‘Op mijn 21ste ben ik naar Kathmandu gelift. Voorbij Lyon was ik alles al kwijt: overvallen door andere hippies’ Beeld Charlie De Keersmaecker/Humo
‘Op mijn 21ste ben ik naar Kathmandu gelift. Voorbij Lyon was ik alles al kwijt: overvallen door andere hippies’Beeld Charlie De Keersmaecker/Humo

'The Best Of'Urbanus

‘Ik betaal alle belastingen die ik moet betalen en ik heb meer benefieten gedaan dan Moeder Teresa. Ik laat me geen schuldgevoel opsolferen’

Vanavond kunt u op VTM kijken naar ‘The Best OF’ waar bekende artiesten de peetvader van de Vlaamse stand-up comedy, Urbanus, eren. Metalzanger Franky De Smet-Van Damme (Channel Zero), The Starlings, Michael Van Peel en William Boeva, Slongs en Stan Van Samang brengen allemaal een eigen versie van een bekende Urbanus-hit. Enkele jaren geleden vertelde Urbanus in Humo over het lieve leven en hoe het te lijden. ‘Leer denken als een kind’. Herlees hier het interview:

(Verschenen in Humo op 15 juli 2004)

Wanneer ik mij die zonovergoten dinsdagmiddag ten huize van Urbain Servranckx, aka Urbanus, aandien om van hem nuttige levenslessen op te steken, word ik meteen op een bulderlach getrakteerd: ‘Wat ik aan de jonge generatie wil meegeven is: ‘Trekt uw plan! Net zoals ik indertijd míjn plan heb getrokken. Ik had vroeger ook geen coach om mijn handje vast te houden en om mijn broek te wassen als ik ze volgekakt had van de schrik. Life is unfair, deal with it.

Het dient gezegd: veel kreeg Urbain Servranckx, aka Urbanus, van het Opperwezen niet mee toen hij op 7 juni 1949 in Dilbeek het levenslicht zag. Zijn moeder, Clémentine, omschreef haar baby ooit als volgt: ‘Hij was lelijk als de nacht. Hij had natte eczeem en zijn adem piepte van de astma. Ik durfde er nauwelijks mee buitenkomen.’ Maar datzelfde Opperwezen hield, ondoorgrondelijk als Hij altijd is geweest, enkele niet meteen opvallende maar wel buitengewone levenstroeven voor de kleine Pajottenlander achter de hand: een zeer aparte kijk op de wereld, een immer kolkende lavastroom van creativiteit, een onbevangen geest, een enorme dosis humor, en – laat er ons geen doekjes om winden – een buitenproportionele neus voor lucratieve business. Voorwaar, wie met een hondenkop ter wereld komt, hoeft nog niet te wanhopen. En wie al te aantrekkelijk en gracieus uit de baarmoeder floept, wacht omstreeks zijn of haar vijftigste een vreselijke ontnuchtering. Opperwezen alsnog rechtvaardig, me dunkt. Ondertussen telt Urbain zijn miljoentjes, laat de anderen lachen, maar lacht zelf het laatst. En het hardst, wed ik.

URBANUS «Beginnende stand-uppers komen mij vaak vragen wat ze moeten doen om succes te hebben. Dan zeg ik altijd: ‘Ik ben alleen maar goed in Urbanusje-spelen. Van mij kun je niets leren’ (lacht). Ik ben altijd a lone wolf geweest, heb het allemaal zelf moeten doen. Als kind was mijn gêne enorm.»

HUMO Jan De Wilde vertelde mij ooit over jullie eerste ontmoeting, bij gemeenschappelijke vrienden: ‘Urbain zat daar eenzaam in een hoek, grijnzend van verlegenheid. Die hele middag heeft hij geen woord gezegd, tegen niemand. Met zijn puilogen en zijn blikkerende tanden leek hij nog het meest op een kwaaie hond.’

URBANUS «Ik was vreselijk verlegen en beschaamd. De kinderen uit de buurt gingen bijvoor-beeld naar de kermis, maar ik vond het leuker in mijn eentje in een grote kartonnen televisiedoos te gaan zitten, in de vel-den, in de mist. Daar was ik veilig. Schijnbaar in tegenspraak met waar ik nu mijn brood mee verdien: op het podium staan en de mensen aan het lachen brengen. De waarheid is dat ik mij beter voel op een podium voor duizend man dan in een café met zes luidruchtige kerels aan de toog die ik niet ken: ‘Hé! Daar hebben we den Urbanus, zie! Vertel ons ’ns een mop.’ Verschrikkelijk!

»Ik was bedeesd. Was bang van de mensen. Eigenlijk leefde ik in mijn hoofd – nu nog altijd, trouwens. Het liefste wat ik doe is strips tekenen, of liedjes of sketches bedenken, in mijn eentje.»

HUMO Je vader is vrij jong gestorven. Je moeder, Clémentine, bleef alleen achter met jou en drie dochters.

URBANUS «Dat menske heeft zwarte sneeuw gezien. Ik heb er zelfs een grap over gemaakt: ‘Wij waren thuis zo arm... Er kwamen eens inbrekers, en ik en mijn drie zussen hebben van de honger die inbrekers hun boterhammen opgegeten.’ Mijn vader was convoyeur, hij mocht zelf niet met de vrachtwagen rijden maar moest de chauffeur helpen bij het laden en lossen: rollen linoleum, verfpotten en behangpapier. Hij maakte altijd maar overuren, om een auto te kunnen kopen. Wij zagen hem alleen in de weekends. Een stille man, hij heette Frans. Zijn broer, nonkel Maurice, was het tegendeel: die was een kop groter, zat bomvol humor en had een eigen café, vlak bij ons in de buurt. Ook de kerk was vlakbij: ik kon de pastoor vanuit mijn bed tekeer horen gaan. Begrafenisgangers en trouwers liepen in vier stappen recht van-uit de kerk het café van nonkel Maurice binnen. Die kerk stond bij wijze van spreken in onze hof: ik had een volière en een hondenkot tegen de achterkant van de kerkmuur genageld, mijn hond piste er tegen de muur, ik heb lange tijd gedacht dat die kerk van ons was. Eigenlijk vormden wij een commune, samen met mijn groot-ouders en mijn nonkel. Hun kelder kwam uit op onze zolder (lacht).

»Op een kwade dag loopt nonkel Maurice bij mijn vader langs: ‘Frans, wil je ’ns even mee komen duwen, er is een auto met z’n kloten in de gracht gereden.’ Goed, vader gaat, braaf als altijd, mee helpen. Even later zie ik ’m bezig met water en een emmer: zijn eigen auto wassen. Plotseling hoor ik een plof en daarna een angstwekkend gegorgel. Ik loop naar buiten. Daar ligt mijn vader op de grond te spartelen en te reutelen, snakkend naar adem. Ik heb nog mond-op-mondbeademing geprobeerd. Samen met nonkel Maurice hebben we hem naar binnen gesleept en rechtop in zijn zetel gezet. De pastoor legde de mis stil, mijn moeder kwam eraan, zag haar Frans dood in die zetel zitten en viel ter plekke flauw. Ik weet nog dat de gedachte door mijn hoofd schoot: kon ik zelf maar flauwvallen. Ik denk nog altijd dat mijn vader, bij het uit de gracht duwen van die auto, zijn hart geforceerd heeft.»

HUMO Vanaf toen stond je er alleen voor. Je moeder heeft later beweerd: ‘Ik heb veel aan Urbain gehad. Tot zijn 25ste heeft hij braaf zijn pree afgegeven.’

URBANUS (glimlacht) «Maar op mijn 21ste ben ik wel liftend naar Kathmandu getrokken. De drang van de hippies, ja. Voorbij Lyon was ik alles al kwijt: overvallen door andere hippies (lacht).

»Naar het schijnt zei mijn moeder over mij als baby: ‘Zo ne lelijke. Ik durfde er bijna niet mee buitenkomen.’ Heb ik ook een sketch over.

»Later heb ik twee jaar op internaat gezeten, bij de Bruine Paterkes in Aalst. En, eerlijk: ik heb er nooit iets gemerkt van pedofilie of zo. Iedere avond stond ik daar nochtans op de speelplaats met mijn broek op mijn klompen en een klont boter in mijn gat, om een pater te lokken. Maar genen éne, hè. Ik was écht een lelijk kindje, zeker?»

HUMO Komaan, Urbain, niet beginnen te Urbanussen, alsjeblieft.

URBANUS (onverstoorbaar) «Toen ik werd geboren, lag ik in een couveuse, achter mat glas. Dat zegt toch al iets? (lachsalvo) Je moet oppassen met mij: mijn hoofd zit vol schuifjes. Die kunnen dertig jaar dichtblijven en plotseling opengaan. En voor wat er dan uitkomt, is mijn mond níét verantwoordelijk.»

‘Philippe Geubels maakt nu het mooie weer in Nederland. Hij vult Carré drie avonden na elkaar. Chapeau!’  Beeld Charlie De Keersmaecker/Humo
‘Philippe Geubels maakt nu het mooie weer in Nederland. Hij vult Carré drie avonden na elkaar. Chapeau!’Beeld Charlie De Keersmaecker/Humo

TOFFE PASTOOR

HUMO Terug naar je geboorte. Volgens je moeder leed je aan astma en natte eczeem en was je ‘een klein duveltje in zijn koets’.

URBANUS «Dat zijn verhalen die ik pas achteraf heb gehoord, natuurlijk. Met die eczeem leek ik wel een hagedis. Mijn moeder is toen naar een apotheker getrokken, in Geraardsbergen, en die had haar een zwarte zalf meegegeven: ‘Als ge uwe kleine hiermee instrijkt, is hij ’s anderendaags ofwel dood, ofwel genezen.’ Ach, uiteindelijk zijn die kinderziekten vanzelf overgegaan.

»Eczeem en astma zijn hetzelfde: een verkeerde code in je hersens – je wordt ziek van je eigen afweermechanismen. ’s Nachts lag ik in mijn bedje te hijgen en te piepen. ‘’t Is te hopen dat hij vannacht weer zijn crise niet doet,’ bad mijn moeder. Ik was allergisch voor de huisstofmijt, of juister: voor de scheten van die beestjes. Ik heb er nog wel eens last van. Dan grijp ik naar mijn puffertje.»

HUMO Lelijk, astmatisch, vol eczeem... Heeft dat je getekend?

URBANUS «Ik ben wel mooi oud aan het worden, naar het schijnt (grijnst). Waar ik nog het meest onder heb geleden, was dat ze mij uitlachten om mijn flaporen. Maar ik stond mijn mannetje! Ik was altijd de tweede van de klas en enkele keren ex aequo met de eerste, dat leverde respect op. En vooral: ik kon goed vertellen. Soms zaten ze met een half dozijn rond mij, op de speelplaats. En ik maar verhalen uit mijn botten slaan, hoe zotter hoe liever.»

HUMO Uiteindelijk plaatsten je ouders je in een internaat.

URBANUS «Dat internaat heb ik zelf gewild. Onze school lag ook al op enkele stappen van thuis. Ik moest om twaalf uur naar huis om patatten te gaan eten. En ik was vreselijk jaloers op de kinderen die op school mochten blijven eten, met een kruikje koffie en hun boterhammen in een brooddoos. Dat wilde ik ook!

»Toen ik naar het middelbaar moest, kwam er een soort spekpater langs, om ’s avonds te preken en de gelovigen op te zwepen om zo veel mogelijk in de schaal te gooien. Die pater was van het college van Aalst. In ieder dorp waar hij langskwam, ronselde hij de beste vijf van het zesde studiejaar, voor zijn college. Mijn pa en ma wilden er niets van weten: ‘Onze Urbain is niet gemaakt om te studeren, eerwaarde. Die zit liever in de bossen, bij de vogeltjes en de konijnen.’ En ik: ‘Mag ik daar in Aalst misschien blijven eten?’ En die pater: ‘Maar manneke, je zult wel móéten blijven eten, je mag maar om de vijf weken naar huis!’ En dus belandde ik op dat internaat. Het avontuur! Ik heb er twee jaar Latijn gestudeerd, wat mij heeft gehard. Ik heb er een serieuze psychologische oorlog gevoerd. In het eerste jaar was ik nog de vierde van de klas. Maar in het tweede deed ik niets dan mannekes tekenen en moppen tappen. Ik maakte nooit huis-werk. Iedere middag moest ik naar Pater Bienvenue: ‘Wat wil je later worden, Servranckx?’ En ik: ‘Tekenaar, pater!’ Kreeg ik daar een mossel in mijn gezicht. Hij blééf die vraag herhalen, tot mijn kaak roodgloeiend zag. Had ik ‘Advocaat!’ geantwoord, dan was het oké ge-weest. Maar ik was te trots... Wéken aan een stuk heb ik dat spel volgehouden. Mijn tanden hingen bijna uit mijn muil van de klappen. Maar ik blééf ‘Tekenaar!’ roepen. Uiteindelijk is Pater Bienvenue gestopt met slaan, want hij had artrose gekregen in zijn hand.

»In de hal stond een reusachtig Heilig Hart. En mijn vaste compagnon in mijn eenzaamheid was Jezus. Ik praatte écht met hem. En ik verzon zelf zijn antwoorden! Om een lang verhaal kort te maken: ze hebben mij gebuisd en ik mocht niet meer terugkomen.

»Thuis bleef mijn moeder maar roepen: ‘Wat gaan de geburen wel van ons zeggen!’ Ze leed er enorm onder. Gelukkig hadden we een toffe pastoor die constant bij nonkel Maurice op café zat, om méé te discussiëren, te kaarten en pinten te pakken. Het liefst van al ging hij op ziekenbezoek bij mensen die geuze in huis hadden. Die pastoor relativeerde álles. De biecht? Niets van aantrekken, manneke! Op ’t laatst hoorde hij de biecht in het café: ‘Betaal ons voor uw penitentie maar ne geuze!’

»Om uit de kosten te raken, besloot mijn moeder wat bij te verdienen als naaister. Ze maakte stukwerk voor een Brusselse winkel: sexy lingerie – beha’s waar de tepels uit priemden, slipjes met een uit-sparing voor de spleet. Mijn zussen kwamen haar helpen en wilden al die foefen dichtnaaien. ‘Maar enfin, ma, dat is toch geen zicht. Waarom laat ge dat open?’ En mijn moeder, in alle staten: ‘Omdat ik het u zeg!’ En net toen kwam de pastoor binnen en hij zag al die glitterbroekjes en soutiens liggen (komt niet meer bij).

»Die pastoor, Muylaert heette hij, deed niets liever dan biljarten. In dat café was er weinig plaats en de vrouwen zaten op kleine banken rondom de biljart, te wachten tot hun vent klaar was met spelen. Dan zei die pastoor: ‘Célestine, doet uwe mond ’ns open want ik krijg mijne keu niet ver genoeg achteruit!’ En vloeken tijdens het kaarten! Soms zei hij: ‘Ik ben maar een toneelpastoor.’ Hij heeft mij geleerd alles, letterlijk álles te relativeren. Een belangrijke invloed, ja.»

MEER TABOES DAN VROEGER

URBANUS «Ik geloof nogal in autosuggestie. Ik kan mezelf zo programmeren dat ik alle angst overwin, ook podiumvrees. Als ik weer eens de trac krijg, programmeer ik mezelf met het idee: ‘Ik ben hier niet, eigenlijk speel ik mee in een film over een ander.’ Bij de tandarts lukt het ook: ik ga in die stoel liggen, open mijn bek, en schiet mezelf naar een mooie plek in de natuur, naar een vijvertje waar ik zit te vissen. Geen pijn. Werkt altijd!

»Als ik voor de honderdduizendste keer ‘Bakske vol met stro’ moet zingen, schakel ik dat liedje in mijn hoofd aan en als een robot neemt mijn lichaam het dan van mij over en brengt dat liedje. Niet ík sta daar te zin-gen, maar mijn apathische piloot. En ondertussen tel ik hoeveel mensen er in de zaal zitten (lacht).

»Ook zo vreemd: mijn fans, de Urbanus-fans, houden absoluut niet van mijn idolen. Te weten: Bob Dylan, Randy Newman en Woody Allen. Toch serveer ik mijn fans een beetje Dylan, maar dan op mijn manier. Ik kopieer Dylan niet: ik ontleed zijn werk, haal het uit elkaar, en maak er iets nieuws mee.

»Ik vind: er zijn tegenwoordig veel meer taboes dan in de jaren zeventig: almaar minder kan nog, zowel op het podium als in een liedje. Grapjes maken over zelfmoord of pedofilie is al tricky. De vrijheid van meningsuiting is serieus aan het vermolmen. Met de katholieke kerk mag je nog lachen, of met een zatte pastoor, of met Christus aan het kruis. Maar met de islam... Holala! Mag dus níét. Ik trek er mij niets van aan. Of liever: ik trek het mij wél aan en het maakt mij zeer kwaad.

»Kijk, alles heeft zijn tijd. Als er net vier meisjes in de kelder van Dutroux zijn gevonden, moet je daar geen mop over maken. Nu zou het alweer kunnen, denk ik. Een scheldwoord wordt mettertijd uitgehold als het te vaak gratuit wordt gebruikt. Iedere tramcontroleur in Anderlecht wordt zeven keer per dag voor racist uitgescholden – vooral door gasten die geen ticket hebben gekocht (lacht).

»De politiek en de reclame werken met dezelfde trucjes als wij, humoristen: halve waarheden verkopen en de dingen uit hun verband rukken. Eén van mijn vaste moppen gaat als volgt. De pastoor zegt tegen Urbanus: ‘God is overal: in de hemel, op de aarde en op alle plaatsen.’ Urbanus: ‘Ook in onze hof, eerwaarde?’ Pastoor: ‘Natuurlijk, Urbanus. Ook in uwen hof.’ Urbanus weer: ‘Maar we hébben genen hof, eerwaarde!’ (lacht hartelijk)

HUMO Naar het schijnt ben je goed bevriend met die andere komiek, Bart De Wever.

URBANUS «Ik leerde Bart ken­nen zoals iedereen, als dikke plezanterik in ‘De slimste mens’. Toen is hij met zijn kin­deren naar mijn optreden in het Sportpaleis geweest en kwam hij achteraf goeiendag zeg­gen in de coulissen. Ik kreeg zijn nummer en af en toe wis­selen we een sms’je uit. Ieder­een vond hem een toffe peer. Maar nu hij niet meer dik is en tegen de kar van de sossen rijdt, vinden ze hem plots een afgetrainde SS’er. Wel, zo snel gaat dat niet bij mij. Stigma­tisering lijkt wel een privilege van links. Je mag, volkomen te­recht, niet roepen: ‘Al die Walen zijn stinkende profiteurs’. Maar roepen dat ‘al die NVA’-ers col­laborateurs zijn’, mag je wél. Selectieve verontwaardiging is dat. Onlangs trad ik op in de Roma in Borgerhout. Ik sms’te naar Bart De Wever: ‘Ik ben hier uitgegleden op de tranen van Patrick Janssens.’ Hij stuurde meteen een smiley terug.»

HUMO Je hoort de laatste tijd almaar vaker: Urbanus is een rechtse zak geworden.

URBANUS «Ach, dat zeggen ze van Freek de Jonge ook. Eigen­lijk ben ik tien keer linkser en re­belser en provocerender dan al mijn criticasters. Vroeger was je links als je lachte met de ko­ning, de kerk en het kapitaal. Links was toen in de mode, snap je. Nu liggen de teerlingen enigszins anders. ‘Rechtse zak’, dat gebruiken ze om je uit te schakelen en het zwijgen op te leggen. En dat stoort mij wél. Ik verwoord het zo: ‘The enemy of my enemy is my friend.’»

HUMO Je hebt begin dit jaar op het NVA-congres gespeeld. Was dat partij kiezen?

URBANUS «Ik wist op voorhand dat daar kritiek op zou volgen. Mijn schoonbroer, Jean Blaute, heeft mij dat nog flink ingepe­perd: ‘Urbain, daar ga je nog spijt van krijgen.’ Later mailde een lid van de PVDA mij: ‘Goed gedaan, Urbanus. Kom ook eens bij ons optreden, zodat we die klootzakken van soci­alisten in de zeik kunnen ne­men’ (grijnst). Ik zal het hier ’ns duidelijk zeggen: ik sta wél achter de ideologie van het so­cialisme, maar van de dames en heren die nu bij de SP.A de plak zwaaien, moet ik hele­maal niets hebben. Tegen één van die kopstukken heb ik ooit geroepen: ‘Stop je weg. Pries­ter Daens is daar!’ Die Daens draait zich om in zijn urne te­genwoordig. Hij zou die valse kliek van graaiers meteen naar de hel verbannen. Ik zou mak­kelijk links kunnen lullen en on­dertussen lekker rechts mijn zak blijven vullen. Maar dat vertik ik. Vroeger, in volle ‘Bak­ske vol met stro’­-hype, kreeg je van menig pastoor en cultu­reel centrum te horen: ‘Die an­tichrist komt hier niet binnen!’ En nu klinkt het: ‘Rechtse bal.’ Ach, ze doen maar. Mijn prin­cipes blijven onaangetast: ik ben artiest geworden, niet om stinkend rijk te worden, maar om mijn eigen baas te zijn. Vrij­heid! Ik bedoel: ik heb vooral veel goesting om mijn goes­ting te doen.»

HUMO Zou je kunnen verdragen dat Bart De Wever je voor zijn ideologische kar spant?

URBANUS «Nee. En dat heb ik ook duidelijk afgesproken toen ik op hun congres ben gaan op­treden: ‘Ik wil jullie mascotte niet zijn.’ Daar hebben ze zich ook aan gehouden.»

null Beeld ISOPIX
Beeld ISOPIX

BETER ZONDER ANUS

HUMO Het is opmerkelijk hoe Nederland je indertijd in de armen heeft gesloten. Loopt het daar nog altijd als een trein?

URBANUS «De laatste dertien jaar heb ik mij niet meer in Ne­derland vertoond. En in Vlaan­deren alleen nog sporadisch. In 2000 was ik gestopt met spe­len: metaalmoeheid, ik was tenslotte al van 1974 constant bezig, had drie jonge kinderen en wou eindelijk eens thuis zijn. Maar nu zijn die kinderen groot en heb ik de draad weer opge­pakt.

»Drs. P had mij indertijd raad gegeven: ‘Noem je kortweg Ur­banus. In Nederland kun je be­ter de achternaam Van Anus weglaten. Nederlanders vinden dat flauwekul. Nederlanders willen engagement! Met Van Anus ga je de verkeerde men­sen aantrekken: carnavalsgek­ken en zo. Jij verdient een beter publiek.’ En zo is het ook gelo­pen. Ik liet Van Anus weg en het ging plotseling supersnel in Ne­derland.

»Over het algemeen gaat het minder goed met de theaters: de crisis, natuurlijk. Ik hoorde dat mensen als Freek (de Jon­ge) en Youp (van ’t Hek) al wat meer promo moeten doen om hun zalen vol te krijgen. Vroe­ger pakte ik mijn gitaar en met een minimum aan decor en be­lichting deed ik mijn ding. Nu moet alles professioneel. Maar ik klaag niet: de zaal zit nog al­tijd vol. En het volk is content.

»Jongens als Philippe Geubels maken nu het mooie weer in Nederland. Ik heb één avond in Carré gestaan – daar zat de zaal níét stampvol: er waren nog twee lege stoelen, waar­schijnlijk twee Urbanusfans die intussen gestorven waren. Ja, Amsterdam, da’s een planeet apart. Maar Geubels vult Car­ré drie avonden na elkaar. Cha­peau! Zijn trage taaltje wérkt, ook bij de Kazen (lacht)

HUMO Je hebt ooit over je Nederlandse publiek gezegd: ‘Dom volk. Makkelijk te manipuleren.’

URBANUS «Heb ik dat écht ge­zegd? Ik kan het me niet meer herinneren.

»In Vlaanderen heb ik in de meest hachelijke situaties op­getreden: tenten, sporthallen, frietkramen. Ik was de aap om andere apen te helpen vangen. Kassa! Voor de fanfare, de vol­leybalclub, de Chiro... In het begin waren er geen culture­le centra, geen subsidies. Zo’n avond móést geld opbrengen. Of ik goed speelde, of ik juist zong, of ik mijn nummers mooi bracht: dat kon de organisator geen bal schelen. Als de poen maar binnenkwam. Ik heb din­gen meegemaakt... Ooit trad ik op in een sporthal. De ene helft stond vol stoelen, bedoeld voor mijn toeschouwers. De andere helft was gevuld met lange ta­fels, met stoelen errond. Hal­verwege mijn optreden stormt er een fanfare binnen en die mensen gaan aan die tafels zitten, om hun koude schotel te verorberen!

»Een kleedkamer? Dat be­stond vroeger niet. Je kreeg het kot aangewezen waarin de pastoor twee schapen hield. En één van die schapen was aan het lammeren! Iedere avond le­verde ik een veldslag.

»Maffe pastoors, zatte po­litieagenten, onbeschofte brandweerlieden, álles heb ik in Vlaanderen meegemaakt. Duwen en trekken, vechten om toch maar binnen te kun­nen. En altijd boel over de kas­sa.

»Het allerallerstrafste: ik heb ooit opgetreden voor een zaal van driehonderd man. En boven, in een achterafzaaltje, zaten nog eens honderd man naar alleen maar een luidspre­ker te luisteren, zonder mij te kunnen zien.

»Maar in Nederland werd ik altijd met veel egards ontvan­gen. Fatsoenlijke podia, fat­soenlijke kleedkamers. En: de organisator stond aan míjn kant. Als er lastposten midden in een sketch begonnen te brul­len, werden die onmiddellijk en vakkundig verwijderd.

»De kinderen van tegen­woordig zijn veel meer gewend dan die van vroeger. Nu vragen ze: ‘Zijt gij echt Urbanus zelf? Of zijt gij een valse, misschien?’

»Na de zomer trek ik weer de boer op, met nieuwe sketches en een stuk of zeven bekende liedjes. Die nieuwe tournee is een uitloper van mijn vier dagen Sportpaleis. Vier keer uitverkocht! Dus dacht ik: ik ga nog eens een hele toernee doen voor alle mensen die een slechte plaats hadden in het Sportpaleis.»

HUMO Word je het nooit moe?

URBANUS «De ballast, het gedoe errond, af en toe wél. Maar op het podium geef ik mij nog altijd 100 procent: de mensen hebben ervoor betaald en ik wil ze waar voor hun geld geven. Als ik vroeger een dag níét moest spelen, was het feest. Nu is het feest als ik mág spelen.»

HUMO Hoe zit het financieel? Multimiljonair ondertussen?

URBANUS «En waarom níét? Moet ik het aan een ander geven? Ik betaal alle belastingen die ik moet betalen en ik heb meer benefieten gedaan dan Moeder Teresa. Ik laat me geen schuldgevoel opsolferen.»

HUMO Wat doe je met je geld?

URBANUS «Niks, ik vouw daar vliegertjes en bootjes van (hilariteit). Ik heb een hekel aan onnodige luxe. Ik heb een behoorlijk huis, maar het is geen villa met drie bewakers. Ik kom voort uit bescheiden werkmensen. De meeste van mijn vrienden ook. Als iemand in de problemen zit, help ik wel eens wat. Maar tegelijk ben ik iemand die ’s nachts opstaat om in de living het licht te gaan uitdoen.»

HUMO Koppel je nog vaak terug naar je armoedige jeugd?

URBANUS «Absoluut. Maar echt arm waren wij niet, hoor. Niemand in ons dorpje baadde in grote luxe, dus viel het niet op dat we niet veel hadden. Als ik nu naar jonge gasten kijk, denk ik: ‘Met die mentaliteit zouden jullie het vroeger niet hebben overleefd.’»

HUMO Welke grote levenslessen put je uit je toch wel indrukwekkende carrière?

URBANUS «Je talent krijg je gratis mee. Daar kun je dus alleen maar dankbaar voor zijn. Het is het talent om dingen te zien, waar te nemen, op een niet-alledaagse manier. Het is een bepaalde kijk op de wereld. En vervolgens moet je die kijk ook vorm geven, in een programma, zodanig dat je de mensen aan het lachen maakt. Klinkt eenvoudig, hè. Maar als je dat talent níét hebt, mag je proberen zoveel je maar wilt: je komt er nooit. Het is het kunstje van de voetballer. Of van de goochelaar. Kamagurka heeft dat ook. Het is: het onnavolgbare.

»Als ik ontroering in een liedje wil krijgen, probeer ik te denken als een kind. Een kind denkt binnen zijn eigen, beperkte logica. Om dat argeloze van een kind te bereiken, schakel ik bepaalde delen van mijn volwassen kennis uit. Ieder van ons heeft als kind wel eens geprobeerd een roos of een tulp te planten, door de afgesneden stengel in de grond te stoppen. Teleurstelling, natuurlijk. Tot je later gaat beseffen dat, om succesvol te planten, je vooral de wortel nodig hebt. (Mijmerend) Enkele jaren terug komt hier een manneke langs: ‘We heb-ben vandaag mijn grootvader geplant.’ Planten of begraven, dat was voor dat jongetje hetzelfde. En de grafsteen was nodig om te verhinderen dat zijn grootvader er te vroeg weer uit zou kruipen. Ik vond dat zo ontroerend dat ik er meteen een liedje over heb geschreven. Levensles: leer te denken als een kind.

»Wat ik en cours de route ook heb geleerd, is: je mag nooit de nostalgie uit je kinderjaren op-dringen aan de nieuwe generatie. Want: het werkt niet. De wereld is ondertussen te veel veranderd om de vroegere magie weer te laten aanslaan. De kinderen van tegenwoordig hebben andere monsters om tegen te vechten. Vroeger zweette je water en bloed om dat éne meisje ten dans te gaan vragen. Als ze dan nee zei, werd je zes maanden aan een stuk door liefdesverdriet verteerd. Tegenwoordig stuur je gewoon een sms’je: ‘Wil je met mij gaan?’ En als dáár een nee op volgt, duurt je pijn ook zes maanden. De communicatie is veranderd, maar de gevoelens niet. »Wat ik mijn eigen kinderen leer, is telkens opnieuw naar het waarom van daden en gebeurtenissen te vragen. Waarom gaat papa weg bij mama? Waarom gaat de zon onder? Waarom wordt dat meisje gepest? Ik wil dat ze een eigen, kritische geest ontwikkelen.

»Belangrijk: veel van wat de consumptiemaatschappij je opdringt, heb je eigenlijk niet nodig. Uit mijn hippietijd herinner ik mij: ‘Een frigo? Een tv? Daar moet je voor gaan werken. En dat vertik ik.’ De vrijheid om niet te moeten gaan werken, dat was toch het hoogste goed, toen? Met dit verschil: wij wilden niet werken, maar we vroegen ook niks. Nu zijn er die niet willen werken maar toch graag van alles opeisen.

»Tegenwoordig is voor mij het hoogste goed: op mijn gemak zijn. Onlangs hebben wij voor het eerst in businessclass gevlogen. (Snel) Ola, ik moet hier oppassen wat ik zeg, want straks nodigen ze mij nog uit voor ‘De nacht van Exclusief’. Ik kan met zulke rijkaards praten, hoor. Maar ’t is niet mijn wereld. Een auto? Dat is voor mij een dood paard dat mij van A naar B brengt. Misschien zullen mijn kinderen de poen er vrolijk door jagen, zoals zo vaak in de tweede generatie gebeurt.»

HUMO Ze krijgen alles in de schoot geworpen. Jij hebt ervoor moeten afzien.

URBANUS «Ach, ik hoop dat ze het goed besteden. Mijn zoon zegt: ‘Pa, waarom moet ik eigenlijk studeren? Mijn kameraden zitten zich allemaal op café te amuseren met de meisjes.’ En ik: ‘Je moet zorgen dat je je diploma haalt. Dan word je later behoorlijk betaald.’ En hij: ‘Maar als ik later een mooie pree krijg, moet ik veel belastingen betalen, waar is dat goed voor?’ En ik weer: ‘Ah, voor de jongens die op café zaten toen gij aan het studeren waart’ (hilariteit)

‘The Best Of’ , om 20.35 uur op VTM

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234