Dit zijn de 5 beste Netflix Original-films

, door (vvp)

46

1: 'The Meyerowiz Stories (New and Selected)' 

De beste film van Netflix – correctie: de beste film die ooit op een streamingplatform is verschenen – is zonder enige noemenswaardige vorm van concurrentie de prachtig geschreven, geniaal vertolkte familiekroniek ‘The Meyerowitz Stories (New and Selected)’, een film waarop wij meteen halsoverkop verliefd zijn geworden. En de absolute glansrol, die is voor – wie anders? – Adam Sandler. Gol dang!

Zoals de titel al aangeeft, is ‘The Meyerowitz Stories’ een in een losse structuur gegoten reeks verhaaltjes over de familie Meyerowitz. De patriarch van de familie is de narcistische beeldhouwer Harold (Dustin Hoffman in zijn beste rol sinds mensenheugenis), die zich op zijn oude dag miskend voelt door collega’s, critici en de rest van de wereld. Hij is samen met de vrolijke alcoholicus Maureen (Emma Thompson) wanneer zijn zoon Danny (Sandler) komt aankloppen: zijn huwelijk is net op de klippen gelopen, hij is werkloos en zijn dochter (Grace Van Patten) staat op het punt om naar de universiteit te vertrekken. Danny’s halfbroer Matthew (Ben Stiller) komt langs wanneer hij in New York is op zakenreis, terwijl ook zus Jean (Elizabeth Marvel) in de gratie van haar vader probeert te komen. Harold, tot slot, denkt alleen aan de expositie die binnen enkele weken aan hem wordt opgehangen.

Qua plot loopt ‘The Meyerowitz Stories’ helemaal gelijk met het meesterwerk ‘The Royal Tenenbaums’ van Wes Anderson – dysfunctionele familie moet zien om te gaan met excentriek vaderfiguur – maar de aanpak van regisseur Noah Baumbach is totaal verschillend. Waar Anderson een audiovisuele snoeptaart maakte waarin hij de melancholie hoe langer hoe dieper in het glazuur liet doorsijpelen, kiest Baumbach voor eenvoud. Hij focust in een beheerste, geduldige visuele stijl, met veel lange takes, volledig op de conversaties die de verschillende leden van de familie Meyerowitz met elkaar hebben – al hun aandoenlijke pogingen tot vriendelijk contact. Dit zijn personages die rusteloos rond elkaar heen fladderen, die bevestiging zoeken over hun eigen zorgen en problemen, die elkaar behandelen als klankbord en die af en toe – in enkele van de mooiste dialogen van de laatste jaren – plóts op dezelfde golflengte belanden (alsof ze opeens een andere planeet bereiken!), in een zeldzaam, kostbaar moment van geslaagde, waardevolle communicatie. En in die momenten voel je het kippenvol zo over je armen stromen.

Het is van de screwballkomedies uit de jaren 30 geleden dat de dialogen in een film nog eens zo flitsend met elkaar versmolten – iedereen zit voortdurend door elkaar te tetteren, niemand laat de ander uitspreken. Maar waar de screwballkomedies mikten op een soort gestileerde, humoristische chaos, zo zoekt Baumbach naar iets waarachtigs, naar de ziel van Een Familie, naar de eenzame strijd die alle mensen elke dag leveren om toch maar een beetje begrip te krijgen van de mensen die normaal gezien het dichtst bij hen zouden moeten staan. En dat klinkt nu zwaarwichtig, maar het knappe is dat Baumbach de toon luchtig, vluchtig en levendig houdt.

En dan is er natuurlijk nog de vertolking van Sandler: we zien zijn personage Danny voor het eerst wanneer hij in het verkeer bijna uit zijn huid springt tijdens een parkeermanoeuvre (‘Danny Meyerowitz Was Trying to Park,’ legt een smalende tussentitel uit), maar we zien hem óók als een liefdevolle vader, een geduldige zoon en een broer die heel hard probeert om goed te doen. Hij heeft een bonte verzameling neuroses, hij mankt maar wil niet naar de dokter en hij heeft het nerveuze knikje – ook als hij het niet met iemand eens is, lijkt hij wel een vriendelijke bobble-head – van zijn vader overgenomen. De scène tegen het einde van de film waarin hij Ben Stiller in de haren vliegt, om vervolgens samen met hem een speech ter ere van Harold af te steken, is van een rauwe, hondsoprechte schoonheid. Wie hem in ‘Punch Drunk Love’ bezig zag, wist al heel lang dat Sandler een groots acteur kan zijn, maar het komt niet vaak voor dat hij daadwerkelijk de moeite wil doen. De rest van de cast is, tussen haakjes, ook subliem.

Dan hebben we nog niet eens benadrukt hoe gráppig ‘The Meyerowitz Stories’ bij momenten is: de reactie van Danny en de familie wanneer ze het experimentele, seksueel getinte kunstfilmpje van zijn dochter bekijken! Of hoe mooi de score van Randy Newman bij het verhaal past. ‘The Meyerowitz Stories’ combineert het allerbeste van Woody Allen met de zachte poëzie van Jim Jarmusch, maar is vooral honderd procent Noah Baumbach. Die kerel is intussen – na prachtige films als ‘The Squid and the Whale’, ‘Frances Ha’ en ‘While We’re Young’ – uitgegroeid tot een groot cineast, die met deze prent zijn voorlopige meesterwerk heeft afgeleverd. Dank u, Noah!

2: ‘Okja’

De vierde voltreffer op rij van de Koreaanse regisseur Bong Joon-ho, die naam maakte met de monsterfilm ‘The Host’, de thriller ‘Mother’ (die zónder uitroepteken en zónder Jennifer Lawrence’s doorkijknegligé) en de blockbuster ‘Snowpiercer’. Nu op zichzelf al een abonnementje Netflix waard: het fantastische ‘Okja’, een excentrieke, wervelende eco-satire op z’n Bongs. Eigenlijk kan je de prent nog het best zien als de liveactionversie van de sprookjesachtige tekenfilms van de Japanse meester Hayao Miyazaki (‘My Neighbor Totoro’, ‘Spirited Away’).

Het verhaal begint bij een grote aankondiging vanwege de multinational Mirando Corporation. De nieuwe CEO (Tilda Swinton) stelt fier het ‘supervarken’ voor, een op ecologische, natuurvriendelijke wijze gekweekt dier dat voor een revolutie in de vleesindustrie moet zorgen. Bij wijze van stunt stuurt ze de vijfentwintig mooiste supervarkens naar boeren overal ter wereld om de diertjes daar in alle rust en vrede te laten opgroeien – alvorens ze lekker opgesmikkeld kunnen worden. Tien jaar later zal dan een verkiezing plaatsvinden van Het Mooiste Supervarken. Eén van de biggetjes – een schattig ding met de naam Okja – komt zo terecht bij het jonge meisje Mija (Ahn Seo-hyun), die er liefdevol zorg voor draagt. Tot de dag komt dat Okja weer naar New York moet.

Een Bong-film speelt zich altijd af in een soort geschift parallel universum, waarin alles dubbel zo groots, dubbel zo flamboyant en dubbel zo kleurrijk is als in de echte wereld. Kijk maar naar de personages die Mija op haar tocht tegenkomt om Okja van de vleesmolen te redden: een integere groep eco-terroristen onder leiding van Paul Dano, bijvoorbeeld, of de geflipte zoöloog
Jake Gyllenhaal, die er met zijn korte safaribroek en opgetrokken kousen werkelijk bespottelijk uitziet. De acteerprestaties zijn navenant: Tilda Swinton kauwt met haar enorm stel blinkend witte tanden alle meubilair kapot (‘We smullen allemaal van het gezicht en de anus! Alles aan die varkens is eetbaar, behalve het gekrijs!’), maar toch gaat Gyllenhaal er nog harder over. Hij speelt élke scène alsof hij Andy Dick imiteert nadat die net een ‘Scarface’-achtige dosis cocaïne heeft gesnoven. Het is een ervaring om hem bezig te zien! Dat werkt bevreemdend, maar eens je méé in het universum zit, is het ook geweldig entertainend.

Het helpt dat Bong een begenadigd stilist is. Al zijn shots zijn perfect uitgekiend. (Let op dat ene beeld van de Mirando-leiding die naar de achtervolging op Mija kijkt: duidelijk geïnspireerd op de beroemde foto van Obama die met zijn administratie de jacht op Bin Laden volgt!) En hij is een geweldig actieregisseur: de scène in de metro van Seoul is honderd keer wilder, grappiger en inventiever dan – we krijgen een vaste Humo-bonus van 200 euro elke keer dat we zo’n opmerking maken – tachtig procent van alle Marvel-actiescènes samen. Het zou allemaal niet mogen werken, hoor. Op papier horen die stuntelende oom van Mija en die confronterende slachthuisscènes toch niet in dezelfde film thuis? Maar op de één of andere manier houden de uitersten in Bongs filmuniversum elkaar altijd in evenwicht, alsof hij de perfecte bereidingswijze heeft gevonden van een totaal onstabiel, gevaarlijk chemische brouwsel.

Maar alle vormelijke uitspattingen ten spijt is het toch de pure, onversneden emotie van de film die blijft hangen. ‘Okja’ is even hartverscheurend, even meedogenloos, even verpletterend als een echt slachthuisfilmpje uit Anderlecht – of een voetbalmatch tégen Anderlecht. Samen met Mija daalt de kijker almaar dieper af in de lugubere krochten van de Mirando-abattoirs, en wat zich daar afspeelt, doet werkelijk pijn aan de ogen – alsof iemand ook een vleesvork in jóúw ribben duwt. ‘Okja’ doet iets waar zelfs de best bedoelde Greenpeace- filmpjes niet in slagen: je doen walgen van het vlees dat op je bord ligt, je doen nadenken over je consumptiegedrag. En daarvoor moet Bong niet één keer – zoals in de Amerikaanse versie van dit verhaal ongetwijfeld wél zou gebeuren – aan het preken gaan. De toon is teder, eerder dan staalhard: zo is er één lief momentje helemaal op het einde van de film dat vanuit het niets opeens een dikke krop in onze keel duwde.

En zo is na de aftiteling ook je hart door de gehaktmolen gehaald. ‘Okja’ is zo mooi dat-ie naast een kotelletje uit je schouder ook een stukje uit je vleesetende ziel weet weg te snijden. Vanavond eten wij geen hamburger, maar hummus. Bon appétit!

3: ‘Blade of the Immortal’

Takashi Miike, de wildste Japanse cineast sinds Seijun Suzuki, heeft in zijn filmografie de triple digits bereikt – normaal gezien het voorrecht van pornoregisseurs – en heeft met de bovennatuurlijke, hypergewelddadige samoeraiprent ‘Blade of the Immortal’ dus zijn maar liefst honderdste film uitgebracht. Nog meer reden tot vreugde: het is een hele goeie!

Als u Takashi Miike een beetje kent – bijvoorbeeld van entertainende trash als ‘Ichi the Killer’, de ‘Dead or Alive’-trilogie of het beruchte, sublieme ‘Audition’ – dan weet u dat de man niet kijkt op een litertje opspattend bloed meer of minder. (Réken maar dat Quentin Tarantino in het donkerste hoekje van zijn kelder een heel rek heeft gereserveerd voor de Japanse grootmeester van de geflipte B-film!) Maar als het moet, kan hij ook stijlvol zijn. Zo was ’s mans ’13 Assassins’ uit 2010 een enorm spannende, strakke hommage aan Akira Kurosawa’s ‘Seven Samurai’. ‘Blade of the Immortal’ valt zo’n beetje tussen de extremen van Miike’s filmografie in: dit fantasieverhaal over een onsterfelijke krijger die zich ontfermt over een jong meisje dat haar vader wil wreken, is zowel een sardonische gruwelfilm – vol met de hem kenmerkende donkere humor – als een piekfijn geregisseerde klasseprent.

Om dat te zien, hoef je maar te kijken naar de eerste vijftien minuten, die volledig in glorieus zwart-wit zijn gedraaid. Die strakke beeldkaders! Die poëtische composities! Dat geduldige camerawerk! Dat kom je toch alleen maar tegen in de superstijlvolle Japanse cinema. Geniale vondst: het moment waarop de dappere krijger – na een hondsbrutaal gevecht tegen honderd krijgers tegelijk – zijn onsterfelijkheid krijgt, is het moment waarop Miike switcht naar kleur. Misschien dat er gewoon een bloedspatje in ons oog is geraakt, maar die sequens vonden wij van een ontroerende schoonheid. Daarna wordt de film trashier – check die scène waarin de afgehakte hand van onze held achter een boom blijft steken! – maar toch lijkt Miike er te allen tijde een punt van te maken: ‘Jongens en meisjes, regisseren kán ik!’

Nog dit: in tijden waarin de slechteriken in de cinema allemaal kleurloze CGI-popjes zijn (herinnert u zich nog Steppenwolf uit ‘Justice League’?) pakt Miike uit met de coolste bende killers sinds de Deadly Viper Assassination Squad uit ‘Kill Bill’. De held – zelf een intrigerende figuur vol knappe littekens die verlangt naar de dood – komt op zijn tocht alleen maar kleurrijke schoften tegen die allemaal hun eigen, gepersonaliseerde moordmethodes hebben. Ze hebben ook allemaal de coolste wapens: bijlen aan kettingen, gigantische speren, honderd verschillende werpsterren... Maar wij vragen voor onze verjaardag toch dat immens coole dubbele samoeraizwaard waarmee de onsterfelijke krijger in de laatste scènes alles kapotmaakt. Ideaal om in de tuin de struiken te snoeien. Kiiiii-ya!

4: ‘1922’

Het gaat tegenwoordig weer goed met de Stephen King-verfilmingen: na een lollige versie van ‘It’ op het grote scherm die alle records brak, kwamen er op Netflix twee kleinere adaptaties piepen – het fraaie ‘Gerald’s Game’, waarin Carla Gugino na een uit de hand gelopen seksspelletje helemaal alleen aan het bed hangt vastgeketend, en het diep teneerdrukkende, nog sterkere ‘1922’.

'Hier staat Iets Donkers te gebeuren'

Het verhaal speelt zich af in het jaartal uit de titel. Thomas Jane, in de rol van zijn leven,speelt een intelligente, maar moegetergde boer die zijn hart verteerd voelt worden door duisternis (‘Ik geloof dat er in elke man een andere man zit,’ horen we hem denken, ‘een achterbakse man’). Zijn echtgenote is een geëmancipeerde, lichtjes gemene vrouw (gespeeld door Molly Parker, Alma Garret uit ‘Deadwood’) die net een grote lap grond heeft geërfd; die wil ze verkopen om zo snel mogelijk naar de grote stad te trekken en daar een jurkenwinkel te openen. Om haar te stoppen (‘een leven in de stad is geen leven’), bedenkt de boer een plan: samen met zijn zoon (Dylan Schmid) zal hij haar vermoorden, en dan zal alles weer zijn zoals het moet zijn – dan kan de rust weerkeren op de boerderij. Maar natuurlijk loopt het wel even anders.

‘1922’ bedient zich van een unieke structuur: al in de eerste seconden kom je te weten dat de boer daadwerkelijk zijn vrouw vermoordde – en je ziet de daad ook na een klein halfuurtje voltrokken worden. Dat maakt dat er tot op dat moment een voelbare spanning in de lucht hangt: hier staat Iets Donkers te gebeuren! Daarna ontvouwt de film zich als een bitter noodlotsdrama, dat hoe langer hoe wilder om je keel gaat klauwen. Van zodra de vrouw dood is, begint de boer almaar schichtiger om zich heen te kijken – hij wordt geplaagd door de ratten die aan haar lijk zaten te peuzelen en datzelfde verminkte lijk dat nu en dan voor zijn neus opduikt. Eigenlijk is ‘1922’ vanaf de tweede helft een horrorfilm, maar dan één zonder spoken, monsters of uit de bosjes springende psychopaten – de demonen bevinden zich allemaal in de getormenteerde, aardedonkere schedelpan van het hoofdpersonage, wiens wereld langzaam maar zeker afbrokkelt. Alsof het noodlot op methodische, meedogenloze wijze met ‘m afrekent.

Subtiel is het allemaal niet, maar ‘1922’ laat wel enkele nachtmerrieachtige beelden achter op je netvlies: de ratten die door het gaatje in de muur friemelen! Het lijk in de waterput! De koe die door de woonkamer wandelt terwijl eenzame sneeuwvlokjes op de boer neerdalen! En de hoofdvertolking – Thomas Jane, dat was toch die blonde duiker uit ‘Deep Blue Sea’? – is er één om in te kaderen: volstrekt hypnotiserend zonder dat het showy moet zijn.

Nog dit: deze stadsjongen blijft wel op zijn appartementje wonen. 

5: ‘I Don’t Feel at Home in This World Anymore’

Eén van de vrolijkst opspattende bubbels die wij al ontdekt hebben, is deze ‘I Don’t Feel at Home in This World Anymore’. Oké, de titel suckt, maar verder was dit regiedebuut van acteur Macon Blair (de acteur met de hondenblik uit ‘Blue Ruin’) één van de meest verrassende, warmhartige en geestigefilms van 2017.

Het verhaal begint wanneer het doodbrave sloortje Ruth (Melanie Lynskey), een verpleegassistente, één van haar ouders verliest en – terug thuis aangekomen – ook nog eens merkt dat ze beroofd is geweest. Opeens knapt er iets in haar, en ze trekt op een soort slecht overwogen, stuurloze wraaktocht om haar spullen – en, zo krijg je langzaam door: haar menselijke wáárdigheid – terug te veroveren. Onderweg komt ze een inepte boevenbende tegen, een op scheiden staande flik en een verveelde, rijke huisvrouw, maar vooral ook: haar excentrieke buurman Tony (een hilarische Elijah Wood), een diepgelovige, goedbedoelende ziel die graag naar metalmuziek luistert terwijl hij met zijn nunchaku’s staat te zwaaien. Terwijl rondom hen het geweld almaar bruter wordt, groeien de twee naar elkaar toe.

‘I Don’t Feel at Home in This World Anymore’ werd het vaakst vergeleken met de films van de Coen-broers en inderdaad: er waait door dit filmpje eenzelfde soort kurkdroge zwarte humor, en de plot heeft van ver wel iets weg van ‘The Big Lebowski’ – waarin óók enkele oenen voor de voeten van enkele sullige misdadigers liepen. Maar toch is Macon Blair erin geslaagd om dit universumpje volledig het zíjne te maken. Want onder de absurde set pieces en de zachte indie-vibe suddert een droef, oprecht, behoorlijk donker gevoel van onvrede. ‘Iedereen is een klootzak,’ horen we Melanie Lynskey, de prachtige actrice die het sinds haar doorbraakrol in ‘Heavenly Creatures’ een stuk minder goed verging dan haar tegenspeelster Kate Winslet. En je voelt dat het haar píjn doet om dat te zeggen, dat ze eigenlijk meer verwachtte – van de mensheid, van het leven, van zichzelf. Melanie Lynskey is het hart en de ziel van de film; Ruth is de rol die ze altijd verdiende.

Iedereen die zich ooit al eens geërgerd heeft in het verkeer, die wel ‘ns onvriendelijk behandeld wordt bij het loket van de gemeente, die zijn meewarig glimlachende collega’s graag zou willen trakteren op een loeiende muilpeer – iederéén dus – zal iets herkenbaars aantreffen in dit filmpje. En tegelijk is het een balsem tegen dat soort hatelijke gevoelens. Nú noteren: met Macon Blair is een niet-alledaagse, te koesteren regisseur opgestaan. 

Humo's tv-tips in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: