‘Ik keek om mij heen en zag een slagveld. Overal lijken. Lege kogelhulzen rolden over het asfalt’

Aanslag Bende Van Nijvel

'Ik liep je eerst voorbij omdat ik dacht dat je dood was’ David Van de Steen ontmoet de man die hem redde

Vandaag is het 35 jaar geleden dat de Bende van Nijvel een aanslag pleegde op de Delhaize in Aalst. Op zijn negende verloor David Van de Steen op deze plek zijn ouders en zusje, zelf raakte hij verminkt voor het leven. Met ‘Niet schieten’ verfilmde Stijn Coninx de autobiografie die Van de Steen met Humo-journaliste Annemie Bulté schreef. Acht jaar later was er nood aan een vervolg op dat boek: in ‘Overlever van de Bende van Nijvel’ gaan ze praten met andere slachtoffers, betrokkenen, ex-speurders, ex-gangsters en filmlui.

(Verschenen in Humo op 24 september 2018)

Drie weken na de overval. Voor de deur van mijn ziekenhuiskamer is het altijd een grote drukte. Ik ben een studieobject voor de dokters, die naar een oplossing zoeken om mijn been te redden. Het is een gemene wonde. Bij het laatste schot, dat de gangster van dichtbij op me loste, heeft de hagel zich langs alle kanten verspreid. De stukjes lood zijn diep in het vlees geslagen. Hagelbollen hebben een enorme vernieling aangericht. De heupkop is weggeschoten. De slagader en de spieren zijn doormidden gesneden. Eigenlijk hangt alles alleen nog met wat huid aan de onderkant van mijn bil aan elkaar. Mijn jeansbroek heeft het been op zijn plaats gehouden, maar op de operatietafel is het uit elkaar gevallen. Dokters hebben er chromen pinnen ingestoken, die ervoor moeten zorgen dat het verhakkelde boeltje weer aan elkaar groeit. Elke dag moet de wonde uitgewassen worden, en dat doet zo’n pijn dat mijn hoofd bijna ontploft.

Mijn grootvader, Albert Van den Abiel, is mijn grootste houvast. ’s Morgens lig ik in bed al vroeg op hem te roepen. Hij staat er elke dag, en blijft bij mij tijdens alle behandelingen, verzorgingen en operaties. Het moet ontzettend moeilijk voor hem zijn om zich staande te houden, maar hij doet het voor mij.

Elke dag komt ook zuster Bénédicta langs, de directrice van het ziekenhuis, een vinnig klein dametje. Onder haar nonnenkap zitten twee arendsogen die alles scherp in de gaten houden. Als het bed niet perfect is opgemaakt, als ik geen water meer heb, of niet op tijd verzorgd ben, dan krijgen de verpleegsters ervan langs. De directrice loopt zich de benen van het lijf om het mijn familie zo comfortabel mogelijk te maken. Soms vergezelt ze mijn grootvader en mij naar de operatiezaal. Mijn grootvader beschouwt zuster Bénédicta als een heilige. Haar bezorgdheid staat in schril contrast met de onverschilligheid van het gerecht waarmee mijn familie elke dag een beetje meer te maken krijgt. Niemand van onze familie heeft tot nu toe iemand van het gerecht of de politie op bezoek gekregen. Niemand van onze familie is officieel op de hoogte gebracht dat mijn pa, mijn ma en mijn zus zijn vermoord. Op de avond van de aanslag zijn tantes en nonkels zelf naar ons gaan zoeken, anders hadden ze een dag later nog niks geweten.

'Ik ben een studieobject voor de dokters, die naar een oplossing zoeken om mijn been te redden.' (Van links naar rechts: Metje, David, koningin Fabiola, Petje.)’

De verpleegsters vertellen dat in de nacht dat ik werd binnengebracht, iemand van het gerecht urenlang voor de deur van de operatiezaal heeft zitten wachten. Om de kogels te recupereren die de dokters uit mijn been haalden. Een paar dagen later heeft een verpleegster voor mijn grootvader een grote witte zak bij, die één van de speurders haar heeft meegegeven. ‘De zak stinkt verschrikkelijk naar bloed,’ waarschuwt ze hem. Het zijn de kleren die ik op de fatale avond droeg, doordrenkt van bloed en doorzeefd met kogelgaten. De jeansbroek die ik droeg, en de nieuwe Kickers die ik daags voordien had gekregen bij Schoenen Muys in Ninove.

In mijn anorak was een kogel de rechterzak binnengedrongen en er aan de voorkant weer uitgevlogen. ‘Je hebt nog veel geluk gehad,’ vertelt mijn grootvader achteraf. In de zak heeft hij mijn muts teruggevonden: er zitten twee kogelgaten in, net onder de pompon.


In het dodenhuisje

Op een ochtend vertelt mijn intussen overleden grootvader, Petje, me zijn verhaal van de avond van de overval. Hij en mijn grootmoeder hebben alles van dichtbij meegemaakt, want ze wonen recht tegenover de Delhaize. Ze hebben de schoten gehoord. ‘De drie eerste schoten waren die voor mijn kinderen,’ zegt Petje.

ALBERT VAN DEN ABIEL «Zaterdagnamiddag breng ik ons Metje naar de coiffeur, en ik doe de afwas. Door het raam zie ik de drukte aan de overkant van de Parklaan, het is een topdag voor Delhaize. Voor de ingang staat een beige R4’tje met twee rijkswachters. Na de overvallen van de laatste tijd worden alle Delhaizes permanent bewaakt. Een geldkoerier arriveert, hij komt enkele keren per dag het geld van de kassa’s ophalen. Mijn oog valt op de revolver die aan zijn heup hangt, een Colt 45. Ik ken die wapens, in Congo heb ik er veel mee geoefend. Ik moet ineens denken aan de revolver die ik zelf nog heb liggen, op een kast in de slaapkamer, gewikkeld in een stuk wit-groen gordijn. Het wordt tijd dat ik hem eens schoonmaak, denk ik plots. Ik neem het wapen van de kast, maak het helemaal schoon, olie het en laad het met oude munitie, die ik nog in een schuif vind. Vijf kogels, de eerste van de zes kamers laat ik leeg, voor de veiligheid. Dan leg ik de revolver terug. Ik neem me voor om er één van de dagen nog eens mee te oefenen.

»Om zes uur belt Metje dat ze klaar is bij de kapper en ik ga haar halen. We dekken de tafel voor het avondeten en wachten tot jullie klaar zijn met de boodschappen in de Delhaize. Rond halfacht zie ik dat het R4’tje van de rijkswacht voor de ingang verdwenen is.

»En dan horen we schoten. Of is het vuurwerk? We springen alle twee op het balkon. ‘Een overval!’ roept Metje. ‘En onze kinderen zijn daar!’ Ze grijpt mij vast en lijkt elk schot in haar lichaam te voelen. De deuren van de Delhaize zwaaien open en spuwen een stroom van paniekerige mensen uit. Alsof er een zwerm krijsende vogels wordt gelost.

»Er wordt opnieuw geschoten, ik haal mijn revolver uit de slaapkamer en haast mij naar de overkant. Ik probeer de Delhaize binnen te gaan, tegen de stroom in. ‘Niet gaan, meneer!’ roepen de mensen. ‘Er zijn er al doodgeschoten!’ Aan de ingang word ik tegengehouden door twee mannen. ‘Halt! BOB! Hier komt niemand binnen!’ Er komt een andere BOB’er aangelopen met twee kinderen aan zijn hand. ‘Zijt gij van hier? Breng die twee kinderen in veiligheid. Hun tante is doodgeschoten. Ze zijn van Oostende en hebben hier niemand.’

»Samen brengen we de twee kinderen naar Metje, en ik keer terug naar de parking om jullie te zoeken. De gangsters zijn al lang gevlucht, er staat een massa volk en ik kan de parking niet op. De politie heeft ze afgesloten met twee combi’s vol kogelinslagen. Tussen het volk staan veel bekenden. Carlos, onze kapper, die wat verder op de Parklaan woont, komt met trillende benen bij mij: ‘Gilbert (de vader van David, red.) is doodgeschoten. En Rebecca (het zusje van David, red.). We hebben ze zien liggen.’»

Nonkels en tantes die het nieuws op de radio hebben gehoord, zijn intussen naar Aalst gekomen en zijn naar ons op zoek. Ook nonkel Hugo, de neef van mijn moeder, die van het voetbal komt en het nieuws in de rust heeft gehoord. Nonkel Hugo vertelt mij later ook zijn kant van het verhaal.

HUGO DE ROECK «Ik zit die avond op de match Anderlecht-Club Brugge. In de halftime vraagt een vriend: ‘Heb je ’t al gehoord van die overval in Aalst? Verschillende doden.’ We gaan terug naar onze plaatsen, maar het zit me niet lekker. Toch maar eens gaan kijken, besluit ik.

'Drie weken na de aanslag is niemand van onze familie officieel op de hoogte gebracht dat mijn pa, ma en zus zijn vermoord.' (David, Gilbert en Rebecca)’

»Onderweg hoor ik op de radio over de paniek die Aalst in haar greep heeft. Aan de Delhaize is het een overrompeling, ondanks de regen en de kou. Wanhopige mensen op zoek naar hun familie, getuigen die hun verhaal onvermoeibaar blijven doen voor de televisiecamera’s, en steeds meer nieuwsgierigen. Een vrouw staat tegen de politie te roepen omdat ze haar auto die op de parking staat terug wil. Petje komt ontsteld naar mij gelopen. ‘Ze zijn binnengegaan met de kinderen en ze zijn niet buitengekomen!’

»Ik rij naar het politiecommissariaat om te zien of ze daar iets meer weten, maar er is alleen chaos en paniek. Ik zie één van de agenten die op de plek van de overval is geweest: hij heeft op de daders geschoten met zijn kermisgeweertje en staat nog te trillen als een boormachien. Die man heeft de kogels van machinegeweren langs zijn kepie horen fluiten.

»Familieleden proberen informatie te krijgen en worden weggestuurd, heel onvriendelijk. ‘Nee, mevrouw, wij weten niet waar ze liggen.’ De officier van wacht vertelt me wel dat er lichamen zijn binnengebracht in het dodenhuisje aan het oud hospitaal van Aalst. Ik keer terug naar de Delhaize en vraag aan Petje of hij mee gaat kijken, maar hij schudt van nee. Hij wil liever daar blijven. Hij is ook doodongerust over Metje: die mag niks weten. ‘Kom me maar vertellen of ze het zijn of niet.’

»In het dodenhuisje is het bladstil. Geen enkel geluid. Er is één agent aanwezig, die een sigaret staat te roken. Er liggen zes lichamen op een rij, elk onder een laken. Op de grond, niet op een tafel – er zijn er niet genoeg, want ze hebben hier nog nooit zoveel doden tegelijk binnengekregen.

»De eerste die ze me laten zien, is Gilbert, je vader. Maar ik herken hem niet, omdat de man die daar ligt helemaal grijs is. En Gilbert was helemaal niet grijs. ‘Dat is ’m niet,’ zeg ik. De volgende is Rebecca. Haar herken ik wel. Haar gezicht zit vol zwarte sproeten van de kruitresten, en er zit een brace rond haar nek, om het gat in haar keel te verbergen. Ook je moeder Thérèse herken ik direct. De volgende dode die ze me tonen, herken ik weer niet. ‘Laat me de eerste nog eens zien.’ Ik kijk, en het is Gilbert. Hij is op slag duifgrijs geworden, waarschijnlijk van de schrik.

»Wanneer ik Petje even later aan de Delhaize terugvind, heb ik weinig woorden nodig. ‘Het zijn ze, alle drie.’ Petje knikt alleen even, hij lijkt niet verrast. Hij kent zijn dochter Thérèse ook: ze zou door het kleinste gaatje gekropen zijn om te ontsnappen, ze was een plantrekker. Maar ze had geen schijn van kans. Drie hebben we er gevonden. Maar waar ben jij, waar is nummer vier? Meegenomen door de gangsters? Ergens verstopt in de Delhaize? Ook dood? We besluiten ons in het Onze-Lieve-Vrouwziekenhuis te gaan informeren. Maar Petje moet eerst naar huis om Metje te kalmeren. ‘Ze mag niks weten,’ zegt hij, ‘want ze valt ter plekke dood.’»

Van den Abiel «Als ik van de parking terug naar huis strompel, lijkt het alsof ik geen benen meer heb. Ik sleep mij voort en ik kan maar één ding denken: hoe moet ik dat gaan vertellen? Hoe moet ik morgen voort? Hoe moeten wíj morgen voort?»


Beek van bloed

Wie had gedacht dat de zware jaren die volgden ooit zouden worden verfilmd? Had je me dit tien jaar geleden verteld, ik had het nooit geloofd. En dan nog met zo’n acteursploeg... Ik heb lange gesprekken met Jan Decleir over mijn grootvader. Ik voel dat hij de juiste keuze is om Petje te spelen. Hij heeft de oude videobeelden bestudeerd waarop mijn grootvader te zien is. Hij heeft al de brieven en dagboekfragmenten gelezen die in zijn krokodillenleren tas zaten. Ze zijn twee totaal verschillende figuren, maar als Jan begint te spelen, wordt hij mijn grootvader, met zijn borstelige wenkbrauwen.

'Ik vind een foto van de plek waar mijn vader en zus samen neervielen. Het asfalt blinkt van de regen en het bloed. Als je denkt dat niks je kan raken, komt zo'n foto hard binnen.’

De eerste keer dat we elkaar zien, komt hij bij me thuis, en gaan we samen naar de parking van de Delhaize. ‘Ik heb een beetje het gevoel alsof ik naar Auschwitz ga,’ zegt Jan. Hij heeft weinig nodig om de beladenheid van deze plek te voelen. Ik toon hem waar we oog in oog stonden met de gangsters, waar mijn moeder is doodgeschoten terwijl ze naar de auto vluchtte. Het stukje asfalt waar mijn vader en mijn zus samen neervielen, ligt net naast de parkeerplaats voor mindervaliden. Op het internet zag ik onlangs een foto van die plek, genomen net na de overval. De lichamen zijn amper weggehaald, het asfalt blinkt van de regen en het bloed. Regenwater en bloed stromen samen naar het rioolputje, en er blijft een grote rode vlek achter waar ze gelegen hebben. Als je denkt dat niks je nog kan raken, komt zo’n foto hard binnen.

Vanavond loopt Jan op de filmset rond met een keukenschort voorgebonden. Geconcentreerd, niet aanspreekbaar. Het is eind september 2017, we zijn bij een schooltje in Mechelen waarvan de ingang helemaal is omgebouwd, zodat het er nu uitziet als de voorgevel van een dertig jaar oude Delhaize. ‘PROFITEER VAN UW BONS,’ schreeuwt de etalage. Klanten kunnen ook sparen voor een gratis koffieservies, tot en met 15 december 1985 ‘binnen de limieten van onze beschikbare voorraad’. Hier worden de momenten gefilmd waarop hysterische klanten naar buiten vluchten terwijl de gangsters binnen gruwel en dood zaaien, en mijn grootvader zich met zijn revolver een weg baant door het volk, tegen de stroom in, om te zoeken naar zijn kinderen. Met die keukenschort voor, hij heeft immers net de afwas gedaan.

Het is één van de drukste opnameavonden, met 50 crewleden en nog eens 75 figuranten, allemaal uitgedost in jaren 80-kledij. Ook mijn vrouw Nathalie en haar zus doen vanavond mee, hun haren getoupeerd tot vogelnesten en allebei in een winterjas met schoudervullingen. Mijn zoon Yanni loopt hier ook ergens rond, in een lichtblauwe jeansvest en op oude sneakers. Hij is nu 14 en ik neem hem zoveel mogelijk mee naar de set, omdat ik wil dat hij – net als ik – het onderscheid kan maken tussen de film en de realiteit. Het zal zo al moeilijk genoeg zijn voor hem om het verhaal waarmee hij is opgegroeid voor zijn ogen te zien afspelen. Als hij de beelden in de film ziet, wil ik dat hij er andere herinneringen aan heeft. Dat hij weet: dat was die keer toen we naar Mechelen gingen, toen ze mij kleren uit de jaren 80 aantrokken, toen ik Jan Decleir voor het eerst van dichtbij zag spelen, toen we in de pauze met alle figuranten een broodje kaas aten in de kelder van de school.

De avond valt. Tegen de donkere gevel brandt de helle neonreclame van het zwarte leeuwtje. De opnames kunnen beginnen. ‘Iedereen uit beeld, aandacht voor opname!’ roept de productieassistente. Enkele ogenblikken later braakt de Delhaize een stroom van huilende en roepende klanten uit, die bijna over elkaar struikelen en alle kanten op stormen. Auto’s worden zenuwachtig gestart en rijden met een veel te hoog toerental weg. Een vrouw op hoge hakken verliest onderweg haar schoen, haar scherpe gegil doet pijn aan de oren, zelfs in deze koude buitenlucht. Hoewel ik er mechanisch en zonder gevoel naar probeer te kijken, beneemt de krijsende zwerm vogels me toch even de adem. ‘Cut!


Nachtmerries

In 1985 is slachtofferhulp in Vlaanderen zo goed als onbestaand en zelfs onbekend. Bij de politie van Aalst werkt één maatschappelijk assistente. Dina De Cremer is vijf jaar eerder bij de politie gegaan om een sociale dienst uit de grond te stampen – een beslissing van de burgemeester en het gemeentebestuur – maar wat dat precies moet inhouden, weet niemand goed. De jonge politie-vrouw wordt openlijk vijandig onthaald door het korps, waar een machomentaliteit heerst: ‘Wat kan dat sociaal accident hier komen doen? Een vrouw dan nog! Wij steken de mensen in den bak en zij gaat ze er weer uit halen.’

Die zaterdagavond 9 november 1985 wordt het voltallige politiekorps van Aalst opgeroepen om bijstand te verlenen. Om het verkeer te regelen, getuigen te ondervragen, sporen te onderzoeken... Iedereen, behalve Dina De Cremer. Zij hoort het nieuws op de radio en is razend dat niemand eraan heeft gedacht dat zij een bijdrage kon leveren.

Dina De Cremer «Op het commissariaat vielen ze uit de lucht. Alleen het onderzoek was van belang. Familieleden en nabestaanden van slachtoffers, die iets kwamen vragen, werden zonder pardon aan de deur gezet. Aan het commissariaat stonden tientallen wanhopige, ontdane mensen die op zoek waren naar informatie. Mijn baas zei letterlijk dat ze die lastposten moesten buitenhouden, want dat ze het onderzoek alleen maar in de war konden sturen. Ik had kunnen zorgen voor de opvang van die families, maar geen méns die daaraan had gedacht.»

Maandagochtend krijgt de jonge politievrouw dan toch een opdracht: ‘Neem contact op met de nabestaanden van de slachtoffers, bekijk hun financiële situatie en maak een verslag op voor koningin Fabiola.’

De Cremer «Dat verslag moest om één uur klaar zijn. Ik had een halve dag om alle families te bezoeken en ze delicate vragen te stellen over geldzaken, op een moment dat de meesten nog in shock waren. Ik vertrok er naartoe vol goeie bedoelingen. Ik dacht: die mensen gaan blij zijn dat er iemand komt vragen hoe het met hen gaat. In plaats daarvan kreeg ik een golf van agressie over mij heen. Ik ben er ziek van geweest, maar ik kon die mensen alleen maar gelijk geven.

»Ik kwam eerst bij de familie Nijs. De vader en zijn dochtertje van 9 waren omgekomen en de hele familie zat bij de weduwe thuis, verslagen en vol woede. ‘Ah, nu ben je daar. Wat kom je doen? Kom je ons eindelijk wat informatie geven?’ Die mensen waren daags voordien op het politiebureau buitengezet zonder enige uitleg, op een barse manier. Ik kon hun niets vertellen, want ik wist zelf niet meer dan wat er op de radio en de televisie was gezegd. Ik ben nog bij twee andere families geweest, waar ik dezelfde emmer woede over me heen kreeg. En toen was mijn tijd op en moest het verslag klaar zijn. Dat was het voor de slachtoffers. Ik mocht me voor de rest niet meer met hen bezighouden. Ik heb me daar enorm schuldig over gevoeld.

»De overval op de Delhaize had ook een heel zware emotionele impact op de mensen van Aalst, zéker binnen het politiekorps, dat alles van dichtbij had zien gebeuren. Alleen mocht dat niet hardop gezegd worden. Agenten waren crimefighters, die moesten daar tegen kunnen. Er werd niet gesproken over wat ze gezien hadden, laat staan over hoe ze zich daarbij voelden. Collega’s onder elkaar zegden weleens: ‘Dat was toch ’t één en ’t ander, die avond.’ Maar voor de rest werd er gezwegen. Iedereen hield zich sterk voor de anderen, want niemand wilde een watje zijn. Men slikte en men verslikte zich.

»Een paar agenten kwamen stiekem met mij praten. Dat ze niet konden slapen. Dat ze die beelden altijd terugzagen. Dat ze thuis lastig deden tegen hun kinderen en hun vrouw, dat ze niet konden verdragen dat die vragen stelden. Dat ze prikkelbaar waren. Kwaad. Ook in het korps hing agressie. Collega’s snauwden elkaar af, ook al omdat de slapeloosheid begon door te wegen. Ze vochten met een trauma zonder het zelf te beseffen. Velen twijfelden of ze wel bij de politie zouden blijven. Partners hadden liever niet dat hun man in dienst bleef. Het feit dat ze zich afsloten voor hun gezin veroorzaakte familiale problemen: drankproblemen, scheidingen...

»Ik was begonnen met slachtofferbegeleiding zonder dat mijn oversten dat wisten, stiekem. Dat was niet simpel, want ik kreeg geen enkele informatie over de slachtoffers. Hun adressen opzoeken kon niet, want we hadden geen computers. Via via kreeg ik ook mensen over de vloer die tijdens de overval in de Delhaize waren, maar niet gewond geraakt waren. Sommigen hadden zich verstopt in de rekken met water of wc-papier. Ze vertelden wat ze gezien hadden, de angst die ze voelden, de geuren en de geluiden die ze niet uit hun hoofd kregen. Het enorme lawaai van een riotgun, flessen die kapotvielen, gehuil, geschreeuw, de geur van bloed. Een jonge vrouw kon niet meer spreken van de angst. Ze wilde niet aan het raam zitten, kroop tegen de muur van mijn bureau. Ik rook het angstzweet, die klamheid bleef nog uren in mijn bureau hangen. Ik proefde het bloed in mijn mond, zo tastbaar waren die verhalen.

»Een vrouw van rond de veertig was zo bang dat ze haar rolluiken niet meer durfde op te halen, uit schrik dat de Bende van Nijvel haar toch nog zou vinden en doodschieten. Ze durfde niet meer buiten te komen, dus ging ik haar thuis bezoeken, en probeerde ik haar stapje voor stapje te begeleiden. ‘Vandaag haal je je rolluiken een klein beetje op, en als het niet meer gaat, laat je ze weer naar beneden. Maar je zult zien dat er niks gebeurt.’ Dan nam ik haar al eens mee naar buiten, tot aan het voetpad. En de keer nadien weer wat verder, tot aan de winkel. Niet naar de Delhaize, oh nee, dat was uitgesloten.

»Ik deed dat allemaal stiekem, buiten mijn uren. Die mensen waren ook bang dat hun naam ergens op papier zou komen, want ze dachten dat de daders hen dan misschien zouden viseren. Na zo’n gesprek wist ik met mezelf geen blijf. Ik ben een tijdlang zelf uit de Delhaize weggebleven, want als ik tussen de rekken liep, begon ik zelf beelden te zien van een vloer vol bloed, mensen met verschrikkelijke verwondingen, mannen met zware wapens... Ik zoog hun angsten op, ik begon me in te beelden dat ik er zelf geweest was en kreeg nachtmerries.

»Maanden nadien ben ik zelf in een depressie beland. Ik kon niet meer, had geen enkele fut. Niemand heeft daar ooit wakker van gelegen. Eigenlijk had de Bende ook mij geraakt, onrechtstreeks. De olievlek van slachtoffers werd alsmaar groter. Achteraf heb ik van een trauma-expert gehoord dat er voor ieder slachtoffer van een ramp of een misdaad nog minstens zeven andere slachtoffers zijn, die dikwijls onzichtbaar blijven: familieleden, hulpverleners, mensen uit de omgeving... De ravage die de Bende van Nijvel heeft aangericht, is ontiegelijk veel groter dan die 28 doden en 20 gewonden.»


Tussen leven en dood

Dina De Cremer slaat spijkers met koppen. Maar dat de Bende ook het leven van zovele anderen onherroepelijk veranderd heeft, ontdek ik pas 25 jaar later, wanneer ik na het verschijnen van het boek ‘Niet schieten, dat is mijn papa!’ mensen ontmoet die er die avond ook bij waren, en ze me hun verhaal vertellen. Ik ontmoet de directeur van de Delhaize, die tijdens de overval door de gangsters gegijzeld werd en zijn leven te danken had aan een nieuw paar leren schoenen. En politieman Eddy Nevens, die avond toevallig met dienst, die op de vluchtende gangsters schoot en ervan overtuigd is dat hij één van hen heeft geraakt. Voor mij zijn hun verhalen ontbrekende stukjes in een puzzel met grote gaten. Ze geven me antwoorden op de honderden vragen die ik nog heb.

Ik denk nog vaak terug aan de stem die mij in leven hield toen ik op de vloer van de Delhaize lag dood te bloeden. De man die vloekend aan mijn lijf schudde en me zo belette om verder weg te glijden. ‘Helaba, bij mij blijven! Godverdomme, godverdomme... Wat is uw naam? Uw adres?’ Al 25 jaar hoor ik in mijn hoofd die stem, dat Aalsterse accent. ‘Ik zou willen dat die stem een gezicht kreeg,’ vertel ik aan Eddy Nevens. ‘Maar ik ken die man!’ antwoordt Eddy tot mijn grote verrassing. ‘Dat is André, een collega van vroeger. Zal ik hem eens bellen?’

De man die bij de stem hoort, zit een paar dagen later voor mij op het terras van zijn stamcafé. Een man van een eind in de vijftig, met een guitig gezicht en een donkere bos haar. André Van der Elst heeft zijn hele leven bij de gemeentepolitie gewerkt en is sinds enkele jaren met pensioen. Hij lacht veel en hij vloekt veel, een man met het hart op de tong. Ik herken de stem van de Delhaize meteen, vol en luid. Hij is zenuwachtig voor dit gesprek, geeft hij toe, en slaapt al twee nachten onrustig: ‘Als ik te veel aan die overval denk, begin ik te vechten in mijn slaap.’

'Ik denk nog vaak terug aan de stem die mij in leven hield toen ik op de vloer van de Delhaize lag dood te bloeden.' (Mo Bakker en Wouter Hendrickx in 'Niet schieten' van Stijn Coninx.)’

Hij vertelt over de avond van 9 november 1985, hoe hij en zijn collega daar als eerste ter plekke komen – de daders zijn nog op de parking. De Reus die met zijn mitraillette in de hand op zijn gemakje naar de straat wandelt, bijna fluitend, en André die het volk dat staat te kijken terugdrijft om een tweede bloedbad te voorkomen. Hij en zijn collega die de achtervolging op de vluchtende gangsters moeten staken omdat hun gammele bestelwagen niet meer dan 70 per uur haalt. ‘We waren in Aalst niet zo veel gewoon: een inbraak of een vechtpartij... In elk geval geen moordpartijen of achtervolgingen van gangsters.’

Nog altijd herinnert hij zich de doodse stilte toen hij nadien terug op de parking kwam. ‘Je hoorde niks, maar er was veel wind. Zo’n stilte heb ik nooit meer gehoord. Ik keek om mij heen en zag een slagveld. Overal lijken. Lege kogelhulzen rolden over het asfalt. Dat beeld komt nog vaak terug.’

En dan dat andere beeld, van het kind in de bloedplas. ‘Ik ben je eerst voorbijgelopen omdat ik dacht dat je dood was. Had je toen niet gekreund, ik had je laten liggen.’

Tussen het bijna fatale schot en het moment dat André me vindt, zijn minstens 17 minuten verstreken, berekenen we. ‘In het begin is er alleen de verschrikkelijke pijn van het geweerschot,’ vertel ik. ‘Een pijn die je met niks kunt vergelijken. Je vecht, want je voelt dat je gaat sterven. Eerst valt je gezichtsvermogen weg, dan je gehoor. Je voelt een druk in je hoofd omdat het bloed uit je hersenen wegvloeit. Je spraak valt weg, je kracht vermindert. Je blijft vechten maar je voelt je wegzakken. Tot er een moment van overgave komt, omdat je voelt dat het geen zin meer heeft. Je zakt weg in dat zwarte wormgat... En net op dat moment is er plots die stem die je een draadje toewerpt dat je nog net kunt grijpen voor je definitief weg bent. Had je toen gezwegen, André, dan was ik er niet meer geweest.’

‘Ik weet niet waar ik die kennis vandaan had, van mijn opleiding of uit een film,’ zegt André. Hij vindt zijn woorden moeilijk, zijn gezicht verraadt dat mijn verhaal hem raakt. ‘Ergens wist ik: ik moet contact houden met die jongen, anders ben ik hem kwijt. En toen begon ik maar van alles te vragen: wat is je adres, de naam van je moeder, van je vader...’

‘Je stem was het draadje dat me terug naar het leven trok,’ zeg ik. ‘Het verschil tussen leven en dood. Daarom is ze al die jaren in mijn hoofd blijven zitten. Daarom wilde ik weten wie erachter zat.’

‘Dat wist ik niet,’ zegt André. ‘Ik had geen idee van het belang van die twee minuten die ik naast je zat.’ Ook hij heeft na die avond nog weinig over de overval gesproken. Ook bij hem knaagt nog steeds een schuldgevoel. ‘Van de dagen nadien herinner ik me alleen flarden, en de vragen die door mijn hoofd spookten. Heb ik iets verkeerd gedaan? Had ik nog iets kunnen doen? Waarom heb ik niet geschoten? Ik was geen goed schutter, maar je weet maar nooit.’

Hij is blij dat hij me heeft leren kennen, opgelucht zelfs. ‘Ik heb je als kind gezien en daarna nooit meer. Ik wist alleen dat je het overleefd had.’

Het gevoel is wederzijds. De stem die al 25 jaar in mijn hoofd zit, heeft mij niet teleurgesteld.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234