Louis Theroux: ‘Tijdens mijn eerste tv-opdracht had ik niet in mijn broek geplast en was ik niet in huilen uitgebarsten. Dat was al beter dan verwacht.’Beeld BBC/Richard Ansett

50 jaarlouis theroux

‘Ik zag er maf uit, ik was onhandig en pas 23. Waarom kreeg ik die baan bij de tv?’

Zijn documentaires over neonazi’s, pornoactrices, ufojagers, scientologyleden en andere fundamentalisten bereikten een cultstatus, maar dat Louis Therouxs ‘onverwacht succesvolle’ tv-carrière nooit vanzelfsprekend was, beschrijft de 50-jarige Brit in zijn autobiografie Geen taboe voor Theroux, die deze week verschijnt. In deze voorpublicatie vertelt hij hoe hij de geschreven pers gedwongen vaarwel zegt, blowend droomt van een tv-carrière en in contact komt met Michael Moore, die hem meteen op pad stuurt naar een stel rare snuiters. ‘Met mijn pseudonaïviteit kon ik die nazichristenen al snel betoveren.’

(Verschenen in Humo op  18 november 2019)

Toen steeds duidelijker werd dat Spy (het Amerikaanse blad waarvoor Theroux in de vroege jaren 90 werkte, red.) het niet zou redden, bedacht ik halfslachtig dat ik toch een plan B moest hebben. Maar hoe moest dat eruitzien? Zonder dat ik er zelf in geloofde benaderde ik andere tijdschriften en schreef ik brieven naar redacteuren bij Time en Entertainment Weekly die ik kende. Dat leverde niks op. Kon ik niet als freelancer aan de slag voor een persdienst? Of bij Manhattan Spirit, een kleine gratis krant? Dat leek nog het meest realistisch. Sarah (Therouxs toenmalige partner, red.) vond dat we naar een heel ander land moesten. Vietnam misschien. Ze had het land lukraak uitgekozen. Ver van ons beider familie. Vriendelijke mensen. Kon ik meteen mijn Frans oppoetsen.

Af en toe vroeg ik me af hoe het zou zijn om teksten voor televisie te schrijven. Maar dat leek nou juist níét realistisch. In het begin van het jaar had ik een serie multiplechoicevragen bedacht voor een MTV-quiz. Ze waren geen van alle gebruikt. Ik had ook een korte monoloog gedaan voor een pilot van MTV, die ook al niet was gebruikt – helemaal prima, omdat ik geen idee had waarom ze me ervoor hadden gevraagd – maar ze hadden me ook niet uitgenodigd voor het afsluitende feestje, en dat zat me wel een beetje dwars. Was die monoloog zo houterig en humorloos dat ik niet meer mocht praten met de rest van het team? Anders gezegd: mijn score bij de tv zat ergens tussen beroerd en wat er onder beroerd komt in.

Maar ik had wel door dat televisie aan een soort wedergeboorte begonnen was, en dan vooral op het gebied van de comedy. Door series als ‘The Simpsons’, ‘The Larry Sanders Show’ en ‘Seinfeld’ kreeg het medium een heel ander niveau van intelligentie en vakmanschap. Ik hoorde dat veel van de mensen die in Hollywood aan die sitcoms werkten met hoge cijfers waren afgestudeerd aan goede universiteiten. Tegenwoordig kijkt niemand daar nog van op, maar in het begin van de jaren 90 wekte dat nog verbazing. In Variety verscheen een artikel waarin te lezen was dat Hollywood met zijn grote geld de beste en intelligentste mensen weglokte van een bestaan als romanschrijver of dichter. Literaire meesterwerken bleven ongeboren door de sirenenzang van de tv. Het leek me een lachwekkende theorie. Maar eerlijk gezegd sprak ze me ook wel aan. ‘Als Shakespeare in deze tijd zou leven, zou hij in het schrijversteam van ‘Caroline in the City zitten’.’ Dat zei ik niet hardop, maar misschien dacht ik het wel.

Toen Spy begin 1994 uiteindelijk ten onder ging, kwam dat nauwelijks als een verrassing. We waren al een paar weken niet betaald, dus dat was wel een voorteken. Op een ochtend kregen we te horen dat het blad was gestopt en dat we onmiddellijk moesten vertrekken. Ik stopte een exemplaar van alle oude nummers in een doos en liep naar huis.


Leuke Brit

Ik kreeg een parttimebaan als feitenchecker op de juridische afdeling van een grote uitgever. De meeste vrienden bij Spy hadden inmiddels al werk weten te vinden bij andere bladen en nieuwsbureaus. Een paar werkten bij ‘TV Nation’, een nieuw televisieprogramma bedacht door filmmaker Michael Moore. Het jaar daarvoor was er een pilot voor gemaakt. Het was een mix van satirische stunts en humoristische reportages, alles vanuit een politiek linkse invalshoek, in stijl en gevoel vergelijkbaar met ‘Roger & Me’, Michaels documentaire over de dood van de auto-industrie in Flint, Michigan, waar hij vandaan kwam. Eén van die vrienden, Chris Kelly, die met het idee was gekomen om rappers te laten freestylen over wapenwetten, stelde voor dat ik materiaal zou leveren – ideeën voor grappen en sketches. NBC had de pilot gefinancierd, zei hij, maar wilde niet de volle mep betalen voor de serie. De BBC had besloten mee te doen en betaalde een derde van de begroting. Volgens Chris hadden de bazen van de BBC tegen Michael gezegd dat ze het in ruil voor hun bijdrage wel leuk zouden vinden als hij een Britse correspondent inhuurde.

‘Hm’, zei Chris op een avond, na het werk. ‘Kenden we maar een Brit die intelligent is én gevoel voor humor heeft. Maar ik kan echt niemand bedenken.’ ‘Haha,’ zei ik. ‘Ik laat het je weten als me een naam te binnen schiet.’ Ik nam zijn geplaag niet serieus, vooral omdat het idee dat ik voor de tv zou gaan werken me zo onwaarschijnlijk voorkwam. Maar ik wist nog wel dat ik teksten had willen schrijven voor een sitcom of een talkshow. Was net doen alsof ik bij de tv wilde werken misschien de prijs die ik zou moeten betalen om een lager baantje te bemachtigen? Chris zei dat ik Michael vooral wat aanzetten voor ideeën moest sturen. Ik ging achter de computer zitten en probeerde wat te bedenken. Het enige wat ik me nog herinner is iets over de fatwa tegen Salman Rushdie. Zou het grappig zijn als we naar de Iraanse ambassade gingen en ons aanboden als aanslagpleger? Ik stuurde mijn teksten op en dacht er verder niet meer over na.

Ik wist het toen niet, maar als medewerker van Michael Moore was ik allesbehalve ideaal. Die kwam uit Michigan, uit een gezin van arbeiders in de auto-industrie, en was volkomen loyaal aan de werkende klasse van het Midwesten. Mijn achtergrond, deftige kostschool, boekengeleerdheid, zachte handen, universitaire opleiding, nauwelijks masculien te noemen interesses en gebrek aan belangstelling voor sport – waarschijnlijk zouden het stuk voor stuk minpunten zijn. Toch zei Chris optimistisch dat hij vast wel een gesprek zou kunnen regelen en hij begon me te coachen over wat ik moest zeggen.

‘Je bent bereid om alles en nog wat aan te pakken. Koffiezetten, koerierswerk, de telefoon aannemen...’

‘Prima.’

‘Ik zou graag zeggen dat de leugen die ik ver­telde tijdens mijn eerste ­gesprek met Michael Moore me in enige gewetens­nood bracht, maar hij kwam er vlot uit.’

‘Je hebt de pilot van ‘TV Nation’ gezien en die vond je geweldig.’

‘Tuurlijk.’

‘En je hebt toch ook ‘Roger & Me’ gezien? Daar stelt hij vast vragen over. Het is je favoriete film.’

‘Oké. Ik vat ’m.’

Ik had op tv heel wat stukken van Michaels werk gezien, waaronder korte komische dingen die hij had gemaakt voor ‘The Tonight Show,’ en ik had een kaartje gekocht voor ‘Pets or Meat’, het vervolg op ‘Roger & Me’, maar uitgerekend ‘Roger & Me’ had ik nooit gezien. Uiteraard bedacht ik dat het verstandig zou zijn om er kennis van te nemen, maar zoals dat in het leven gaat, schoof ik het op de lange baan, ook omdat ik niet kon geloven dat hij me zou bellen. Ik las ‘In Cold Blood’ van Truman Capote. Voor een klein Brits tijdschrift schreef ik een stuk over Charles Mansons zoveelste poging om voorwaardelijk vrij te komen. Ik werd stoned en speelde Tetris op de computer. Ik staarde naar de man die vanuit de badkamerspiegel met rode ogen naar me terugkeek en probeerde antwoorden te vinden op vragen als wie ik was en wat ik met mijn leven moest aanvangen. Die antwoorden bleven uit.

Ik deed dus van alles, behalve naar ‘Roger & Me’ kijken, met als gevolg dat toen Chris belde en zei dat Michael me nú meteen kon ontvangen, ik besefte dat het er nog steeds niet van gekomen was. En nu was het te laat.

Michael zat toen in het Brill Building, het befaamde hoofdkwartier van veel componisten en songwriters uit de begintijd van de pop: Gerry Goffin en Carole King, Leiber & Stoller. Laat in de middag stond ik voor de ingang. Ik was komen fietsen uit Chelsea. Het was een koude winterdag en het begon net donker te worden. Toen ik aankwam, zat Chris in dezelfde kamer. Michael oogde moe en kribbig en hing scheef in een stoel achter zijn bureau. Uit zijn lichaamstaal bleek dat hij zich mijn aanwezigheid nauwelijks bewust was. Hij vroeg wat voor werk ik daarvoor had gedaan.

‘Hoe was het om voor Spy te werken?’

‘Prima. Ik heb het er erg naar mijn zin gehad.’

Chris gaf een voorzetje: ‘Louis heeft dat stuk gedaan over rappers. Freestylen over de wapenwetten.’

‘En je hebt ook voor Metro gewerkt?’

Het verbaasde me dat hij het gratis alternatieve weekblad uit de Santa Clara Valley kende. ‘Geweldige tijd gehad’, zei ik. Later kwam ik erachter dat Michaels journalistieke carrière was begonnen met het oprichten en redigeren van The Flint Voice, het linkse weekblad van zijn geboortestad en een soort Metro (ze maakten deel uit van dezelfde groep). Voor hem waren de maanden dat ik daar in de zoutmijnen had gewerkt misschien wel mijn grootste pluspunt.

‘Heb je de pilot voor ‘TV Nation’ gezien?’ vroeg hij nu.

‘Ja, heel geestig. En ook de dingen die je hebt gedaan voor ‘The Tonight Show’.’

‘Wat voor werk zie je jezelf doen?’

‘Van alles. Wat je maar wilt. Fotokopieën maken, de telefoon beantwoorden...’

Ik deed mijn best om zo geestdriftig mogelijk over te komen, om de stemming erin te houden, en als compensatie voor de weltschmerz die hij uitstraalde. Ik had de indruk dat het gesprek wel aardig verliep en dat Michael, onder druk gezet door de BBC om een Britse correspondent aan te nemen, opgelucht was dat hij iemand had gevonden die niet té Brits was. Iemand die wat wist van de Amerikaanse cultuur en niet té establishment was. Vreemd genoeg leek hij het geen bezwaar te vinden dat ik geen televisie-ervaring had.

En toen vroeg hij: ‘Heb je ‘Roger & Me’ gezien?’

‘Zeker. Geweldig. Eén van mijn favoriete films.’

Ik zou graag zeggen dat die leugen me in enige gewetensnood bracht, maar hij kwam er vlot uit. Wel nam ik me voor om hem zodra ik weer thuis was te bekijken en zo van mijn leugen met terugwerkende kracht een waarheid te maken, voor zover dat mogelijk is.

Kort daarna was het gesprek afgelopen. Ik fietste terug naar huis. Geen idee waaraan ik onderweg dacht, maar ik weet wel dat ik geen enkel vermoeden had van de enorme verandering die me wachtte.


Met de voet vooruit

Toen ik de rinkelende telefoon oppakte en een stem zei: ‘Louis? Met Jerry Kupfer van TV Nation,”’legde ik mijn joint neer en stond op. Ik voelde me niet echt in staat tot een professioneel gesprek over zwaarwegende zaken. Meestal nam ik de telefoon niet op als ik high was en ik had er spijt van dat ik dat nu wel had gedaan. Ik probeerde mijn gedachten bij elkaar te rapen. Hij had het over ‘een millenniumstuk’, een idee waarover ik het had gehad met Michael en Chris Kelly. Zo te horen kreeg ik de kans om het te presenteren, en ik deed mijn best om de goede antwoorden te geven en verstandig en alert te klinken.

Het zou een satirisch onderzoek worden, waarin we de voorspellingen van diverse apocalyptische groeperingen over het tijdstip waarop de wereld aan zijn eind zou komen op een rij zouden zetten. Ik zou de avond erna vertrekken. Ik als medewerker aan een tv-programma. Het was bizar en surreëel. Het kostte me moeite om aan het idee te wennen en nadat ik had neergelegd, besefte ik dat ik door al die zorgelijke gedachten, en ook door de hasj, waarschijnlijk niet erg gretig had geklonken. Ik belde Jerry terug. ‘Ik wilde nog even zeggen dat ik erg enthousiast ben’, zei ik. ‘Alleen werd ik er een beetje door overvallen. Bedankt dat je me deze kans biedt.’

‘Oké!’ zei Jerry. ‘Blij dat te horen. En mooi dat je enthousiast bent. Ik dacht net even dat ik niet gelegen kwam.’

‘Haha! Nee, nee. Ik heb er echt zin in. Spannend!’

De waarheid is dat ik paniekerig was en me vooral zorgen maakte. Waarom, om heel eerlijk te zijn, werd me eigenlijk een baan bij de tv aangeboden? Ik zag er maf uit, was onhandig, geen gemakkelijke prater, kon niet veel, was een angsthaas, en nog maar 23 ook. Ja, ik kostte niet veel en ik wilde graag en ik was een Brit, een eis van de geldschieters van de BBC. Maar bruikbaar filmmateriaal, dát was ik bepaald niet.

De volgende dag nam ik ontslag als feitenchecker, en die middag ging ik met mijn bagage naar het kantoor van TV Nation’om daar mijn tickets op te halen en me nog even door Michael te laten bijpraten. We zaten in een zaaltje, met een paar schrijvers erbij. Aan de muur hingen kaarten met mogelijke onderwerpen voor items. ‘Huisdieren aan de prozac’, ‘Verhuis de handel naar New Jersey’. En ook: ‘Bied je aan als huurmoordenaar om Salman Rushdie om te leggen’. Dat vond ik bemoedigend.

Michael gaf me nog een bliksemcursus in hoe je op feiten gebaseerde comedy op de tv brengt, en hij begon dus met adviezen te strooien. Maar om de één of andere reden bleef maar één belangrijk advies me bij: niet door de persoon die ik interviewde heen praten, want dat was lastig monteren.


Doemjaar 1994

Ik zou naar San Francisco gaan. Conform afspraken die met de vakbonden waren gemaakt vlogen schrijvers en correspondenten altijd businessclass. Om de één of andere reden versterkte dat mijn gevoel dat ik dit niet waard was. Daar zat ik dan met mijn glaasje bubbels en mijn gratis sokken, met in mijn hoofd het idee dat er heel veel geld werd gestoken in een item dat ik waarschijnlijk volledig zou verknallen. Ik bekeek vellen vol grappige vragen, bedacht door de schrijvers van TV Nation. Aan een christelijke fundamentalist moest ik vragen: ‘Stel dat ik de duivel aanbid. Moet ik me dan zorgen maken?’ Ik kon me niet voorstellen dat ik zo brutaal zou durven zijn. Toen begon ik te piekeren over al die vragen. Hoe kon ik die onthouden? Moest ik een opschrijfboekje meenemen? Of een klembord? Volgens mij had ik dat weleens gezien op tv.

Toen ik in San Francisco aankwam stond er een limochauffeur klaar met in zijn hand een bordje met mijn naam erop – de eerste keer dat zo’n ontvangst me te beurt viel. De dag daarop maakte ik bij het ontbijt kennis met de producer van het item.

‘Hoi, Daniel.’

‘David’, zei hij.

‘Ja, natuurlijk. David. Wat een interessant onderwerp. Ik wil dolgraag aan de slag.’

Als ik erop terugkijk, moet David het vreemd hebben gevonden om opgezadeld te worden met een presentator die letterlijk nul ervaring met televisie had. Maar hij liet niets blijken, bleef honderd procent professioneel en zei dat hij het geweldig vond dat ik meedeed.

‘Het bewangrijkste”’ zei hij, want hij had een licht spraakgebrek, ‘het bewangrijkste is dat we met ons awwen pwezier hebben.’

De eerste dag filmden we in de buurt van San Francisco. Daar ging ik Harold Camping interviewen, een radio-evangelist uit Oakland die had voorspeld dat de wereld later dat jaar ten onder zou gaan. Zijn zender, Family Radio, had duizenden luisteraars. Hij had een boek geschreven, ‘1994?’, waarin hij aangaf op welke Bijbelteksten hij die voorspelling baseerde, maar hij had er wel een vraagteken achter gezet, om te laten zien dat er een klein kansje was dat de Apocalyps niet plaats zou vinden.

We kwamen met vijf man aan bij zijn zender: ik, David, de regisseur, Chris Kelly, die in opdracht van Michael mijn hand moest vasthouden tijdens de vier dagen dat we hier bezig zouden zijn, een geluidsman en een cameraman. Omdat ik zo onervaren was, voelde ik een beetje gêne: de filmploeg vond me vast een omhooggevallen opportunist. Ze hadden vast met honderden presentatoren gewerkt en konden een groentje er dus zo uitpikken.

De geluidsman voorzag Harold Camping van een microfoontje. We zaten in zijn kantoor, ik met mijn vragen op een papiertje in de binnenzak van mijn goedkope colbertje. Camping, een bonkige man met een diepe stem, die in de 70 moet zijn geweest, stak een eindeloos verhaal af over zijn Bijbelstudie en hoe hij tot de conclusie was gekomen dat God had bepaald dat 1994 het jaar van de ondergang zou worden. ‘Alle aanwijzingen in de Bijbel,’ zei hij, ‘wijzen erop dat 6 september 1994 de laatste dag van de laatste periode van beproeving zal zijn.’ Christus kwam terug, op dinsdag, al kon het ook donderdag worden, ‘en alle bergen en alle eilanden zouden van hun vaste plek worden bewogen’.

Ik dacht aan Michaels advies en wachtte tot Camping was uitgesproken voor ik met een volgende vraag kwam. Maar veel open plekken waren er niet in de stroom theologie die hij over me uitstortte, en dus kon hij ongestoord lange monologen afsteken, die alle kanten op gingen. Van de venijnige, ironische tegenwerpingen waarvoor ik had moeten zorgen kwam weinig terecht.

Camping liet me zijn radiostudio zien, en zijn verzameling christelijke platen. Naast sommige nummers zat een plakkertje, want daar zat ‘te veel beat’ in. Ik stelde een paar malle vragen die voor me waren bedacht. ‘Bent u familie van het beest Camping uit Openbaringen?’

‘Heh heh’ zei Camping.

Die avond was ik opgelucht dat ik de dag heelhuids was doorgekomen, maar zonder dat iemand erover begon, voelde ik wel dat ik het er niet heel goed vanaf had gebracht.

‘De kop is eraf’, zei David in de lift.

‘Ja.’

‘Het wordt awwemaal makkewijker als de eerste opnamen erop zitten.’

‘Ja.’

‘Eén dingetje. Vaw vooraw iemand in de rede als hij eindewoos doortatert.’

‘O, oké, zal ik doen.’


Kosmische jenga

De dag daarop vlogen we naar San Diego. In het vliegtuig deelde David het één en ander aan informatie uit over de volgende groep. Die heette de Unarius Academy of Science, en hun voorspellingen hadden wel wat weg van de cargocult in Melanesië: in de nabije toekomst zouden enorme aantallen vliegende schotels landen en ons een technologie brengen waarvan wij stervelingen ons geen voorstelling konden maken. Dat zou de aanzet worden voor een tijd van vrede en rust. Veel aanhangers leken ze niet te hebben. ‘Ze maken hun eigen fiwms”’ zei David. ‘Heew weirde fiwms met maffe speciaw effects. Best weuk.’

De Unarius Academy was gevestigd op een bedrijventerrein in El Cajon, een stadje in de bergen, een paar kilometer ten oosten van San Diego. Hun woordvoerder was Lianne Downey, een reïncarnatietherapeut van begin 30, heel rank, met stralende ogen. Met haar schooljufachtige jurk, fonkelende sieraden en grote oorbellen had ze wel wat weg van een intergalactische onderwijzeres voor de onderbouw – en met haar geavanceerde, aan buitenaardse wezens ontleende wijsheid voelde ze zich misschien ook wel zo.

‘Wat we voorspellen, is niet een algehele ondergang,’ zei ze, ‘en daar zijn we ook niet bang voor. We verwachten dat het eerste ruimteschip van een andere planeet in ons zonnestelsel hier in 2001 landt.’

Ze legde uit dat er uiteindelijk 33 ruimteschepen zouden komen. Die zouden boven op elkaar landen, als een kosmisch spelletje Jenga. Hoe vreemd het allemaal ook klonk, het sprak me op een rare manier ook wel aan. Niet dat ik het geloofde, uiteraard, maar haar overtuiging had iets bedwelmends. Zelf worstelde ik elke dag weer met onzekerheden over veel banalere dingen, en dus benijdde ik haar om haar rotsvaste zekerheid over iets wat zo maf overkwam.

Voor ik vertrok, had ik gelezen dat de unariërs op grote feesten graag kleding aantrokken met een intergalactische inslag en dat ze ook visionaire films maakten. Ik dacht dat het wel geestig zou zijn om een interview af te nemen met één van hun outfits aan. Ik gooide een balletje op bij Lianne. Ze reageerde een beetje verbaasd, maar nam me toch mee naar een kamer waar hun kostuums waren opgeslagen. Ik koos voor een ruimtepak van blauw nylon met een gouden hoedje, waardoor ik eruitzag als een piccolo van Hotel Liberace.

Het plan was dat iedereen naar de plek zou rijden waar de vloot van de intergalactische federatie zou landen. Lianne, haar supervisor Charles en ik zouden erheen gaan met de Unarius-‘ruimtecaddie’ – een felblauwe Cadillac met een model van een vliegende schotel op het dak en aan weerszijden de tekst ‘Welkom ruimtebroeders’. De crew zou achter ons aan komen. De Cadillac vertrok, heel toepasselijk, als een raket, en hulde de tweede auto in een wolk stof. Het duurde een paar minuten voor we doorkregen dat we hen kwijt waren, en omdat er nog geen mobiele telefoons waren, konden we ook niet bellen. Tijdens het rijden vroegen Lianne en Charles zich hardop af welk deel van welk vorig leven ze nu voor de tweede keer meemaakten. Ze konden het niet eens worden en dat maakte hen kribbig. Op de achterbank had ik flashbacks van lange autoritten uit mijn jeugd: warm, saai, ruziënde ouders. Om nog maar te zwijgen van het nylon ruimtepak, dat behoorlijk begon te jeuken en steeds minder leuk werd.

Toen de crew ons echt niet bleek te kunnen vinden, reden we maar terug naar het Unarius-hoofdkwartier. Daar zat ik in mijn ruimte-uniform en dacht na over mijn volgende zet. Charles en Lianne verdwenen. Het was een vreemde, deprimerende ervaring: wat eerst komedie en dolle pret was geweest, was verworden tot troosteloze vervreemding. Een vrouw die geestelijk duidelijk niet in orde was, kwam het gebouw binnenlopen en stelde vragen over de ruimtebroeders. Ik voelde me niet bevoegd daar antwoord op te geven. Uiteindelijk belde de crew vanuit een telefooncel. Ze hadden de landingszone weten te vinden en zouden ons daar opwachten.

We reden er voor de tweede keer heen. Toen we er waren, begon het al donker te worden. In het kwartier dat er nog gewerkt kon worden, filmden ze me op de landingszone, een stuk woestijn met wat struikgewas.

‘Lijkt me geen ideale landingsplek voor een ruimteschip’, zei ik. ‘Het is nogal oneffen.’

‘O, de technologie waarover onze ruimtebroeders beschikken ligt onmetelijk ver voor op de onze’, zei Charles.

‘Mag ik ze aliens noemen?’

‘Nee! Het zijn geen aliens. Ze behoren tot de homo sapiens, net als jij en ik. Ze hebben dezelfde anatomie.’

‘Het zijn homo...?’

‘Sapiens.’

Doordat we de crew waren kwijtgeraakt, was de hele planning in het honderd gelopen. Een interview met een kleine sekte in Los Angeles dat voor de volgende dag op de rol stond, moest worden afgezegd. Daar voelde ik me schuldig over. Onwillekeurig verweet ik mezelf dat ik niet in contact had weten te blijven met de tweede auto. We waren inmiddels drie dagen bezig en het ging duidelijk niet erg voorspoedig. Eigenlijk had ik me heel somber moeten voelen. Maar ik had zo’n lage dunk van mezelf dat ik het zelf wel min of meer oké vond gaan. Ik was op camera niet in huilen uitgebarsten en had ook niet in mijn broek geplast. Dat was al meer dan ik had verwacht.


Nazichristenen

Op dag drie vlogen we naar Montana. Daar reden we uren door een woest landschap van besneeuwde akkers en eenzame boerderijen, met in de verte de Bitterroot Mountains. Laat in de middag arriveerden we bij een kleine caravan, het hoofdkwartier van de Church of Jesus Christ-Christian, een christelijke sekte die in de oppermacht van het blanke ras geloofde. Er waren maar twee leden aanwezig: aartsbisschop Carl Franklin en pastor Wayne Jones. Beiden waren gestoken in een uniform dat was gemodelleerd naar dat van de nazi’s. Ze waren vaag over wanneer de Apocalyps zou komen en wanneer Jezus terug zou keren, maar wisten wel dat dat binnenkort zou zijn, en ze wisten ook voor wie hij dan terug zou keren: het blanke ras. Andere rassen zouden naar andere planeten worden verbannen.

‘Wij onderwijzen het evangelie van het Koninkrijk, dat ook door Jezus is onderwezen’, zei Franklin. ‘Dat evangelie houdt geen broederliefde met anderen in. Hij is alleen op aarde gekomen voor zijn eigen ras. Het blanke, arische ras. Het ras van Adam.’

Ook Jones droeg zijn steentje bij. ‘Elk ras krijgt zijn eigen territorium. Zijn eigen plek. Van integratie zal geen sprake zijn.’

‘En dat territorium komt op de aarde?’

‘Nee. De aarde zal alleen door zijn kinderen worden beërfd.’

‘Dus de aarde gaat helemaal naar de blanken’, zei ik er voor alle duidelijkheid bij.

‘En de planeet die de zwarte mensen krijgen, is die beter dan de aarde, ongeveer hetzelfde, of minder goed?’

‘Die wordt wat zij ervan weten te maken.’

‘Dus ze zouden er net zo’n mooie wereld van kunnen maken als ze willen?’

‘Precies.’

‘En als de aarde van de blanken het nou eens niet zo goed doet en die zien dat de zwarten een heel mooie wereld hebben weten op te bouwen, mogen ze dan emigreren?’

‘Nee. Geen vermenging van rassen. Nee.’

‘Ik besefte dat ik niet erg gretig klonk toen de opdracht mij werd aangeboden, al lag dat wellicht ook aan de hasj.’

Het verliep allemaal nogal paradoxaal: in de loop van het gesprek droegen deze nazichristenen hun inzichten steeds toegeeflijker uit. Ze leken dankbaar dat er iemand bereidwillig naar hen wilde luisteren en mijn vragen, hoe lachwekkend ook, hadden een kalmerend effect. Later kwam ik erachter dat ze al heel lang betrokken waren bij ultrarechtse politieke groeperingen: ze waren chef-staf en chef beveiliging geweest van Aryan Nations. Maar op dat ogenblik kwamen ze over als twee eenzame vrijgezellen, die hun bezoeker heel vriendelijk deelgenoot maakten van hun geheime theologische kennis.

We streken neer in hun keukentje, waar ze theezetten. Ze begonnen over ‘Star Trek’ en ‘Star Wars’. In de mythologie van die twee series zaten volgens hen veel historische waarheden verborgen over het grote kosmische plan. ‘In ‘Star Trek’ zitten een aantal van de kosmische veldslagen die zijn uitgevochten toen Lucifer op aarde neerdaalde en zich tot God uitriep.’

‘En ‘Star Wars’? Kloppen die films ook heel behoorlijk?’

‘Heel behoorlijk.’

Inmiddels had ik het idee dat ik hen op een goedaardige manier had betoverd en dat bijna niets wat ik nog zei die betovering kon verbreken. Ik zong een ruimtehymne die ik van het Unarius-koor had geleerd en vroeg me af of de band met Jones en Franklin zo sterk was dat ik ze een deel van hun racisme kon laten terugnemen.

‘Ik heb een ietsiepietsie Joods bloed’, zei ik. ‘Denken jullie dat ik op aarde mag blijven?’

‘Je krijgt heus wel een eigen stek’, zei Jones.

Door de jaren heen is mij vaak het etiket ‘pseudonaïef ’ opgeplakt. Soms ten onrechte, vind ik, maar het gesprek met die neonazi’s viel wel degelijk onder die noemer. Ik bestookte hen met ogenschijnlijk oprechte vragen, waarmee ik schijnbaar een menselijke invalshoek probeerde te vinden om hun maffe ruimtenazi-ideologie tegen het licht te houden, met satire als resultaat.

In het hotel kwam de geluidsman bij me langs. Hij was een beetje bleek. ‘Ik ben een Jood’, zei hij. ‘Beetje bizar om een paar uur in het gezelschap te zijn van mensen die je eigenlijk dood willen hebben. Maar ik vond dat je er best knap mee omging.’

Kort daarop sprak de cameraman me aan. ‘Je bent nu een paar dagen bezig,’ zei hij, ‘en ik zie je groeien. Ik heb met massa’s mensen gewerkt. Je stem en de manier waarop je praat zijn heel goed getroffen, omdat je overkomt als een heel gewoon mens.’ Misschien vond hij dat toch te veel eer, want hij zei erachteraan: ‘Ik vind iedereen goed die heel gewoon overkomt.’

Het is tekenend voor me dat ik van de onzekerheid die me de vorige dagen had gekweld meteen overstapte op een verwaand soort voldoening. Zonde dat al dat fraaie materiaal zou worden teruggebracht tot een item van acht minuten. Volgens mij hadden we genoeg interviews en ander materiaal voor een complete spin-off, misschien wel van vijftig minuten. Die avond bedronken Chris en ik ons in ons hotel in Missoula om te vieren dat het al met al toch best goed was gegaan. De volgende dag versliep ik me en miste bijna de terugvlucht naar New York.

Daar werd ik ziek, misschien wel door de stress van de week dat we weg waren geweest. Ik belde op om het door te geven. ‘Maak je geen zorgen’, zei Jerry Kupfer. ‘Neem er je gemak van. Alle tijd.’ Later besefte ik dat mijn afwezigheid hun goed uitkwam terwijl zij met elkaar overlegden of mijn werk goed genoeg was geweest om me meer opdrachten aan te bieden. Op dag drie belde Jerry. Of ik langskwam.

Ik was aangenomen.

Bekijk Louis Theroux bij Joe Exotic, The Tiger King:

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234