslag’: om over de vloer te rollen van het gieren. Maar goed, de bewering dat de acteerprestaties in ‘Bloodsport’ eerder aan de lamlendige kant zijn, is ongeveer even absurd als de stelling dat de actiescènes in de films van Ingmar Bergman van een bedroevend niveau zijn.

Met andere woorden: naar ‘Bloodsport’ kijk je niet voor de diepgang van het scenario, maar voor het voetenwerk en de traptechnieken. En voor de oneliners natuurlijk! En die zijn van voortreffelijk makelij, waarbij we in eerste instantie denken aan het onsterfelijke ‘een baksteen slaat niet terug!’ en het legendarische ‘Wat de hel is een dim-mak?’ Absoluut hoogtepunt is natuurlijk de korte dialoog tussen Frank en Chong Li, de regerende kampioen en een sadist eersteklas.

Het feit dat Frank in de eerste ronde Chong Li’s wereldrecord van de snelste knockout heeft verbeterd, leidt tot één van de meest historische oneliners uit de filmgeschiedenis; een oneliner die het verdient om naast ‘To be or not te be: that is the question’, ‘Veni vidi vici’ en president Kennedy’s ‘Ich bin ein Berliner’ te worden opgenomen in de annalen van geweldige spreuken:

- You broke my record. Now I’ll break you!

En verder zitten wij – wij die nog geen deuk in een pakje boter kunnen slaan – altijd weer met verbazing en afgunst te kijken naar de duels. Qua gevechtsvaardigheden beschikt Van Damme misschien niet over de acrobatische inventiviteit van Jackie Chan, of over het soepele meesterschap van Bruce Lee, maar met zijn beroemde split, zijn gevreesde helicopter movementen zijn roemruchte double kickingsdjoef-djoef-paw-paw! - verruimde hij niettemin de grenzen van de martial arts-techniek.

Wat ‘Bloodsport’ anno 2018 overigens extra amusant maakt, is dat de rol van één van de twee Amerikaanse agenten die de gedeserteerde Dux in Hongkong komen opsporen, wordt vertolkt door de jonge Forest Whitacker. Whitackers moment de gloire zit diep in de tweede helft, wanneer we hem een reusachtig stroomstootwapen uit de binnenzak van zijn colbertje zien opdiepen en hem horen uitroepen: ‘Wil je vonken schijten?!’ Voor alle duidelijkheid: we hebben het hier wel degelijk over de acteur die in 2006 een Oscar zou winnen voor zijn vertolking in ‘The Last King of Scotland’.

Ook reuzen zijn klein begonnen. De laatste woorden zijn voor JCVD: ‘Toen ik ‘Bloodsport’ de eerste keer in de cinema zag, was ik enorm beschaamd. Ik zakte héél diep weg in mijn stoeltje, en ik weende. Maar toen ik de film onlangs terugzag, dacht ik bij mezelf: ‘Ik hoef hier helemaal niet beschaamd om te zijn! Dit is verdorie een goeie film!’’ Op straffe van een double kicking durven wij JCVD niet tegen te spreken.

Humo's tv-tips in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: