Komen te gaan (Eén)

, door ()

14
komen 1200

‘Komen te gaan’, een titel waarover was nagedacht, ging voornamelijk over de kleine ongemakken die de kop opsteken nadat het grootste ongemak al voltrokken is. In Stabroek stond begrafenisondernemer Gert op het punt zijn nieuwe rouwcentrum te openen, toen hij vaststelde dat zijn splinternieuwe koelcel het weinig ceremonieel op een druppelen had gezet. Later moest hij in de broekzakken van een overleden motorrijder rommelen, op zoek naar de huissleutel. Omdat er geen nabestaanden waren, moest Gert bij de man thuis kleren opsnorren die, met het oog op de eeuwigheid, nooit uit de mode zouden raken.

Ook het gezin Depoorter werd opgevoerd, een West-Vlaams familiebedrijfje waarin zelfreflectie en zwarte humor, even noodzakelijk als kist en deksel voor wie het begrafeniswezen ambieert, het duidelijk goed deden. ‘Ooit liggen we hier zelf,’ bedacht de dochter des huizes, terwijl ze een overleden vrouw maquilleerde. Het klonk als een logische gedachte die je als begrafenisondernemer na enkele uitvaarten al niet meer verwoordt, maar voor de camera wilde ze het nog wel een keer doen.

Opvallend was dat de overledenen in ‘Komen te gaan’ nooit anonieme lijdende voorwerpen waren: kijkers kregen hun naam en foto mee, en mochten zelfs aansluiten bij de nabestaanden voor, tijdens en na de begrafenis. Intimiteit die een risico inhield, want niemand schuift voor de lol mee aan bij een koffietafel. Maar toch werd het je ondanks de droefenis nooit droef te moede. Mede dankzij Greet en Johan, afleggers die hun begrafenisonderneming doelbewust ‘Doodgewoon’ genoemd hadden en die de eerste aflevering achteloos op hun naam schreven.

Geheel in de tijdgeest brachten ze ecologische uitvaarten aan de man. De twee verplaatsten zich uitsluitend met de fiets, ‘behalve als we een kist rondbrengen’. Een uitzondering waar ze komaf mee wilden maken, want prompt zagen we hen een prototype begrafenisfiets uitproberen. Even daarvoor hadden ze hun plannen voor teraardebestellingen per tweewieler nog proberen uit te leggen aan een verbouwereerde lokale schepen, die zich met elke seconde meer afvroeg waarom de verborgen camera zo zichtbaar was.

Bij momenten lag er een subtiel laagje ironie over ‘Komen te gaan’: het vernis dat je ook in ‘Man bijt hond’ tot grimlachen aanzette, vooral dan op die momenten dat de werkelijkheid even te dichtbij dreigde te komen. Er zat, kortom, een zorgvuldig evenwicht in: een midden tussen ontnuchterend tragisch en argeloos komisch, tussen smullen en sereniteit, dat tussendoor vakmanschap verraadde. (tr)

Humo's tv-tips in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: