Big Brother, 2000Beeld rv

Dwarskijker

Dit schreef Humo over de eerste ‘Big Brother’

‘Big Brother’ komt in 2021 terug op televisie, zo maakte SBS deze week bekend. Twintig jaar geleden verscheen de eerste ‘Big Brother’ op televisie, hieronder wat Dwarskijker toen schreef. ‘‘Big Brother’ geeft zich het air van een experiment, terwijl niemand, behalve dan de bedrijfsboekhouding van Endemol, weet waar dat experiment voor moet dienen.’

Na de voortekenen in de pers te hebben gelezen, voelde ik me al enigszins overvoerd, en toen moest ‘Big Brother’ nog een aanvang nemen. Wie zich in kranten en bladen over het zelfverklaarde fenomeen boog, verviel in interessantigheid: men psychologiseerde dat het een aard had, men bekeek het wereldwijde succesartikel in één moeite door vanuit een sociologisch perspectief, men nam onderwijl ethisch getinte standpunten in, en als men er nog de fut voor had, sleurde men er het lijk van George Orwell bij, van wie sinds 1984 niemand nog ‘1984’ heeft gelezen, tenzij onder dwang.

In de pers deed wel erg veel intellectuelerige moeite voor een televisieprogramma dat niets anders op het oog heeft dan àlle publieke uitingen van winstbejag, of het nu commerciële televisieprogramma’s of populaire druksels of reizigers in dildo’s zijn: scoren door in een vertrouwenwekkend dialect de onderbuikgevoelens aan te spreken.

Mensen die ook wel eens onvergezeld in een restaurant of in een treincoupé hebben gezeten, weten hoe snel hun aandacht afgeleid kan worden naar gesprekken die in hun onmiddellijke omgeving worden gevoerd door lui die te druk aan de praat zijn om te beseffen dat ze afgeluisterd worden. Het is verbazend hoe je je in zulke omstandigheden kunt concentreren op het geouwehoer van mensen die netzomin als jij iets te vertellen hebben maar er geen ogenblik bij stilstaan dat zwijgzaamheid in dat geval uitkomst biedt. ‘Big Brother’ geeft zich het air van een experiment, terwijl niemand, behalve dan de bedrijfsboekhouding van Endemol, weet waar dat experiment voor moet dienen. Dat l’enfer meestal les autres is, daar hoeven goochems van de televisie mij niet meer op te attenderen. Ik weet het al sinds ik les autres gewaar werd, en dat was làng voor ik wist met wie Sartre zoal had geneukt.

‘Big Brother’ begon met een feestelijke introductie van de uitverkorenen; een filmpje onthulde hun privé-sfeer: er zat een bezitter van een zonnebank tussen, en een bezitter van een slang-als-huisdier, en ook nog iemand die diep in de provincie een modellenbureau bestierde en niet langer hangbuikzwijnen mocht houden van zijn ouders - types die in de loop van hun carrière ook in ‘Jambers Magazine’ hadden kunnen terechtkomen; ik merkte ook een iets te pittige slagersvrouw op - schoon op zichzelf maar doorheen het televisiescherm rook ze op het eerste gezicht naar onraad - voorts een alleenstaande moeder die zonder voorkennis de hippietijd overdeed, een middelbare vrouw die preventief gezelligheid uitwasemde en door een kennis van haar ‘een fijn mens’ werd genoemd, en een kennelijke homo die volgens het ooggetuigenverslag van zijn zus leefde alsof elke dag zijn laatste dag was.’ Ik stelde me daar klaaglijk hulpgeroep, tandengeknars en aanvallen van godsvrucht bij voor. Het was kortom een gemêleerd gezelschap dat ik een probleemgroep zou noemen mocht het in mijn huis rondscharrelen.

Ze namen aan ‘Big Brother’ deel wegens de uitdaging - iemand gewaagde ook van het avontuur. ‘Toch een tikkeltje onverstandig dat ze het niet gewoon voor het geld doen,’ dacht ik. Sommige moeders zeiden dat ze hun kinderen node achterlieten - ‘Niemand laat zijn eigen kind alleen,’ zong het in mij - maar dat leek geweldig mee te vallen, ook al probeerde ‘Big Brother’ zoveel mogelijk vloeibare emotie uit de afscheidsscène te persen.

De proefpersonen maakten zich los van hun privacy en de deur van Het Huis ging achter hen dicht. Zij betraden een gezellig bedoelde open inrichting, verkenden de kamers, en na een fase van opgefokte vrolijkheid - een verschijningsvorm van de wanhoop - ontstond een saamhorigheidsgevoel dat nauwelijks één dag later al op samenzang en het voorlezen van een stemmige doch tenenkrullende tekst (‘Mens, durf te leven’) zou uitdraaien. ‘We wórden geleefd,’ was één van de talloze clichés die ik tot nog toe in ‘Big Brother’ mocht opvangen, en ‘We gaan er voor’ was, onnodig te zeggen, ook niet van de lucht.

Terwijl ze nog aan het uitpakken was, ontdekte Betty - zo bleek de pittige slagersvrouw te heten - een dildo tussen haar spulletjes: we moesten van haar geloven dat het een practical joke van Big Brother zelve was, maar in ieder geval werd op dat moment een toon gezet: Betty was dan ook de eerste die, met een bijna professionele ongedwongenheid, haar borsten aan het brede publiek prijsgaf. Meteen stelde ik me haar slager voor, die thuis in West-Vlaanderen, met één bloeddoorlopen oog op het televisiescherm, op een runderkwartier begon in te hakken. Dat ging in mijn verbeelding met een drift gepaard die zijn trouwe klanten niet van hem gewoon zijn.

Later, in de terneerdrukkende werkelijkheid van de tuin, bracht Betty het thema masturbatie aan en deed ze er haar beklag over dat Big Brother àlles zag, alsof het spelreglement haar ineens begon te dagen. Toen wist ik wel zeker dat Betty tot dan toe de enige was die het spel van meet af aan openlijk speelde, met dat hese, kokkelende lachje van haar, waar je overigens ook de zenuwen van kunt krijgen als haar borsten hun effect hebben gemist.

‘Big Brother’ is niet in het leven geroepen om het beste in de mens naar boven te halen, want dan had Endemol dat programma allang aan het gewijde televisiestation van Vaticaanstad gesleten. Roddel en achterklap waren snel usance, en toen zich onverwachts twee nieuwe bewoners aandienden, stak er in de nog maar pas gevormde sibbe een vijandigheid op die in vredestijd op z’n minst een paar maatjes te groot was. Ze kampten al na een paar dagen met clangeest en ostracisme, alsof ze al jaren met elkaar vertrouwd waren en onder het barbecuen talloze dure eden hadden gezworen.

Ook de taakverdeling was een verbazend spontane aangelegenheid: viel er een brief met een opdracht van ‘Big Brother’ in de bus, dan werd hij telkens weer voorgelezen door de Antwerpse politieman. Die had dat de eerste keer gedaan, en zo moest het zo te zien blijven. Hij klonk daarbij zoals hij hoorde te klinken: alsof hij je de verklaring voorlas die je had afgelegd nadat hij je bekeurd had omdat het achterlicht van je fiets het niet deed in de herfstige schemering.

De veelogige, alomtegenwoordige ‘Big Brother’ is natuurlijk veel vernuftiger dan de uit hun nek kletsende klojo’s die hij in alle hoeken en kieren van zijn Huis in de gaten houdt en manipuleert. En hij is ook vernuftiger dan het kijkerspubliek, dat nietsvermoedend óók het voorwerp van zijn zucht naar experiment is. Als je kijkt, ben je gezien, want je blíjft kijken, zelfs al sympathiseer je met niet één van die bewoners omdat je eigenlijk de pest aan ze hebt. Het idee dat zij, op de keper beschouwd, dapperder zijn dan de klojo’s die thuis op de bank om hen zitten te gniffelen, kan je kijkplezier bederven.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234