De Tand Des Tijds: 'The Breakfast Club' John Hughes, 1985)

, door (es)

176

De jaren 70 zullen wel altijd geboekstaafd staan als de hoogdagen van de Amerikaanse cinema (‘The Godfather’! ‘Apocalypse Now’!), maar ook in de jaren 80 gebeurde er in dat kleine magische hoekje van de wereld dat we kennen als Hollywood iets heel bijzonders. Tussen 1984 en 1987 bundelden het talent van een handvol jeugdige regisseurs (John Hughes, Howard Deutch, Cameron Crowe), de honger van een kakelverse generatie acteurs, het gut feeling van enkele studiobazen, de tijdsgeest en de toevalsfactor zich tot een nooit eerder geziene straal van energie en creativiteit.

En zo ontstond er in Tinseltown een prachtig momentum, waaruit een reeks prachtige coming-of-age-films voortvloeiden: ‘The Breakfast Club’, ‘St. Elmo’s Fire’, ‘Sixteen Candles’, ‘Some Kind of Wonderful’, ‘Pretty in Pink’, ‘Say Anything’. Het frisse aan die films was dat het geen vulgaire komedies waren die bolstonden van de platvloerse onderbroekenlol, zoals ‘American Pie’, maar dat ze op een oprechte en gevoelige manier naar de bekommernissen van tieners en jonge volwassenen peilden.

Prachtige langspelers waren het, die heel juist weergaven wat er in het leven van de doorsnee tiener speelt; die de vingers op hypergevoelige plekken durfden te leggen, zoals afwijzing en liefdesverdriet; en die op een goudeerlijke manier de dromen en kwetsbaarheden schilderden van jongeren die veel te snel volwassen moesten worden in een gevaarlijke wereld vol onbegrijpende ouders en onverschillige leerkrachten. Doordat er met de opkomst van de teenpick ineens een grote nood ontstond aan nieuwe, jonge acteurs, dienden de casting agents in Hollywood plotseling op zoek te gaan naar massa’s vers bloed.

En dat bloed werd gevonden. Molly Ringwald, Emilio Estevez, Ally Sheedy, Anthony Michael Hall, Judd Nelson, Eric Stoltz, James Spader, Andrew McCarthy, John Cusack, Demi Moore, Rob Lowe: sommigen zijn vandaag nog steeds hier, vele anderen zijn al jaren niet meer waargenomen. En de films zelf – zijn die overeind gebleven? In het geval van ‘The Breakfast Club’, een film die in zijn tijd al werd uitgeroepen tot dé ultieme eighties-teenpic, luidt het antwoord: jááááááááááá!

‘The Breakfast Club’ is het geesteskind van John Hughes, een regisseur over wie met de stelligste overtuiging mag worden gezegd dat hij tieners begréép; dat hij in tune was met hun demonen; dat hij een haarscherp inzicht had in hun leefwereld; en dat hij hen met films als ‘The Breakfast Club’ liet voelen dat ze niet alleen waren. Toen hij in 2009 overleed, kon je alle kinderen van de jaren 80 in een collectieve opstoot van verdriet een traan horen laten. Alleen al die begingeneriek van ‘The Breakfast Club’: het logo van Universal, die krachtige synths, het ‘Hey! Hey! Hey! Ooh-woh!’ van Jim Kerr (‘Don’t You Forget About Me’ zou uitgroeien tot het anthem van alle zielen die weten hoe het is om alleen te moeten dansen), dat citaat van David Bowie (uit de song ‘Changes’)...

Puurder, cooler, iconischer, échter kan een begingeneriek niet zijn. In een zo goed als verlaten schoolgebouw dienen vijf leerlingen (Emilio Estevez! Ally Sheedy! Molly Ringwald! Judd Nelson! Anthony Michael Hall!) op een zaterdag een lange strafstudiedag uit te zitten; praten is verboden en iedereen moet op z’n stoel blijven zitten. En omdat ze nu eenmaal in de tienertijd zitten vinden de vijf het belachelijk dat ze daar moeten zijn. Natuurlijk vinden ze alles klote, natuurlijk willen ze elkaar in eerste instantie doen geloven dat ze cool zijn, en natuurlijk kijken ze voor zich uit zoals alleen tieners voor zich uit kunnen kijken – met de mondhoeken naar beneden getrokken en de blik op oneindig.

Tot ze, in een prachtige scène, ineens samen het deuntje uit ‘The Bridge over The River Kwai’ beginnen te fluiten. Ineens ontstaat er een samenhorigheidsgevoel, ineens beginnen ze met elkaar te praten, ineens zetten ze de deur naar hun zieltjes wagenwijd open en komen de frustraties er als kolkende lava uit gulpen. Laagje na laagje schilt Hughes de pel van hun tienerzieltjes, tot er vijf gekwetste jongeren tevoorschijn komen die heel hard worstelen met het leven. Mooie scène: wanneer Andrew (Estevez) eindelijk de moed heeft gevonden om over zijn emoties te praten, zien we hem bevrijd door de gangen dansen en begint hij te roepen en te schreeuwen en te brullen – tot de ramen letterlijk aan diggelen vallen.

Hoe ouders hun kinderen kunnen verneuken, hoe fataal de enorme druk kan zijn die zogenaamde ‘vrienden’ op elkaar kunnen uitoefenen: ‘The Breakfast Club’ schuwt geen enkel puisterig hangijzer. En dan gaan wij nu die ‘Hey! Hey! Hey!’ nog één keer door het huis laten knallen; zo luid als onze luidsprekers het toestaan; tot al onze ramen en deuren en muren aan diggelen vliegen.

Humo's tv-tips in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: