'VDB. Ik ben god niet' op Canvas: 'Zolang klootzakken winnen, mogen ze klootzakken zijn'

, door ()

31
vdb 1200

De eerste aflevering begon waar ook de mythe dat deed: Café de la Grand Place in Ploegsteert – vandaag een bedevaartsoord voor klikpedaalpelgrims, toen een onooglijke negorij van waaruit de jonge zoon van Jean-­Jacques Vandenbroucke en ­Chantal Vanruymbeke goud zag blinken aan de einder. Als kind wilde – moest – Vandenbroucke al winnen, zo bleek. Toen hij niet veel later begon te fietsen, was hij in het diepst van zijn gedachten al prof. Hij moest alleen nog wielrenner worden.

Van zijn ouders kreeg ­Vandenbroucke weinig tot geen verweer in zijn nietsontziende ambitie. ‘Dat is misschien hun enige fout,’ bemerkte oom Jean-Luc, later zijn eerste ploegbaas bij Lotto. Het vuur waarmee hij vooruitstoof zou mettertijd alles opbranden: ploegmaats en familie. Beide groepen kwamen aan het woord in ‘Ik ben God niet’. De Vandenbrouckes vertelden in het Frans over hun gevallen telg, maar Frank zelf had al Nederlands geleerd toen hij prof werd. ‘Om interviews te kunnen geven als hij over de meet kwam’, herinnerde ook Michel Wuyts zich, die weer weinig moeite had om zichzelf te zijn. Hij had destijds een sperwer gezien in de piepe demarrerende Vandenbroucke, wist hij nog. In hoeverre Michel uit z’n nek lulde, kon je zelf bepalen: bij zowat elke anekdote waren er beelden. Veelal oude wedstrijdfragmenten, maar opvallend vaak waren het gruizelige amateurbeelden van toen nog nietszeggende momenten, alsof iemand al vreesde dat alles daarna aan een moordend tempo voorbij zou gaan, en je het dus maar beter vast kon leggen.

Dit artikel volledig gratis lezen?

Humo's tv-tips in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: